Skip to main content

Full text of "Onze vogels in huis en tuin"

See other formats




;;;;, ; ' .;»'; ■&&&£■■ 



^ 



s 



— 



ONZE VOGELS 

IN HUIS EN TUIN, 

BESCHREVEN EN AFGEBEELD 

DOOR 

3. ©. .fteulemanö, 

Adsistent aan 's Rijks Museum van Natuurlijke Historie. 
DEEL III. 



te>ï. ^scfr, yVr^' , 4c« ,.<W' •' ■ ': - '.^t-C :">, ■'. 



""• . ... 



•A Sb* ra i 










gpag^g^ggljKf 



LEIDEN , 



1876. 

3545 



P. W. M. TRAP. 



Rfi 


9L 


■/■'■ ! < 


£77 


p.347 


#3? 







INHOUD VAN HET DEKDE DEEL 



IN SYSTEMATISCHE VOLGORDE. 



1. 


De Sperwer. 


Nisus fringillarius. 


2. 


De Blaauwe Ara. 


Arara aracauna. 


3. 


De Groene Ara. 


» militaris. 


4. 


De Rosé-Kakatoe. 


Cacatua eos. 


5. 


De Kleinste Geelkuif-Kakatoe. 


» sulphurea. 


6. 


De Bonte Kakatoe. 


» Leaclbeateri. 


7. 


De Oranjekuif Kakatoe. 


» citrino-cristata. 


8. 


De Nieuw-Holland Parkiet. 


Nyraphicus Novae-Hollandiae 


9. 


De Ringparkiet. 


Palaeornis torquatus. 


40. 


De Scharrelaar. 


Coracias garrula. 


11. 


De Bonte Klaauwier. 


Lanius rufus. 


12. 


De Fluiter. 


Barita tibicen. 


13. 


De Raaf. 


Corvus corax. 


14 


De Beo. 


.Gracula religiosa. 


15. 


De Oeverzwaluw. 


Hirundo riparia. 


16. 


De Groote Bonte Specht. 


Picus major, 


17. 


De Groene Specht. 


» viridis. 


18. 


De Boomkruiper. 


Certhia familiaris. 


19. 


De Draaihals. 


Yunx torquila. 


20. 


De Waterspreeuw. 


Ginclus aquaticus. 






21. De Kersendief. 

22. De Heidezanger. 

23. De Rietzanger. 

24. De Kleine Karekiet. 

25. De Oeverzanger. 

26. Het Blaauwborstje. 

27. De Blaauwe Roodborst. 

28. De Koperwiek. 

29. De Duinpieper. 

30. De Groote Pieper. 

31. De Graspieper. 

32. De Rozenspreeuw. 

33. De Troepiaal. 

34. De Baltimore-Vogel. 

35. De Rijstvink. 

36. De Gele Kardinaal. 

37. De Roode Kardinaal. 

38. De Indigo Vink. 

39. De Paradijs Weêuw. 

40. De Geelvink. 

41. De Kaapsche Geelvink. 

42. De Zebravink. 

43. De Senegali. 

44. Het Oranje Fazantje. 

45. Het Goudborstje. 

46. Het Zilver Fazantje. 

47. De Jacobijn. 

48. De Mongool. 

49. Het Nonnetje. 

50. De Huismusch. 

51. De Ringmusch. 

52. Het Korhoen. 

53. De Soemmerings Fazant. 

54. Lady Amherst's Fazant. 



Hypolais icterina. 
Calamoherpe locustella. 

» arundinacea. 

Calamodyta phragmitis. 
Calamoherpe palustris. 
Sylvia suecica. 
Sialia Wilsoni. 
Turdus iliacus. 
Anthus campestris. 

» Richardii. 

» pratensis. 
Pastor roseus. 
Icterus Jamaica. 

» baltimore. 
Dolichouyx oryzivorus. 
Gubernatrix cristatella. 
Cardinalis virginianus. 
Fringilla cyanea. 
Vidua paradisea. 
Serinus hortulanus. 

» butyracea. 
Amadina castanotis. 
Estrelda cinerea. 

» melpoda. 
Pytelia subflava. 
Munia malabarica. 
» malacca. 
» rubronigra. 
» maja. 
Passer domesticus. 

» montanus. 
Tetrao tetrix. 
Phasianus Soemmeringi. 
Thaumalea Amhersti. 



55. De Boschhaan. Gallus bankiva. 

56. De Roerdomp. Ardea stellaris. 

57. De Zwartnek-Zwaan. Cygnus nigricollis. 

58. De Slobeend. Anas clypeala. 

59. De Krakeend. » strepera. 

60. De Pijlstaart Eend. » acuta. 






Digitized by the Internet Archive 
in 2013 



http://archive.org/details/onzevogelsinhuis03keul 




■ 1 lUrt 



e .;//ry//>< ; r 



• Yi M.W 



DE SPEBWER. 

NISUS FRINGILLARIUS. 



Sperwers zijn eigenlijk kleine Havikken, gelijk de Toren- en de Boomvalk 
kleine Valken zijn. Zij zijn bijzonder slank gebouwd, hebben zeer lange teenen, 
een kleinen doch scherpen bek, tamelijk korte, afgeronde vleugels en een meestal 
langen staart. 

Ofschoon de Sperwer overal, en waarlijk niet ten onregte, in een kwaden 
roep staat, is hij evenwel een uiterst belangrijke, schoon gevormde vogel; hij is 
een ware type van een roofvogel, een volkomen toegeruste moordenaar. Vrij alge- 
meen, doch verkeerdelijk, wordt ondersteld, dat roofvogels naar gelang van 
hunne grootte kwaadaardiger en gevaarlijker zijn, zoodat men de kleinere soorten 
als de onschuldigste zou moeten beschouwen. Juist het omgekeerde is het geval. 
Men vreest den Gier, die zich met krengen voedt, en doodt den Arend, die, be- 
halve het reeds gestorven dier, soms een haas, konijn of jongen gems verslindt. 
De kleine Havikken daarentegen zien er zoo net en aardig uit, dat zelfs het 
meest onopgesmukt relaas van hunne misdaden door velen als een schromelijke 
overdrijving zou worden uitgekreten. Trouwens kunnen alleen zij , die den vogel 
meer van nabij kennen, gelooven, dat een paar Sperwers, als zij jongen hebben, 
dagelijks 20 a 30 oude of jonge vogeltjes of muizen om 't leven brengen, dat 
een Sperwer gemiddeld een vogel daags, dus ruim 300 'sjaars, vernielt, en dat 
hij, als de nood hem dringt, zelfs Patrijzen, Duiven of Hoenders doodt of ver- 
minkt. Niet alleen grijpt hij de ouden tusschen het gebladerte onverwachts in 
den nek; niet alleen komt hij den onschuldigen Leeuwerik, te midden van diens 
morgenlied, hoog in de lucht, moorddadig overvallen, maar hij loert ook op 
hunne nesten, nijpt de jongen levend in de klaauwen, en sleept ze soms met 
nest en al weg. Woestheid, bloeddorst, onmeêdoogendheid, gepaard met eene 



angstige, wilde gejaagdheid, kenmerken het karakter van den Sperwer. Hij is een 
struikroover onder het gevogelte, dat hem vreest, verafschuwt en zooveel moge- 
lijk vermijdt. Onder de gevederde bosch- en veldbewoners is hij dan ook een 
waar schrikbeeld; ook jagtliefhebbers kennen geen erger ongedierte, en stellen 
»zijn hoofd op prijs" ; de buitenlieden zien evenmin een vriend in hem en halen 
bij zijn bezoek onmiddellijk de geweren voor den dag; zelfs grootere, sterkere 
roofdieren houden hem liefst op een afstand. Dikwijls echter ziet men kleine vogels, 
die snel vliegen en zich buiten zijn bereik kunnen houden, zich in troepen ver- 
eenigen en hun vijand onder luid gejoel op de vlugt jagen. Meestal valt dan toch 
een of ander dier kleine plagers in zijne klaauwen. Door schielijk van rigting te 
veranderen of onverwachts terug te vliegen, krijgt hij soms zelfs de vlugge 
Zwaluw in zijne magt. 

Doch ook met zijns gelijken kan de Sperwer zich niet verdragen, en in ge- 
vangenschap valt hij, bij de minste onthouding, zijn soortgenoot terstond in den 
nek, en dan vreet de sterkere den zwakkeren makker zonder medelijden op. De 
wijfjes zijn nog wreeder, dan de mannetjes, en dus nog gevaarlijker gasten. 
Eenige maanden geleden werd door een tuinier van zekeren hoenderhouder een 
zeer oude Sperwer geschoten, een wijfje dat dien dag reeds vier jonge Fazanten 
had weggeroofd. Zij was echter slechts aan den vleugel verwond, en geraakte, 
terwijl zij trachtte te ontvlugten, met haar kop tusschen de traliën van een hek 
verward, doch hield daarbij steeds hare prooi met de pooten vast, zoodat men, 
om haar levend te krijgen, haar die moest laten behouden. Nadat men haar ge- 
vangen en in eene mand geplaatst had, gaf men haar eene doode rat, welke zij, 
even als den vroeger geroofden buit , onmiddellijk aan stukken scheurde en geheel 
verslond. Eenige dagen later werd het mannetje geschoten en haar als voedsel 
voorgezet, en dadelijk rukte zij het lijk van haar eigen echtgenoot den kop van 
den romp, vrat het half ledig, plukte het vleesch van de borst, en nam later 
in den dag nog de overblijfsels. 

In vroegere tijden bezigde men den Sperwer bij de vogeljagt, en leerde men 
hem zelfs groote vogels levend aan te brengen. Havikken (Astur palumbarius) vielen 
vogels zoo groot als Reigers en Ooijevaars in de vlugt aan, en, ofschoon menige 
Havik er het leven bij inschoot, werden er toch dikwijls Snippen, Patrijzen, zelfs 
Eenden en Ganzen, door middel van Havikken en zelfs van Sperwers gevangen. 

Men vindt den Sperwer over geheel Europa, behalve in de koudere luchtstre- 



ken, ook in bijna geheel Azië en Noord-Afrika. Hij bewoont zoowel bergachtige 
als vlakke streken, bosschen zoowel als moerassen, en vertoont zich zelfs in de 
steden. 

Het mannetje is ongeveer een derde kleiner dan het wijfje, en is aan de 
onderdeelen gewoonlijk rooder gekleurd. Men wil dat bij de wijfjes de veeren der 
borst geheel roestrood zouden worden, even als bij het oude mannetje, niettegen- 
staande de zoo zeer verschillende kleurveranderingen, welke beide seksen dezer 
vogels ondergaan, en de zoo uiteenloopende verscheidenheden, die onder de 
Sperwers voorkomen. De verandering van kleur, van strepen en vlekken wordt 
door de geleerden aan leeftijd en sekse toegeschreven, en men bepaalt volgens de 
kleurteekening den ouderdom des vogels. Dit stelsel houdt echter volstrekt geen 
steek ; alleen kan men daardoor zeer oude van zeer jonge voorwerpen onder- 
scheiden, doch niet den tusschenleeftijd bepalen; want er komen onder de Sper- 
wers, in verschillende landen verzameld, niet minder dan tien eigenaardige en 
zeer kennelijk verschillende vederkleeden voor, terwijl men, de overgangen van 
het eene kleed tot het andere in aanmerking nemende, dit getal nog veel grooter 
zou kunnen stellen. De oude wijfjes zijn wel is waar steeds grijzer of graauwer 
dan de meeste mannetjes, doch men vindt ook wijfjes, ten minste groote voor- 
werpen, die gedeeltelijk de roode onderdeelen der mannetjes hebben, welke laat- 
sten, zoodra zij die kleurteekening vertoonen, gewoonlijk als zeer oude of 
onvruchtbare voorwerpen worden beschouwd. Valkeniers daarentegen verklaren 
(en dit is ook de meening van alle praktische kenners), dat de Sperwer, na den 
eersten rui, wel jaarlijks van vederen, maar niet meer van kleur verandert, zelts 
al wordt hij nog zoo oud; dat er ouden van beide seksen in alle verscheidenheden 
voorkomen; dat de kleurteekening zelfs bij de jongen uit een en hetzelfde nest 
verschilt; dat de jongen uit één nest, na den eersten rui, dikwijls allen een ver- 
schillend kleed dragen, en dat ook eenjarige voorwerpen dezelfde kleuren ver- 
toonen, welke de wetenschappelijke mannen aan zeer ouden toeschrijven. 

Deze quaestie is zeer moeijelijk uit Ie maken. De theoretische ornitholoog 
verdedigt zijne stellingen door gedane waarnemingen op verschillende vogelhuiden, 
daarbij op het gevangen leven der Sperwers, door valkeniers gehouden, wijzende, 
ten betooge, dat een vogel in de kooi in een abnormalen toestand verkeert. De 
valkenier daarentegen vraagt, waaraan de theoreticus bij een wild-geschoten 
voorwerp kan zien hoe oud het is, of hoe hij bewijzen kan, dat de volgens de 



kleur bepaalde ouderdom des vogels met diens werkelijken leeftijd overeenkomt, 
zoolang hij niet dagelijks en gedurende dien geheelen leeftijd de voorwerpen heeft 
gadegeslagen. Aangezien de Sperwer, even als vele andere roofvogels, niet gere- 
geld en in bepaalde jaargetijden ruit, maar gedurende het grootst gedeelte van 
het jaar veder voor veder verwisselt, terwijl deze nieuwe vederen eerst later en 
vrij ongeregeld verkleuren, is het niet met zekerheid uit te maken hoeveel tijd er 
verloopt vóórdat de overlangsche vlekken in overdwarsche strepen veranderd zijn, 
en is het dus onmogelijk, den leeftijd des vogels volgens de kleur te bepalen. 
De kleurverandering dezer vogels heeft dan ook met het door ons aangenomen 
systeem van tijdverdeeling niets te maken. Immers, wanneer men slechts over- 
weegt, dat roofvogels in de tropische gewesten op zeer ongelijke tijden nestelen, 
ruijen en, even als onze Sperwers, zich in allerlei vederkleeden vertoonen, moet 
men dadelijk het ongerijmde inzien van dergelijke stelsels, waardoor men den 
leeftijd van zoodanige vogels bij jaartallen wil berekenen. 

Keeren we echter tot den vogel zelven terug; trouwens, wat van hem is 
waargenomen, is belangrijk genoeg, om vooreerst de verkleurings-theoriën te 
laten voor 'tgeen zij zijn. 

De Sperwer heeft veel eigenaardigs, waardoor hij zich van andere roofvogels 
onderscheidt. Hij loopt of springt bijna nooit; om van plaats te veranderen, 
gebruikt hij schier uitsluitend zijne vleugels. Hij vangt zijne prooi in de vlugt, 
of grijpt haar op den grond of in het geboomte. Zijn gezigt is niet zoo scherp, 
als dat van andere roofvogels ; daarom vliegt hij zelden of nooit hooger dan 
eenige voeten boven den grond, de huizen of de boomen Niettemin ontdekt hij 
al dadelijk een nest in eene boomholte of onder het digte lommer, en de minste 
beweging trekt zijne aandacht. Hij wacht uren lang voor het boomgat, even 
geduldig als de kat op de muis, en grijpt het kleine, hulpelooze vogeltje in den 
nek. Hij doodt niet op de plaats zelve, doch voert zijn buit naar een of anderen 
veiligen boomtak, en brengt eerst daar zijn stervend slagtoffer den genadeslag 
toe; onder het wegvliegen trekt hij de pooten hoog tegen het ligchaam op, 
zoodat door het zamentrekken der spieren zijne scherpe nagels dieper doordringen, 
zonder nog zijne prooi daardoor te dooden. Valken en Arenden daarentegen 
dragen hun buit hangende, en Wouwen en Buizerds verslinden of dooden hunne 
prooi op de plaats zelve, waar zij haar bemagtigden. Als het wijfje van den 
Sperwer broeit, brengt het mannetje haar voedsel aan; hij jaagt dan van 's morgens 



vroeg tot 's avonds laat, al den gevangen voorraad op of naast het nest bren- 
gende. Zoo vond men eens, bij het ontdekken van een Sperwersnest, 15 kuikens 
van Fazanten, 4 jonge Patrijzen, 5 Hoenderkuikens, 1 Goudvink , 2 Veldpiepers 
en 2 Leeuwerikken, allen versch gedood. 

De Sperwer maakt een beter afgewerkt nest, dan de meeste andere roof- 
vogels, en bekleedt het met haar en mos. Dikwijls herbouwt hij vervallen 
kraaijen-, ekster- of duivennesten. Men vindt hem nu eens op rotsen, dan weder 
in boomen nestelende. De eijeren — men vindt er meestal 5 in één broeisel — 
zijn, in verhouding tot den vogel, tamelijk groot, vuil blaauwachtig wit, met 
roode vlekken en strepen. 

In gevangenschap heeft de Sperwer weinig aantrekkelijks ; door zijne zeer 
volkomen ontwikkeling en vlugge bewegingen is hij wel is waar uiterst belangrijk, 
doch, al vindt hij in den mensen soms een bewonderaar, toch wordt hij nimmer 
zijn vriend, en hij is ook te koppig, te nijdig en te wantrouwend, dan dat hij 
ooit met eenig ander levend wezen in vriendschapsbetrekkingen zou kunnen treden. 




i *€*& f }r /'a 



DE BLAAUWE AEA. 

ARARA ARACAUNA. 



De Rlaauwe Ara, die met volle regt den naam van prachtvogel verdient, be- 
woont Zuid-Amerika , noordelijk tot Honduras, zuidelijk tot Chili, in welk land 
hij echter alleen langs de noordelijke grenzen voorkomt. Het meest algemeen treft 
men hem in Midden-Rrazilië, in de digtste wouden, aan. 

De Rrazilianen noemen hem Collinda en Arazuna, welke laatste naam van 
zijn stemgeluid is afgeleid. Overal elders noemt men hem naar de hoofdkleur van 
zijn gevederte, namelijk naar het zoo prachtige hemelsblaauw, dat, met het hel- 
dere goudgeel der geheele onderdeden, hem tot den fraaiste aller Papepaaijen 
maakt. Er bestaat dan ook in de geheelé vogelwereld geen enkele soort, wier 
kleuren zoo schitterend tegen de haar omringende natuur uitkomen. Alle natuur- 
onderzoekers, die dezen vogel in zijne woonplaats aantroffen, roemen om het 
zeerst de schoonheid van zijn gevederte; en allezins verklaarbaar is de betuiging 
van den prins von Wied, dat het gezigt van eenige vliegende Rlaauwe Ara's hem 
dermate trof, dat het hem onmogelijk was, er een van neer te schieten. 

Ten opzigte hunner levenswijze komen alle bekende Ara's hierin overeen, 
dat zij levendig en vol beweging zijn, vlug klimmen en zeer snel vliegen, steeds 
gezellig leven, en in boomholten nestelen. Zij zijn allen zeer aan hunne jongen 
en ook evenzeer aan elkaêr gehecht; als een staaltje hiervan, verhaalt men zelfs, 
dat eens een mannetje den jager, die zijn wijfje geschoten had en haar mee- 
voerde, tot in de stad navloog en, toen de arme vogel bemerkte, dat alle po- 
gingen, om zijne wederhelft terug te krijgen, vruchteloos bleven, zoo verslagen 
en moedeloos werd, dat de stedelingen hem met de hand vingen. 

Er bestaat geen ander uiterlijk verschil tusschen beide seksen, dan dat bij 
het wijfje de vlek, welke de onderkaak begrenst, kleiner en groener is. De jongen 



zijn, bij het verlaten van het nest, nagenoeg aan hunne ouders gelijk; alleen 
hebben zij dan nog het groen aan den bovenkop en het blaauw iets grijzer en 
de oogen donkerder. De zwarte wangveêren, welke bij de ouden de zoo scherpe 
strepen vormen, ontbreken bij de jongen nagenoeg geheel. 

Zoo als we straks reeds aanstipten, broeit ook deze Ara in booraholten. 
Sommige schrijvers meenen echter te hebben ontdekt, dat hij ook in aardholten 
broeit; mogt dit inderdaad het geval wezen, dan zou hij de eenige van alle Ara- 
soorten zijn, die op den grond nestelt. Beide ouden lossen elkaêr in het broeijen 
af, en elk broeisel bevat steeds twee eijeren; deze zijn, even als bij alle Pape- 
gaaijen, vrij groot, glanzend wit en zuiver ovaal. 

Men heeft opgemerkt, dat de jongen, als zij gevoederd willen worden, niet, 
zoo als de meeste andere vogels doen, een klagend of krijtend geluid maken, 
maar hunne begeerte te kennen geven door met den snavel te kloppen, even 
als men soms van de ouden, en ook van de meeste Uil-soorten verneemt. Nog 
geruimen tijd nadat zij voor het eerst uitgevlogen zijn , blijven zij onder het toe- 
zigt hunner ouders, en worden zelfs nog weken lang door dezen gevoederd en 
geleid. 

Het 'voedsel dezer vogels bestaat uit allerlei vruchten, die in hun vaderland 
zeer overvloedig zijn, daar bijna elke boom in het tropisch woud voor den Pape- 
gaai een vruchtboom is. Noten, zaden, jonge bladscheuten en, zoo als sommigen 
beweren, ook groote insecten en hagedissen strekken hun eveneens tot spijs. 

De Blaauwe Ara wordt door de Indianen gevangen en, even als de andere 
soorten, tot versiering hunner hutten, op latten en palen gehouden. Von Hum- 
boldt zag daar deze vogels, even als bij ons de Duiven, vrijelijk rondvliegen 
en naar hunne latten terugkeeren. De Roodhuiden bezigen hunne veeren bij het 
maken van kleedingstukken en krijgsgewaden, alsook bij het vervaardigen van 
pijlen; de veeren V3n den Rooden Ara worden door sommige krijgslieden uit den 
Tupinamben-stam gedragen als kenteeken van bestaande veeten met andere 
stammen, en Brehm meldt dienaangaande, dat, wanneer de laatstgenoemde 
Indianen in oorlog zijn, de zoogenaamde «doodslager", als onderscheidingsleeken 
van zijn ambt, zich geheel met kleine veeren bedekt, door deze met hars op 
het bloote ligchaam vast (e plakken. 

De meeste der Ara's, welke wij over den geheelen aardbol in tammen staat 
aantreffen, zijn dan ook door de Roodhuiden gevangen; want de blanke jagers 



zijn zelden behendig genoeg om ze levend te bemagtigen. De blanken in Brazilië 
maken van den hier afgebeelden Ara veel werk, en vervaardigen dikwijls hunne 
schrijfpennen van de uitgeruide veeren. In diergaarden vinden wij zelden zulk 
eene veer, en het schijnt wel, dat ze daar door de beambten onmiddellijk worden 
bewaard, ofschoon ze bij ons geen ander nut hebben, dan het genot, dat het 
aanschouwen eener fraaije kleur geeft. Sedert de laatste jaren echter versieren 
ook onze dames en kinderen hunne hoofdtooisels met deze veeren; vandaar dat 
eene complete huid van den Blaauwen Ara door de Fransche plumassiers thans 
met 60 a 80 francs betaald wordt. Levend kost deze vogel te Londen en Bordeaux 
ongeveer 70 gulden; doch meestal trachten de kooplieden er nog meer voor te 
bedingen, vooral wanneer de vogel heeft leeren praten, hetgeen hij, jong geleerd, 
al zeer aardig doet. Inderdaad is zijn vermogen om woorden na te bootsen bijzon- 
der ontwikkeld; evenwel dient men hem de woorden met veel geduld en volharding 
in te prenten, daar hij ze anders, bij zijn meestal wilden, zorgeloozen aard, al zeer 
spoedig weer vergeet. De Ara, die bij het teekenen van de hiernevensgaande afbeel- 
ding tot model diende, vermaakte mij bijzonder door de vrolijke conversatie, welke 
hij al dadelijk met mij aanknoopte. Ik wist niet dat hij praten kon, en ik was reeds 
een heele poos met het schetsen van zijn portret bezig, toen ik hem op eens, lot 
mijne groote verwondering en even groot genoegen ('t was immers alsof het 
fraaije dier mij een vleijend compliment over mijne teekening maakte!), hoorde 
zeggen: vthat's very clever, very dever" (dat is heel knap, heel knap). Nu, de 
bezoekers in de diergaarde hadden hem dit compliment herhaaldelijk gemaakt, 
zoo dikwijls hij zich, gelijk de meeste Ara's doen, met zijn rek heen en weer 
zwaaide. Dit bemerkte ik spoedig; want naauwelijks had hij mij die woorden 
toegesproken, of hij begon zoo dapper te zwaaijen en te slingeren, dat het mij 
onmogelijk was, zijn portret te voltooijen, en daarbij riep hij op den duur: »/7/ 
have a siving, full speed, full speed, go on Polly , very dever!" (Ik ga schomme- 
len, haast je, haast je, vooruit Polly, heel knap). »Po%" beteekent in het 
Engelsch: «gekuifde Papegaai", van poll = kuil' (zooals wij ook Kuif hoenders, 
naar het Engelsch, poolsche noemen); doch men past daar gewoonlijk dien naam 
op alle Papegaaijen toe, even als wij gewoon zijn alle apen »Kees" te noemen. 

Deze vogels kunnen zeer oud worden; bij eene goede behandeling, worden zij 
bijzonder aan hunne meesters gehecht en zeer tam. Hun verstand is zeer ont- 
wikkeld; zij letten op alles, en hebben een voortreffelijk geheugen. Dat zij ook 



elkander goed verstaan en zelfs hunne gevoelens elkander kunnen mededeelen, 
blijkt uit de volgende bijzonderheid, die ik zelf waarnam. Eenigen tijd geleden 
had een vogelhandelaar te Londen drie Blaauwe Ara's bij elkaêr in eene kleine 
armoedige kooi; zij waren pas aangekomen, en vlogen, als woeste, wilde gevan- 
genen, hunne vleugels tegen de traliën stuk, beten naar al wat nabij de kooi 
kwam, en hadden reeds den handelaar de vingers verwond, hetgeen voor hem eene 
reden te meer was om hen hoe eer hoe beter over te doen. Toevallig ontving hij 
dienzelfden dag eene aanvraag om vier zulke vogels; om nu dit getal vol te 
maken, plaatste hij een sedert lang gekooiden Blaauwen Ara bij de nieuwelingen. Na 
eenige oogenblikken van onderlinge inspectie, ging de tamme vogel tusschen zijne 
nieuwe makkers zitten, en scheen daar geheel op zijn gemak. Alvorens de kooi te 
verzenden, gaf men hun eene groote hoeveelheid voeder, dat zij allen zeer bedaard 
nuttigden; en toen den ouden Ara nog een stukje peer als afscheidsversnapering 
werd voorgehouden, kwamen de overige drie zachtkens naar de traliën, als ware 't 
om ook hun deel te vragen. Tot onze groote verwondering, namen zij dit zeer 
voorzigtig uit mijne hand. Hunne woestheid hadden zij op eens afgelegd. Blijkbaar 
hadden zij van hun ouderen makker vernomen, dat er volstrekt geen kwaad in 
lag, om ook een stukje uit de hand te pakken, en dat alle angst voor hun nieu- 
wen meester ongegrond was. 

Men voêre deze vogels even als andere groote Papegaaijen. Verscheidenheid 
van voedsel is voor hen zeer noodzakelijk. Voor zooverre bekend is, heeft men 
nog nimmer in gevangenschap geteelde jongen van den Ara verkregen. Misschien 
echter zou daartoe wel kans bestaan, indien het niet zoo moeijelijk was, een 
paar te bekomen, en ook de kosten tot het aanleggen van groote volières niet 
zoo hoog liepen. 

Een Fransch schrijver, Bourget, maakt gewag van een paar ontsnapte Blaauwe 
Ara's, die te Caen (Frankrijk), in 4818, in een der boomen zouden genesteld 
hebben. Daar echter deze mededeeling nimmer is bevestigd geworden, mogen we 
onderstellen, dat de schrijver verkeerd was ingelicht. 







PVTJYI ; 



DE GKOENE AEA. 

ARARA MILITARIS. 



De hier afgebeelde vogel wordt in verschillende landen ook de «Soldaten- Ara" 
genoemd, in navolging van zijn wetenschappelijken soortnaam, die wederom 
schijnt afgeleid te zijn van zijne effen groene kleur, welke, althans volgens de 
meening van Linnaeus, bijzonder veel overeenkomst had met de uniform der sol- 
daten (waarschijnlijk der Zweedsche soldaten uit den tijd van Linnaeus) ; volgens 
de meening van anderen daarentegen, zouden deze vogels dien militairen naam 
te danken hebben aan hunne gewoonte om steeds bij troepen te leven en dikwijls 
in ééne regte lijn, als ware 't in één gelid, naast elkander te zitten. 

Het woongebied dezer soort strekt zich uit over geheel Brazilië, Peru, Bolivia 
met de Argentijnsche Republiek en noordelijk tot Mexico. Zij is het meest alge- 
meen in Nederlandsch West-Indië, en wordt in Paramaribo menigvuldig in kooijen 
gehouden. Men vindt haar ook op het eiland Jamaica, waar deze vogels echter, 
naar men onderstelt, niet inheemsch zijn, maar, door de aldaar veeltijds woedende 
najaarsorkanen voortgezweept, zijn komen aanwaaijen, om later weer, bij gun- 
stigen wind, naar het vasteland terug te keeren. Trouwens vermeldt ook Brehm, 
dat zij aldaar uitsluitend omstreeks October overkomen, waaruit, ook hij de gevolg- 
trekking maakt, dat zij dan door den storm derwaarts zijn overgevoerd. 

Ten opzigte zijner levenswijzeo vertont de Groene Ara weinig verschil met 
de overige soorten; alleen is hij minder luidruchtig, ja zelfs stil en bedaard. Met 
betrekking tot zijne wijze van nestelen, de eijeren en verdere bijzonderheden t 
het broeijen betreffende, komt hij geheel met alle andere bekende soorten van 
Ara's overeen. 

Ofschoon niet zeldzaam , wordt hij toch minder dan de Roode en Blaauwe 
soort in gevangen staat aangetrolfen , waarschijnlijk doordien hij, wegens het min- 



der opzigtige van zijn gevederte, ook minder in trek is. De koopprijs belet echter 
geenszins zijne algemeene verspreiding onder de vogelliefhebbers ; want men 
betaalt er zelden meer dan 30 a 40 gulden voor. Aan den anderen kant is het 
ook waar, dat hij in gevangenschap op verre na niet dat vermakelijke aanbiedt, 
hetwelk men van den Rooden en den Blaauwen Ara ondervindt; want hij is niet 
alleen te stil van aard, maar ook een slecht leerling in de praatkunst; wel kunnen 
sommigen eenige woorden uiten, doch zij zijn steeds zoo onduidelijk en zwak 
van spraak, dat men hen slechts moeijelijk verstaan kan. 

Tot voedsel geve men hem zaden en vruchten, en behandele hem overigens 
even als de reeds beschreven soorten van Ara's. 

Behalve dezen, komen er nu en dan Hyacinth-Ara's ter markt; doch dit is 
een zeer zeldzame vogel, en hij wordt dan ook, behalve in diergaarden, schaars 
bij vogelliefhebbers aangetroffen. Deze soort is de grootste van allen; zij is 
geheel donkerblaauw, en heeft de naakte wangen helder oranjegeel. Zij bewoont 
Brazilië, noordelijk tot de Amazonen-rivier. 

Eene andere, uiterst zeldzame soort, de Arrakan der Brazilianen (Arara 
severa), door sommigen ook Grenadier genoemd, herinnert, door de kleur van 
haar gevederte, aan de Groene, hier afgebeelde soort. Zij is echter fraaijer van 
kleuren, heeft de onderdeelen en ondervleugelveêren donkerrood, is blaauwer in 
den nek, en onderscheidt zich vooral door hare geringere grootte. 

De Marakana (Arara maracana) gelijkt veel op de laatstgenoemde soort, doch 
heeft den stuit en het midden van den buik donker roestrood, en is onder den 
vleugel groen en geel. Deze soort bewoont het Zuiden van Brazilië, alsmede Para- 
guay en Peru. 




. ' 



, TV-,: 



DE BOSE-KAKATOE. 

CACATÜA E OS. 



Deze fraaije soort behoort tot de afdeeling der Rondkuif-Kakatoe's, bij welke 
de verlengde kuif- of bovenkop-veêren niet opwaarts krullende, maar naar den 
kop of benedenwaarts gebogen zijn. De vogelhandelaren noemen de tot de eerste 
afdeeling behoorende soorten Spits- of Krulkuif- , de overige , waaronder de Roode , 
hier afgebeelde soort, Rond- of Hangkuif-Kakatoe's. 

De Roode soort is wel de kennelijkste en tevens een der fraaiste onder deze 
merkwaardige vogels. Zij bewoont Australië , is zeer menigvuldig in de binnen- 
landen, doch zeldzamer nabij de kuststreken. De seksen zijn gelijkkleurig, doch de 
jongen iets graauwer. Ten opzigte hunner levenswijze komen zij in allen deele 
met de andere Kakatoe-soorten overeen. Inderdaad wijken de verschillende waar- 
nemingen, in tal van landstreken met betrekking tot deze ook in kleur en grootte 
zeer afwisselende vogelsoorten gedaan, zoo weinig van elkander af, dat de 
beschrijving van eene enkele, soort veilig voor al de overige zou kunnen gelden. 
Dit neemt echter niet weg, dat er, al naar gelang van de soorten, en zoo als zij 
zich in den natuurstaat voordoen, wel eenig kennelijk verschil bestaat in de 
wijze van nestelen, den aard der landstreken, die zij bewonen, en in hun stem- 
geluid. Ook de vogels die, in onze woningen gehouden, soms allerlei vreemde 
gewoonten aannemen, vertoonen niettemin bepaalde, aan de soort eigen, hoeda- 
nigheden. 

Ofschoon men onder de tot eene en dezelfde soort behoorende individuen 
zeer verschillende neigingen, deugden en ondeugden opmerkt, zoo bevindt men 
toch, dat elke bijzondere soort ook hare eigenaardigheden heeft. De Kleine Geel- 
kuif-Kakatoe (C. triton), b. v., is levendiger, grappiger en meer speelziek, dan 
de verwaande, wilde, Groote Geelkuif (C. galerüus). De Kleinste Geelkuif- of 



Geelwang-Kakatoe is grilliger, dan alle andere soorten, en maakt, als hij zit, 
allerlei noodelooze bewegingen met den kop, en onder het vliegen allerlei zonder- 
linge buitelingen. De Dunbek- of Neuskakatoe (Cacatua of Lecmetis nasicus) is 
weder vrolijker, zachtaardiger en meer fluit- of praatziek. De meeste kleine witte 
soorten met neerhangende kuif kenmerken zich door hare stille, uiterst bedaarde 
bewegingen; zij hebben in haar doen en laten iets van de Duif. De Rosé-Kakatoe 
is zeer zachtaardig, doch kan ook zeer driftig zijn; hij is, als velen onzer eigen 
soort, opvliegend en ligtgeraakt, maar toch goedhartig. De groote zwarte of 
donkere soorten (van het geslacht Microglossus) en de Raaf-Kakatoe's (Calyptorhyn- 
chus) daarentegen zijn boosaardig, nijdig, en worden zelden geheel tam. 

De Rosé-Kakatoe is als kooivogel zeer gezocht; hij is dan ook buitengewoon 
mak en vertrouwelijk, als men hem vriendelijk bejegent, doch wordt bij herhaald 
plagen of storen schuw en wild. Hij is echter niet twistziek, en leeft liefst gepaard 
of met andere vogels vereenigd. De meesten worden zeer oud; trouwens is inzon- 
derheid deze Kakatoe zeer sterk van gestel, zoodat hij eene koude kan verdragen, 
waarbij andere soorten zouden beven en rillen. Men voêre hem op gelijke wijze, 
als de vroeger beschreven soorten. 



. 




m 



-:■ \ 1 








r- 



^ /ï/6Y/'?rJff f/ f/ 




i. tfl ' , v 



DE KLEINSTE GEELKUIF-KAKATOE. 

GACATUA SULPHUREA. 



De hier beschreven vogel wordt ook Geelwang- en Zwavelgele Kakatoe ge- 
naamd, omdat bij hem de gele kleur zich ook langs de zijden van den kop, 
namelijk aan de wangen, vertoont, en wel meer in het oog vallend, dan bij de 
overige bekende Kakatoe-soorten. Deze kleinste der Geelgekuifde Kakatoes is tevens 
de meest algemeene; hij wordt in Celebes, Lombok, Sumbawa en Flores aange- 
troffen. Een verwant ras, uit Timor en Samao, onderscheidt zich door zijne ge- 
ringere grootte en donkerbruinen oogrand. Bij beide rassen is echter de iris zoo 
donker, dat men slechts bij een fel licht, en van zeer nabij dit verschil in 
kleur kan opmerken. Volgens Finsch, is het ras, dat Timor en ook Samao be- 
woont, eene en dezelfde soort, door hem Plictolophus Buffoni genoemd. Eene 
zeer kennelijke soort (misschien ook eene klimaatsvariëteit) is C. citrinocristatus 
of Goudwang-Kakatoe, uit de Tenember-eilanden en Timorlaut; zij gelijkt vrij 
wel naar de hier afgebeelde soort, doch heeft de kuif en wangen, in plaats van 
zwavelgeel, helder oranje. Deze Kakatoe is, volgens Wallace, uitsluitend tot de 
genoemde eilanden beperkt, van waar zij door de inboorlingen zeer dikwijls als 
kooivogel naar Macassar wordt overgebragt. 

Even als de meeste, zoo niet alle Kakatoes, leeft de hier afgebeelde vogel bij 
troepen van honderde voorwerpen, die aan het veldgewas zeer veel schade toebrengen, 
Brehm zegt in zijne verhandeling over deze vogels o. a.: «Honderden en duizenden 
verschijnen en kondigen hunne aankomst reeds van verre door hevig geschreeuw 
aan. Zij vallen allen te zamen in de plantages neder, en rigten daar zoo veel ver- 
woestingen aan, dat de planter alle hem te dienst staande middelen moet aan- 
wenden om ze af te weren. Het is een treffend schouwspel, zulk een zwerm te 
zien nederstrijken: de zuiver witte kleur der vogels steekt onbeschrijfelijk schoon 






af tegen het donkere woud of het zacht groene veld; doch de schade, welke zij 
den planter veroorzaken, is daarentegen zoo belangrijk, dat men het den eigenaar 
van den bouwgrond niet ten kwade kan duiden, als hij voor dat schoone geene 
oogen heeft en een onbarmhartigen verdelgingskrijg voert tegen de zoo heerlijk 
schoone bezoekers". 

Gelukkig dat de bosschen hen gedurende het grootst gedeelte van het jaar 
van voedsel voorzien ; anders zou er voor de planters weinig van den oogst over- 
schieten. Gould nam waar, dat deze vogels, ofschoon zij bij groote vlugten rond- 
zwerven, toch bij voorkeur het digte hout der bosschen bewonen en hoofdzakelijk 
van bladscheuten, noten en vruchten leven. Ook Brehm zegt zelf, dat zulke 
zwermen vooral na den broeitijd de plantages overvallen. Men heeft ook opge- 
merkt, dat zij liefst in ruime boomholten nestelen. Het nest bevat twee a drie 
witte eijeren, die bijzonder groot en grof van schaal zijn en door beide ouders 
worden uitgebroeid. 

Er bestaat bij dezen vogel geen uiterlijk verschil van sekse of leeftijd; de 
jongen zijn met een lang, dun en stug dons bedekt, dat later door de vederen 
onzigtbaar wordt. 

Alle Kakatoes eten, behalve vruchten of granen, ook wortelen, welke zij uit 
-den grond rukken of, als ze te groot zijn, afknabbelen. Zij baden zich, vooral 
des ochtends, in waterplassen nabij de bronnen, en worden ook meestal op 
die plaatsen door de inboorlingen met strikken gevangen of met wapenen (lansen 
of pijlen) overvallen. De meeste der in Australië ter markt gebragte voorwerpen 
zijn echter jong uit de nesten gehaald, en, daar dezen dikwijls slechts ten halve 
bevederd zijn, heeft men daaruit kunnen afleiden, dat ze omstreeks half Novem- 
ber en later waren ter wereld gekomen, en bij gevolg, dat de Kakatoes in Novem- 
ber (het begin der lente in genoemd werelddeel) broeijen. De hoofdmarkt voor 
alle soorten is Melbourne, doch velen komen ook uit onze Oost- Indische bezit- 
tingen, hetgeen, al ware het niet reeds algemeen bekend, ook uit het geluid der 
vogels zou kunnen opgemaakt worden; immers, terwijl de uit Engelsche koloniën 
aangevoerde voorwerpen ^Kekkedoe" roepen, hoort men de uit onze koloniën af- 
komstige duidelijk het woord vKakketoe" uitspreken. Blijkbaar is dan ook de naam 
Kakatoe van dit hun geroep afgeleid, ofschoon zij in den natuurstaat zelden 
meer dan een j>Kad, kad" laten hooren; daar men echter gewoon is, verstandige 
vogels, zooals de Papegaaijen, steeds bij een naam aan te spreken, hebben de 



leerzame Kakatoes de haar voorgesproken syllaben » Ka-ka-toe " in het geheugen 
geprent, en roepen zij zoodoende onbewust den haar door ons gegeven titel uit; 
eveneens hooren wij ze in onze taal zich ook » Lorre' 1 (afgeleid van Lori [loriculus] 
noemen, omdat men haar met dien naam toespreekt. 

Alle Kakatoes zijn uiterst oplettend en verstandig ; haar geheugen is voortrel- 
felijk, en zij vergeten nimmer eene haar aangedane beleediging; zelfs haar eigen 
meester blijven zij soms geruimen tijd wantrouwen, als hij haar eens onvriendelijk 
behandeld heeft. Bij goede oppassing en liefderijke verpleging daarentegen wordt 
de Kakatoe evenzeer een menschenvriend, als de hond; zij laat zich even gaarne 
streelen en den kop kraauwen, geeft ook even duidelijk hare neigingen en ge- 
moedsgesteldheid te kennen, en 't liefst zit zij op haars meesters schouders. Zij 
houdt veel van keuvelen en kakelen, en leert ook gehoorzamen, ofschoon zij van 
nature zeer ongehoorzaam is. De meesten zijn stijf hoofdig, doch worden, bij het 
toedienen eener versnapering en met goede woorden, langzamerhand lijdzamer. 

Men geve haar hetzelfde voedsel, als voor den Roodstaart-Papegaai is voorge- 
schreven; bovendien kan men haar als lekkernij ook beetwortelen, knollen en zelfs 
uijen toedienen. 

De gemiddelde koopprijs der Kleinste Geelkuif-Kakatoe is 12 a 20 gulden. De 
Kleine en Groote Geelkuif-, de Witkuif-, Rosé- en Dunbek-Kakaloe zijn gewoonlijk 
30 a 50 percent duurder. De Groote Roodkuif- (C. moluccensis) en de Inka- of Lead- 
beaters-Kakatoe zijn meestal het dubbele waard. Kleine soorten met neergebogen 
kuiven, zooals: C. Ducorpsi, C. Goffini en C. philippinarum , zijn, wegens den 
minder geregelden toevoer, dikwijls zeer kostbaar. 



K 






■f/ 




J.GKeulemanr; adua 



"W M ÏVa 



DE BONTE KAKATOE. 

GACATUA LEADBEATERI. 



Men noemt den hier afgebeelden, fraaijen vogel ook Inka-Kakatoe of, naar zijn 
wetenschappelijken titel, Leadbeater's Kakatoe. Daar echter deze naam wel niet 
voor iedereen zeer gemakkelijk zal uit te spreken zijn, heb ik gemeend, deze 
soort, naar hare fraaije bonte kuif, de Bonte Kakatoe te mogen noemen, en dit 
te eerder, naardien zij toch de eenige soort is, die eene meer dan tweekleurige 
kuif bezit. Mogt soms iemand wenschen te vernemen, wat toch wel dat rare, 
woord »Leadbeater" beteekent, dan strekke tot inlichting, dat het de naam is 
van een Engelsch naturaliën-handelaar, naar wien de ontdekker den toen nieuwen 
vogel gedoopt heeft. De inlandsche naam is Inka of Enka, alsook Yokul-tjolml. 

Deze fraaije Kakatoe bewoont de binnenlanden van Australië , en wel hoofdza- 
kelijk de wouden langs de Darling- en Murray-rivier. Zij houdt zich meer in eene 
en dezelfde localiteit op, en wordt dan ook nooit in het noordelijk gedeelte of 
langs de kuststreken gezien. . 

Het onderscheid tusschen beide seksen is bij dezen vogel alleen hierin gelegen, 
dat het wijfje witter aan de onderdeelen is en eene minder duidelijk bonte kuif 
heeft. De kleuren der jongen zijn niet bekend, doch zullen hoogstwaarschijnlijk, 
even als dit bij andere soorten het geval is, weinig van die der ouden verschillen. 

In hare levenswijze heeft de Bonte Kakatoe veel overeenkomst met alle overige 
bekende soorten ; zij is echter het minst woest en wild van allen , en heeft ook 
een veel zachter geluid. Vandaar dat zij, in gevangen staat, zelden zulk een vree- 
selijk kabaal maakt, als de meeste overige, vooral de groote soorten. 

Ter wille harer fraaije kleuren, is zij de meest gezochte van alle Kakatoes; 
daarom vraagt de handelaar gewoonlijk voor haar een zeer hoogen prijs; zij is 
echter volstrekt geen zeldzame vogel ; want in haar vaderland komt zij bij troepen 



van duizenden voor. Dat men ze niet zoo menigvuldig naar Europa overbrengt, 
is daaraan toe te schrijven, dat de streken, waar deze vogels huisvesten, door 
zeer laag ontwikkelde inboorlingen bewoond worden, die — daargelaten nog hun 
tegenzin om met blanken te handelen — zeer lui zijn en overvloedig voedsel in 
de bosschen vinden, zoodat zij geen vogels behoeven te vangen, om zich geld of 
levensbehoeften te verschaffen. Zij vangen echter de vogels wel ter wille van de 
vederen, waarvan zij zich bedienen om hunne hoofdharen te versieren of hals- 
kragen te vervaardigen, terwijl zij de staart- en vleugelpennen ook voor hunne 
pijlen bezigen. 

Engelsche reizigers verhalen, dat deze vogels, even als andere soorten uit 
die gewesten, door de inboorlingen gegeten worden, en dat hun vleesch zeer 
smakelijk is. Dit is geenszins onwaarschijnlijk, aangezien deze vogels zich met 
vruchten en zaden voeden. 

In gevangen staat is de Bonte Kakatoe zeer zachtaardig, bedaard en vriende- 
lijk. Bij elke bijzondere gewaarwording zet zij hare fraaije kuif overeind, en heeft 
dan een zeer sierlijk , zelfs prachtig uiterlijk. Tot voedsel geve men haar vruchten , 
noten, hennep- en kanariezaad. 




•JGKeulanans aHnst 




& r /Y////é: 




P ÏÏË bas b 



DE ORANJE-KUIF KAKATOE. 

CACATUA CITRINO-CRISTATA. 



Indien de vraag gesteld werd in welk gedeelte van de oppervlakte des aard- 
bols de Papagaaisoorten ontstaan zijn en vanwaar zij zich verder hebben uitge- 
breid, zou voorzeker Australië met zijne ongeveer 180 soorten wel het eerst 
genoemd mogen worden. Hoe velen van genoemd aantal soorten slechts als varië- 
teiten beschouwd mogen worden is onzeker. Dit is evenwel opmerkelijk, dat de 
menigte eilanden van den Molukschen Archipel ieder, als het ware het privilegie 
genieten, door enkele soorten bewoond te worden, die op geen der andere voor- 
komen. Men zou hieruit aanleiding vinden om aan te nemen dat de Indische 
Archipel, eenmaal een uitgebreid vastland, na verloop van tahooze eeuwen tot 
eilanden vervormd, met gelijksoortige individu's bedeeld bleven, die door klimaat, 
voedsel en ander minder bekende oorzaken eene langzame wijziging ondergaan 
hebben zoowel in grootte en kleur als in vorm. Wat de wetenschap in de toe- 
komst zal beslissen behoort niet regtstreeks tot ons tegenwoordig bestek. 

De Oranjekuif-kakatoe , ook Goudwang-kakatoe genoemd, bewoont Timor- 
laut en de Tenember-eilanden van waar inlanders ze in gevangenschap naar 
Macassar overbrengen. 

Wat hare gewoonten en levenswijze betreft meenen wij te mogen verwijzen 
naar hetgeen wij meedeelden in de hiervoorgaande beschrijving, de Kleinste Geel- 
kuif Kakatoe ; waarmede zij in de naauwste verwantschap staat. 







I 



DE NIEUW-HOLLAND PAEKIET. 

NYMPHIGUS NOVAE HOLLANDIAE. 



Sedert de ontdekking van Australië, zijn er uit dit nieuwe werelddeel vele 
dieren, zoowel als planten, tot ons, of liever, tot de voornaamste steden in 
Europa overgekomen, en, zonderling, de meesten dezer gewennen zich gemakkelijk 
aan ons meer gematigd klimaat, en de vogels telen in onze volières even spoedig 
en in dezelfde menigte, als leefden zij nog in hun vaderland. Indien men de 
verschillende Kakatoes niet in kleine kooijen hield, maar in ruime, van oude 
boomstammen voorziene volières, zouden zij eveneens broeijen. De groote moeije- 
lijkheid is echter niet alleen, dat de aanleg van zulke broeiplaatsen zeer kost- 
baar is, maar ook dat men deze vogels zelden bij paren verkrijgen kan: er 
bestaat namelijk geen het minste uitwendig verschil tusschen de seksen. 

Terwijl de Grasparkiet zelfs reeds in de kamer broeit, en weggevlogen paren 
in de boomen der steden nestelen, zoodat men, b. v., in Engeland, waar zij bij 
massa's wegvliegen, soms hunne nesten in de boomen der grootsteedsche squares 
kan vinden, broeit de Nieuw-Holland Parkiet wel is waar even gereedelijk, doch 
verlangt daarbij stilte ; hij zoekt van nature de eenzaamheid , en nestelt liefst in 
lage, diepe, donkere boomholten of tusschen met laag groen begroeide wortelen. 

De Engelschen in Australië noemen dezen vogel Corella; de inboorlingen 
vangen de wijfjes, ter wille van hare staartpennen, waarmede zij hunne hoofden 
versieren; zij schieten ze met de blaaspijp, en bezigen daarbij als pijlen doornen, 
aan welker uiteinde een pluimpje van vogelveêren is bevestigd (op gelijke wijze 
dus, als waarop soms ten onzent met naalden door de blaaspijp geschoten wordt); 
zij vangen ze ook levend, door strikken rondom de door deze vogels geliefkoosde 
vruchten te plaatsen. 

Bijgaande afbeelding stelt het oude mannetje voor, wiens kleuren men 
algemeen voor minder fraai dan die van het wijfje houdt; bij haar is namelijk 
de staart veel levendiger gekleurd, waardoor zij, onder het vliegen, veel meer 
in het oog valt, dan het mannetje. De buitenste pennen heeft zij wit en donker- 



bruin gemarmerd, de daarop volgende pennen geelachtig of wit, de vier middelste 
grijs. Haar kop en kuif zijn echter veel fletser van kleur. Vandaar dat zij zich 
slechts zoolang zij zich beweegt fraaijer vertoont. De jongen zijn bruiner, hebben 
eene zeer korte kuif en de wangen graauw, met onduidelijke, lichte randen; zij 
gelijken overigens zeer op hunne ouders, doch zijn veel kleiner. 

Deze Parkieten broeijen gezellig in de eenzame streken der binnenlanden 
van Australië, inzonderheid langs de rivieren, en vroeger zeer talrijk nabij de 
Hunter- en Peelrivier. Elk broeisel bevat een vijf- of zestal eijeren, meestal van 
eene zacht rosé of roodachtig witte tint, en zeer doorschijnend, zoolang ze 
versch of nog niet uitgeblazen zijn; in collectiën gedroogde schalen daarentegen 
zijn wit en kalkachtig. Na den broeitijd vereenigen de familiën zich tot groote 
scholen en zwerven dan over de vlakten rond, even als de Grasparkieten. Geloof- 
waardige natuuronderzoekers verzekeren, dat er over uitgestrekte grasvelden niet 
slechts duizenden, maar zwermen van duizenden rondvliegen. Dit zal dan ook 
wel de reden wezen, waarom zij zoo goedkoop en zoo weinig gezocht zijn. 

Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit graszaad, bezien, allerlei saprijke 
vruchten en zachte wortelen, of jonge scheuten van maïs, suiker en ander 
saprijk groen. 

In gevangenschap houde men hen zooveel mogelijk gepaard; het mannetje kan 
zonder zijne gade niet leven , en is dan ook zeer jaloersch ; hij verdedigt haar 
door te bijten, en maakt een schel krassend en trillend geluid als hij toornig is 
of zijn wijfje tegen de aanvallen zijner vijanden beschermt. 

In eene kleine kooi kunnen zij niet tieren, en zijn dan uiterst stil en treurig; 
hebben zij echter gelegenheid om rond te vliegen, dan worden het zeer levendige, 
vrolijke vogels. Zij broeijen in de holten der in de volières aangebragte oude 
boomstammen, doch maken zelden een nest zoolang de ingang der holte niet 
door groen bedekt of van den toeschouwer afgekeerd is. In den zoölogischen tuin 
te Hamburg heeft deze vogel herhaaldelijk gebroeid; het mannetje loste het wijfje 
na 12 uren broeijens af, en bleef gewoonlijk een even langen tijd zitten; ook voer- 
den de ouden elkander beurtelings, zoolang een van beiden op het nest zat. 

Zij eten ook in gevangenschap allerlei zaden, doch kraken niet gaarne noten 
of harde pitten. Kanarie- en hennepzaad, versch groen en in suikerwater geweekt 
brood, en nu en dan wat gekookte rijst, is voor hen het meest geschikte voedsel. 
Zij lijden zelden aan ziekten, en kunnen zeer oud worden. 




J.Glenl. i 



e /v // s/// rr. / '/'/ 1 



P.¥.M.TEap,exc. 



DE RINGPARKIET. 

PALAEORNIS TORQUATUS. 



De hier afgebeelde fraaije vogel, mede tot het geslacht der Papegaaijen be- 
hoorende, bewoont Indië en het Noorden van Afrika, waar hij gezellig en met 
andere vogels bij troepen rondvliegt. Volgens sommigen zou de in Afrika levende 
Ringparkiet eenigermate van zijn in Indië wonenden soortgenoot verschillen, na- 
melijk, door zijne geringere grootte en door de gelere tint zijner onderdeelen. 
Er komen echter ook in de verschillende gewesten van Indië geringe kleurver- 
scheidenheden en zelfs geheel kanariegele variëteiten van dezen vogel voor. 

In Bengalen noemt men hem Tiga, in Nepaul Tenthia-Saja, in Massore Lybar. 
De Anglo-Indianen kennen hem als Collored Parrakiet en de Shikaries als Keerah. 

De Ringparkieten zijn zeer menigvuldig in geheel Indië, van het Himalaya- 
gebergte tot het Zuiden van Ceylon, waar zij bebouwde gronden, vooral tuinen 
en plantages, bewonen. Zij staan daar, en waarlijk niet ten onregte, als bijzonder 
schadelijke vogels te boek: immers hebben zij de gewoonte, geheele maïshalmen 
weg te slepen, om ze later op veiliger plaatsen op te eten, zoodat, ofschoon 
hunne tegenwoordigheid op de maïsvelden slechts gedurende korte oogenblikken 
wordt opgemerkt, zij niettemin in die weinige minuten voor een geheelen dag 
voedsel stelen. 

Er bestaat bij deze vogels geen uiterlijk verschil tusschen de seksen; bij de 
jongen in hun nestkleed en bij sommige wijfjes ontbreekt de zwarte nekband 
nagenoeg geheel; hunne kleuren zijn fletser en hun iris grijsachtig, in plaats van 
licht oranje of rosé. Zij nestelen in boomholten of in gaten en scheuren van 
oude huizeu of pagodes, soms zelfs in het ornamentwerk van graftomben. Hun 
broeitijd duurt van Januarij tot Maart, en elk broeisel bevat een vier- of vijftal 
witte eijeren. 



Het zijn wilde, woeste vogels, en in hunne levenswijze hebben zij zeer veel 
overeenkomst met den Grijzen of Roodstaart-Papegaai; even als deze, maken zij 
geregelde togten naar en van hun nachtverblijf, en houden zich steeds bij groote 
massa's in elkanders gezelschap op. Mr. Layard, een Engelsch natuurkundige en 
zeer ervaren opmerker, die reeds bijna den geheelen aardbol bereisd, uit al de 
door hem bezochte landen verzamelingen van dieren en planten naar Europa 
verzonden en steeds zijne zeer belangrijke waarnemingen aan de wetenschappe- 
lijke wereld bekend gemaakt heeft, schrijft omtrent deze vogels o. a. het volgende: 
» Sedert eenigen tijd hebben hier (Saugur in Geylon) al de Ringparkieten uit de 
nabuurschap, al de Beo's (Gracula), Kraaijen en Bijeneters zich tot eene bende 
vereenigd en een groot bamboesbed tot nachtverblijf gekozen. Het oorverdoovend 
gejoel en getier, dat hier 's avonds en weder in den ochtend door deze vogels 
wordt te weeg gebragt, is niet beter te vergelijken dan- met het geraas van een 
aantal in volle werking zijnde stoommachines. De Parkieten, die van alle kanten 
komen aanzetten, maken het hevigst kabaal; er zijn ook blijkbaar vele achterblij- 
vers onder hen; althans nog na zonsondergang vliegen er geheele troepen in groote 
haast naar de gemeenschappelijke slaapplaats; zij raken bijna den grond en vliegen 
strijkelings langs al wat hun in den weg staat, hetzij huizen of boomen. Sedert 
de laatste avonden zijn er eenigen geheel in de duisternis hier langs gepasseerd, 
en daarvan vlogen eenigen met zulk eene wilde vaart tegen de muren van een 
huis op den heuvel, dat zij er het leven bij inschoten". 

Sedert het bezoek, in den loop van het vorige jaar (1873) door den schach 
van Perzië aan verschillende hoven van Europa gebragt, waardoor de algemeene 
belangstelling in dat oude, bijna onbekende land meer werd opgewekt, zoowel 
wat zijn handel als wat zijne natuurlijke historie betreft, is men ook ten opzigte 
van de aldaar levende vogelsoorten iets meer te weten gekomen, onder anderen: 
dat in Teheran (de residentie) groote bazars zijn opgerigt, waar deze vogels, bij 
wijze van decoratie, op lange latten vóór en boven den ingang geplaatst worden; 
dat er velen door de inboorlingen gevangen en, met een koordje aan de pooten, 
op een bamboes- of palmstengel naar die stad worden gebragt en er gereedelijk 
verkocht worden, enz. Op eene prachtige, in koper gegraveerde Perzische water- 
kan, die onlangs uit Teheran naar Londen verzonden en daar als eene curiositeit 
geëxposeerd werd , vond ik in het ornamentwerk ook het afbeeldsel van den 
Ringparkiet, zeer duidelijk en kunstig vervaardigd. 



Gedurende den oorlog met Abyssinië vonden de Engelschen vele dezer vogels, 
ïn tammen staat, buiten de huizen der inwoners, en in menig huis hingen er ook 
opgezette, of liever, door heet zand gedroogde voorwerpen aan den zolder, bij 
wijze van reliquiën. 

Indien men de Ringparkieten in eene ruime volière houdt, broeijen zij even 
gereedelijk, als de Nieuw-Holland- ol' Grasparkiet. Gewoonlijk worden zij echter 
in kleine kooijen gehouden, en wel omdat zij, door hun aangeboren talent om 
woorden na te bootsen, te veel vermaak binnenshuis verschaften. Vele vogel- 
kweekers meenen ook te hebben opgemerkt, dat pratende Papegaaijen hun spraak- 
vermogen verliezen, als zij paren en zich met hun nakomelingschap bezig houden, 
en daarom laten zij hunne vogels zoo lang mogelijk ongepaard. Brehm meldt, 
dat deze vogels in het Berlijnsche aquarium gebroeid hebben. Een Engelsch vogel- 
liefhebber, die reeds van vele Papegaaijen-soorten jongen had verkregen, kwam, 
eenige jaren geleden, op het zonderlinge denkbeeld om eenige paren op zijn 
buitengoed te laten rondvliegen, ten einde ze in Engeland te acclimaliseren. Het 
was toen reeds bekend, dat een paar ontsnapte Grasparkieten in de boomen van 
Montague-Square te Londen had gebroeid. Onder de losgelaten soorten waren ook 
eenige Ringparkieten, welke langer, dan de overige losgelaten vogels, de buurt 
bleven bewonen, en men beweerde zelfs, dat een paar in een bosch, op eenige 
mijlen afstands van het landgoed, werkelijk een broeisel van vier jongen had 
grootgebragt. Evenwel, zoo als te verwachten was, verdwenen de Papegaaijen lang- 
zamerhand uit den omtrek, en den daaropvolgenden zomer werd er geen enkele 
meer gezien. Of de vrijgelaten paren gemerkt waren, is mij onbekend; doch als 
ooit iemand, in eene of andere landstreek, dezelfde proeve mogt willen nemen, 
zou ik hem raden, de vogels met een teeken te merken, ten einde ze later bij 
de naburige vogelhandelaars te kunnen terugvinden. Althans de Papegaaijen, die bij 
bovenbedoelde gelegenheid in Engeland rondvlogen, zijn, naar men zegt, bijna allen, 
zoodra het feit bekend werd, door vogelaars weder van hunne vrijheid beroofd. 

Men koopt deze vogels tegen 8 a 15 gulden per stuk, of, zoo als gewoonlijk 
in de zeesteden het geval is, bij zekere hoeveelheden, en dan tegen lageren prijs. 
Gele of Luteo variëteiten zijn volstrekt niet zeldzaam; dezen zijn geheel citroengeel, 
zonder eenig spoor van groen. Gedeeltelijk gele worden bijna nooit aangetroffen. 

Het geschiktste voedsel voor deze vogels bestaat in hennepzaad, maïs en 
gekookte rijst. 



DE SCHARKELAAK. 

CORACIAS GARRULA. 



Waarom men dezen fraaijen vogel den zonderlingen naam » Scharrelaar" 
gegeven heeft, is mij onbekend; hij verdiende inderdaad een beteren titel, al ware 
't maar alleen omdat hij alle overige Europesche vogels in pracht van vederen 
overtreft. 

Het geslacht Coracias, waartoe deze zoo kwalijk betitelde vogel behoort, 
bevat eene menigte soorten, welke echter trapsgewijze in andere vormen overgaan , 
zoodat van de meeste uitheemsche soorten nagenoeg elk als vertegenwoordigster 
van een afzonderlijk geslacht kan beschouwd worden, hetgeen dan ook de theore- 
tische ornitholoog in misschien wat al te ruime mate doet. De Europesche type 
heeft daarbij dit zonderlinge, dat zijne vormen evenzeer den type der Kraai als 
dien van den Koekoek naderen. Hij, die beide deze vogels kent en ze vergelijkt, 
zal opmerken, dat de zoogenaamde Scharrelaar juist tusschen deze twee zoo 
verschillende vormen in staat. Zijn bek gelijkt vrij wel dien van den Koekoek, 
doch met eenige wijziging, waardoor hij ook alweer iets van dien der Kraai heeft. 
Zijn buitenteen staat wel is waar buitenwaarts gerigt, doch is even lang als de 
middelteen en ook even lang als de buitenste achterteen van den Koekoek , welke 
echter ook naar voren gerigt kan worden. Zijn tarsus of voetwortel is kort en, 
even als die van den Koekoek, aan weerszijden van groote schilden voorzien. 
Zijn vleugel komt geheel met dien van den Koekoek overeen: al de vederen liggen 
op gelijke wijze gerangschikt, en de verhouding van lengte der groote en kleine 
slagpennen is dezelfde als die der meeste tot het Koekoeksgeslacht behoorende 
vogels, hetgeen men gemakkelijk kan nagaan door den vleugel uit te spreiden. 
Men heeft hem lang als eene soort van Kraai beschouwd en dan ook als zoodanig 
ingedeeld; en toch, zoo slechts die lange buitenteen maar een weinig buitenwaarts 



kon gerigt worden, zou men hem, volgens wetenschappelijke zienswijze, onder 
de Koekoeken hebben gerangschikt. In beide gevallen zou dus de Scharrelaar tot 
eene geheel andere familie, ja zelfs tot eene geheel verschillende orde, moeten 
behoord hebben. 

Men vindt dezen fraaijen vogel in het geheele gemaligde en zuidelijke gedeelte 
van ons werelddeel, behalve in Engeland; voorts in het Zuiden van Siberië en in 
een groot gedeelte van Azië. Gedurende den trektijd bezoekt hij Afrika tot aan 
de evennachtslijn. Misschien trekt hij nog zelfs meer zuidwaarts; althans dit werd 
mij, toen ik eens op Prinseneiland een mannelijk voorwerp geschoten had, door 
een inwoner van Benguela verzekerd. Hij wordt echter in Wes't-Afrika door eene 
andere, even fraaije en zeer verwante soort vervangen, en het is daarom zeer 
waarschijnlijk, dat de door mij bekomen informatie betreffende zijne woonplaats 
in Benguela onjuist is, en dat men de Afrikaansche met de Europesche of 
C. garrula verward heeft. 

De seksen verschillen slechts weinig in kleur, doch het wijfje is iets fletser 
van tinten. De jongen hebben nagenoeg dezelfde kleuren als het wijfje, doch met 
eene veel lichtere nuance, terwijl het blaauw bij hen door een flets groen is 
vervangen. 

Tot broeiplaats kiezen deze vogels een boomgat, of wel zij nestelen in 
spleten van rotsen, onder wortelen of in een gat of holte in den grond. Zij 
bouwen hun nest uit wortelen, droog gras en doode takjes, en bezigen daarbij 
voor het binnenwerk haar en veeren. Beide ouden bebroeijen de vier a zes 
zilverwitte eijeren, en zijn, volgens sommige schrijvers, zoozeer aan hun kroost 
gehecht, dat zij liever zich laten dooden, dan het nest te verlaten. 

In hunne vlugt hebben zij veel van den Koekoek, ofschoon zij zich niet zoo 
haastig als deze voortbewegen; daarbij kaatsen dan hunne blaauwe, glanzige 
vederen het daarop vallend licht zoo helder en duidelijk terug, dat hunne fraaije 
kleuren reeds van zeer verre kunnen onderscheiden worden. Overigens zijn zij 
zeer rusteloos en schuw van aard, en wagen zich dan ook zelden in het digte 
woud of nabij menschelijke woningen, maar kiezen liefst een alleenstaanden boom 
of een der buitenste takken tol rustplaats. Onder het vliegen laten zij een 
scherp: Draak-aak" hooren, vrij wel naar het gewoon geroep der Kauw, Corvus 
monedula, gelijkende. 

Gedurende den trektijd vliegen zij in het gezelschap van Kramsvogels en 



Lijsters of wel van Gaaijen en Eksters rond, en geraken dan soms met dezen in 
vallen of strikken, zoo zij al niet wegens hunne in 't oog vallende kleuren door 
den jager opgemerkt en neergeschoten worden. Dit laatste behoort echter tot de 
zeldzaamheden; vooreerst toch komen zij niet zoo dagelijks voor, en daarbij zien 
zij gewoonlijk den jager reeds op een zoo verren afstand, dat zij zich zeer wel 
buiten schot kunnen houden. 

In den natuurstaat voeden zij zich met sprinkhanen, kevers en larven, als- 
ook met muizen, hagedissen, wormen en zelis met bezien. Men zegt dat zij 
nimmer drinken; toch heb ik een Scharrelaar, dien ik in zijne gevangenschap 
kon gadeslaan, dagelijks even veel zien drinken, als een Ekster noodig heeft. 

Met raauw vleesch , miereneijeren en meelwormen kan men deze vogels ook 
in gevangen staat levend houden. Zij worden echter zelden te koop aangeboden, 
doch meestal, ter wille van hunne fraaije vederen, gedood zoodra men ze 
bemagtigd heeft. Het is trouwens een algemeen begrip , dat ook een opgezette 
vogel eene zeldzaamheid moet wezen; vandaar dan ook, dat verreweg de meeste 
fraaije vogels steeds worden geschoten, en dat men zich zoo zelden de moeite 
wil getroosten om te trachten, ze levend te vangen en in het leven te houden. 




■"■ ' - 



i 



S" 



/ 



DE BONTE KLAAUWIEK. 

LANIUS RUFUS. 



Deze fraai gekleurde vogel bewoont gematigd en Oost-Europa, is echter meer 
algemeen in het zuidelijk gedeelte van dit werelddeel, doch komt het menigvul- 
digst in Spanje en in Noord-Afrika, tot het Oosten van Algerië, voor. Hier te 
lande vindt men hem vooral in de houtrijke en grensprovinciën, doch zeer zelden 
in moerassige streken. Men noemt hem ook Roodkop-Klaauwier, naar het Duitsch: 
Rothköpfige Wurger. De Franschen kennen hem als Pie grièche rousse; de Engel- 
schen als Wooclchat; de Italianen als Avesla capirossa; de Spanjaarden als Picanjo 
en de Portugezen als Picanho of Pecanza. In de wetenschap vindt men hem 
onder de namen Enneoctonus rufus, Enn. rulltani, Lanius ruficeps, L. rutilus, 
L. badius en L. pomeranus beschreven. 

Het mannetje draagt een zeer verschillend gekleurd vederkleed, dat, naar 
gelang van leeftijd of klimaat, soms zeer duidelijk bont en helder geteekend is. 
De in gematigd Europa voorkomende individuen zijn echter steeds fletser dan die 
uit het Zuiden. Het wijfje verschilt van het mannetje door hare fletse kleuren, 
welke, ofschoon zij aan die van het mannetje herinneren, toch zeer eenvoudig 
en meer onduidelijk bepaald zijn. De jongen hebben veel overeenkomst met die 
van den Slagtervogel (Lanius colhirio); zij zijn namelijk geheel licht kaneelkleurig 
met overdwarse banden en golflijnen; de schouderveêren hebben zij lichter en 
met breedere banden; de vleugelveêren donkergraauw met lichte rosse zoomen; 
de onderdeden zijn blanker, en de keel is wit; door dit laatste vooral onder- 
scheiden zij zich van de jonge Slagtervogels. 

Deze Klaauwieren zijn trekvogels; zij komen ons in het midden van April 
tot het begin van Oclober bezoeken, en wel in het voorjaar gepaard of alleen, 
in den herfst daarentegen bij troepjes, beslaande uit de ouden met hunne jongen. 



Zij broeijen in Junij en maken een tamelijk groot nest, meestal in hooge boomen, 
zoo als eiken of, vooral in het Zuiden van Europa, in de hooge regtstammige 
dennen. De Slagtervogel broeit meestal in heggen of struiken, de Bonte Klaauwier 
daarentegen steeds in bladrijk geboomte. Voor bouwstoffen kiezen zij wortelen, 
mos en droog gras, en soms weven zij allerlei kleurige bloesems rondom hunne 
anders onaanzienlijke woning; van binnen voeren zij dit met pluis, meestal met 
zachte plantaardige stoffen, zoo als die der distel en de bloesems der wilgen en 
elzen. De eijeren — gewoonlijk vindt men er 5 in een broeisel — zijn vuil grijs- 
achtig wit of blaauwachtig wit, met groote en kleine, donkerbruine en grijze 
vlekken, die vooral aan de stompe zijde het menigvuldigst zijn en dikwijls in 
elkaêr loopen, waardoor bij vele eijeren de geheele ronde zijde er eenkleurig 
donker uitziet; dikwijls ook vormen de vlekken een duidelijken ring. Rozeroode 
verscheidenheden komen soms, doch zeldzamer dan bij den Slagtervogel, voor. 
Het wijfje broeit veertien dagen, en de jongen worden met insecten, vooral 
kleine sprinkhanen, spinnen en kevers, gevoerd. Even als de overige Klaau- 
wieren, stelen ook deze ouden, doch alleen wanneer de nood hen daartoe dwingt, 
jonge vogeltjes, en zelfs muizen. Overigens voeden zij zich met allerlei kleine en 
groote insecten, en ook met bezien. 

In het najaar, wanneer zij hunne zwerftogten ondernemen, ziet men hen 
meestal hoog in de boomen, zeer dikwijls ook jagt makende op kleinere vogels. 
Zij trekken dan, even als de Meezen, van het eene bosch naar het andere, blijven 
slechts korten tijd op dezelfde plaats, en vliegen steeds met zekere gejaagdheid, 
onophoudelijk hun scherp: ükjèk-chèk" uitende. In Spanje en Italië vangt men 
de trekkende troepjes met lijmstokjes, waaraan sprinkhanen zijn vastgestoken, en 
die bovenop de struiken langs de bosschen geplaatst worden; de voorwerpen, 
die daartegen aanvliegen en er aan vastraken, vallen dan met het stokje naar 
beneden en kleven daardoor ook met de vleugels aan'de lijm vast, zoodat het 
den vogelaar soms zeer veel moeite kost, ze weer los te krijgen; het valt intus- 
schen moeijelijk, ze op eene andere wijze meester te worden, daar het sterke 
vogels zijn. Hier te lande worden zij in het najaar, namelijk gedurende de eerste 
dagen van den trektijd, wel eens met het vinkennet gevangen; dit geschiedt 
echter slechts zeer zelden ; vandaar dat zij hier volstrekt niet onder de algemeene 
vogels kunnen geteld worden. 

Het mannetje heeft een scherpluidenden, onzamenhangenden zang; eigenlijk 



kan het meer een wild geratel genoemd worden, dat nu eens naar het liedje van 
den Kersendief of Spotvogel, dan weer naar het geluid der Ekster gelijkt. 

De Bonte Klaauwier is minder woest en wild, doch schuwer, dan de meeste 
andere Klaauwiersoorten. In zijne levenswijze komt hij meer dan deze de groote 
soorten der Zangers (Sylvia) nabij, doch vliegt en beweegt zich schielijker dan 
deze. Daar hij in een meer zuidelijk klimaat t'huis behoort en dus met geen 
koude winters te kampen heeft, vindt hij steeds een genoegzamen voorraad insec- 
tenvoedsel, hetgeen wel als de reden kan beschouwd worden, waarom hij minder 
moordlustig van aard is, dan de overige Klaauwieren. 

In gevangenschap hebben deze vogels, wat hunne gewoonten betreft, veel 
overeenkomst met den Slagtervogel , doch zijn bedaarder. Daarentegen blijven zij 
lang schuw en verbergen zich in den zaadbak of in een der hoeken, even als de 
koppige Huismusch en de nijdige Mees, als dezen pasgevangen zijn. Hoewel het 
mannetje zelden in de kooi zingt, is hij toch, ter wille van zijne fraaije kleuren, 
zeer gezocht en dientengevolge kostbaar. Meelwormen zijn het beste middel om 
hem aan zijn meester te doen gewennen; daarvoor toch schijnt hij al een bijzon- 
deren smaak te bezitten, en zelfs pasgevangen voorwerpen vergeten, zoodra zij 
maar een kronkelenden meelworm te zien krijgen, alle leed en verdrukking, en 
nemen, na eenige oogenblikken aarzelens, hem schielijk uit de vingers aan. Wel 
trekken zij zich dan terstond weer naar hun schuilhoek terug, doch, zoo men 
slechts de proeve met het lekkere wormpje wat dikwijls herhaalt, worden zij 
binnen eenige dagen met de gevangenschap verzoend, en begrijpen ook weldra, 
dat zij door streelende vriendelijkheid meer in de gunst huns meesters geraken , 
da.n door zich boos te houden en vrees te toonen. 

Men voêre ze even als den Slagtervogel, en boude hen 's winters binnenshuis. 











■ ij. 



DE FLUITEE. 

BARITA TIB1CEN. 



De Fluiters of Organisten zijn in Australië inheemsen. Ten opzigte van hun 
vorm hebben zij eenige overeenkomst met de Kraaijen ; zij zijn zwart en wit 
gekleurd en hebben een zeer sterk ontwikkeld stemorgaan. Eenige in kleur zeer 
verwante vogels, uit hetzelfde werelddeel afkomstig, gelijken meer naar de 
Klaauwieren (Lanius) door het meer gebogene en haakvormige der bovenkaak ; 
zij worden in de ornithologie als eene onderafdeeling der Organisten beschouwd 
en onder den geslachtsnaam Cracticus beschreven. Volgens latere ornithologische 
bepalingen , rangschikt men beide afdeelingen onder de familie der Fluiters 
(Phonygamae) , en wordt ook de hier afgebeelde soort Streperix tibicen en Gym- 
nochina tibicen genoemd. 

De bekende soorten der eigenlijke Fluiters, die namelijk, wier vormen met 
die der Kraaijen overeenkomen, verschillen onderling slechts weinig in kleur en 
grootte. Men treft ze van alle soorten in gevangenschap aan. De Engelsche kolo- 
nisten noemen ze Piping crows, White magpies of Flnte birds. De Organist, B. 
organicon, uit Tasmanië, heeft een grijzen rug met witte randen aan de veeren 
doch is overigens aan B. tibicen gelijk, terwijl B. leuconata alleen door zijn 
meer zuiver witten rug en eenigzins krommen snavel van den eerstgenoemde 
(den Organist) verschilt. 

Deze drie soorten leiden ongeveer dezelfde levenswijze Zij zijn niet schuw 
en leven dan ook veeltijds nabij de woningen der landlieden (meestal veefokkers, 
goudzoekers of kroeghouders). Zij voeden zich met groote kevers, duizendpooten, 
kleine hagedissen, wormslangen, muizen en ook jonge vogels, nuttigen even gaarne 
vruchten en zaden, doch doen nimmer eenige schade aan het veldgewas. Bij 
voorkeur toeven zij in het hooge geboomte, waar zij hunne nesten tusschen de 



takken aanleggen. Zij blijven niet lang in dezelfde streek, doch zwerven, bij kleine 
troepen, voortdurend rond, zonder eigenlijk trekvogels te zijn; niettemin ontbreken 
zij in het oostelijk gedeelte van Australië soms maanden achtereen, en zijn zij 
daarentegen op andere, even ongeregelde tijden, in het Zuiden menigvuldiger. 

De Fluiter is, volgens Gould, in Nieuw-Zuid-Wallis zeer algemeen; hij houdt 
zich daar in de boomen der open streken op, en loert in de vlakte op sprinkhanen, 
die voor een groot gedeelte van het jaar zijn hoofdvoedsel uitmaken en waaraan 
hij zich dan ook ruimschoots te goed doet. Daar er zoo meestal eenige Fluiters 
te zamen op de sprinkhanenjagt zijn, vernielen zij eene verbazende menigte 
dezer zoo schadelijke insecten , en worden dan ook door den landbouwer als 
welkome gasten aangemerkt en zooveel mogelijk beschermd. 

De broeitijd dezer vogels begint in Augustus en eindigt in Januarij ; zij 
broeijen gewoonlijk tweemaal. De in 't Noorden broeijende paren hebben echter 
zelden vóór November hun nest gereed; in 't Zuiden daarentegen vliegen zij reeds 
in Augustus met hunne jongen rond (men neme hierbij in aanmerking, dat daar 
het Zuiden veel kouder dan het Noorden is, en dat dit groote eiland gedu- 
rende hetzelfde jaargetijde in het Noorden een tropisch, in het Zuiden een koud 
klimaat bezit). De nesten worden, even als die van onze Kraaijen, uit doode 
takken vervaardigd, doch van binnen met zachtere materialen, zoo als groote 
boombladeren en wortels, belegd. De eijeren zijn licht groenachlig blaauw, met 
dunne, lange haaltjes en golvende lijnen van eene licht- en donkerbruine kleur. De 
jongen blijven lang in het gezelschap hunner ouders. In het eerste levensjaar zijn 
zij veel bruiner dan de ouden en hebben de witte veeren van nek en stuit met 
graauwe banden afgezet. De seksen bieden echter geen uiterlijk onderscheid aan ; 
alleen is het mannetje een weinig glanziger. 

De Fluiter wordt, even als de Organist, in alle beschaafde landen der wereld 
als kooiv'osel menigvuldig aangetroffen, en is derhalve een algemeen bekende 
vogel. Zijn gefluit is zeer helder, krachtig en buitengewoon buigzaam; daarbij 
leert hij gemakkelijk korte aria's nabootsen, en na eenige lessen zingt hij reeds 
eene gamma in verschillende toonaarden en, als men hem dit leert, fluit hij die 
opklimmend of dalend in majeur of in mineur. Hij leert echter geen woorden 
naklappen; daarvoor is zijn natuurlijk geluid ook te helder, of liever, niet. schor 
genoeg; alleen zacht klinkende syllaben kan hij zangsgewijze ten gehoore brengen. 

Hij heeft geen bijzonder groote kooi noodig, om op zijn gemak te zijn; eene 



groote, wijde lijsterkooi, onverschillig van welken vorm of welke tralieverdeeling, 
is voor den Fluiter voldoende. Evenwel behoort hij, ter wille van zijne witte 
veeren, zindelijk gehouden te worden; hij bezit ook eene aangeboren neiging om 
zijn gevederte rein te houden, door zich veel te baden en zich te pluizen; als hij 
een en ander niet doen kan , wordt hij ziek. Men bedekke daarom den bodem 
der kooi met eene dikke laag zaagsel, daar anders, ten gevolge van den aard 
zijns voedsels, zijne pooten en vederen spoedig bevuild worden. 

Zijn voedsel moet uit gehakt vleesch (milt ot' lever is voldoende) met brood- 
kruimels en geschrapte wortelen bestaan; en, daar hij zonder vruchten niet 
gezond blijft , geve men hem dagelijks een stukje appel of peer of eenige rozijnen, 
raauw of gekookt, of eene gekookte pruim. Bezien, druiven en allerlei sappige 
vruchten, geconserveerd zoowel als versch, zijn hem steeds aangenaam. 

Ook dient men er vooral op bedacht te zijn, dat de tot deze familie behoo- 
rende vogels de duisternis niet kunnen verdragen ; zij beginnen dan ook gewoonlijk, 
zoodra zij licht en zonnewarmte missen, hunne vederen te verliezen of te treuren. 

Daar zij volstrekt geen zeldzame vogels zijn, is hun koopprijs, niettegenstaande 
de verre reis uit hun geboorteland, zeer gering, zelden meer dan 10 a 15 shil- 
lings per stuk in Engeland, of 8 a 10 gulden in de Nederlandsche zeesteden; 
zij zijn echter meestal duurder, als ze door verschillende handelaren uit de tweede 
of derde hand verkocht worden. 




J, '•> KfiüLemaïis . ad 



ad nat 






PWM.Tr 






DE KAAF. 

CORVUS CORAX. 



Een vijftigtal jaren geleden was de Raaf de voornaamste onder de pratende 
vogels. Er waren overal beroemde Raven. Herbergiers, schoenlappers en haar- 
snijders hadden hunne Raaf, even als hofjesbesjes nog heden er hare Tortelduifjes 
op nahouden. En al die Raven waren praatsters, vloeksters of schreeuwsters, 
maar in elk geval bragten zij haren eigenaars klandizie aan door den toevloed 
van personen, die in haar gepraat, gevloek of geschreeuw behagen schepten. 
Allen ook riepen met hare zware basso-profundo stem: «Dag baas!" Sommigen 
zaten in kooijen; anderen echter liepen door het voorhuis, even vrij en op haar 
gemak , als de Hoenders in den hof of de kat en de hond in de kamer ; en in 
vele huishoudens waren al deze dieren zelfs aan elkaêr gehecht, als de leden 
eener zelfde familie. De Raaf was ook een huisdier, en zij liet er zich wel degelijk 
op voorstaan. Zoo als Rrehm opmerkt, is de Raaf de hond onder het gevogelte, 
even als de Papegaai de aap, de Sperwer de os. 

Van lieverlede zijn echter de Raven door andere, met kleurenpracht en 
spraaktalent rijker begaafde vogels, zoo als Papegaaijen en dergelijke, uit onze 
zamenleving verdrongen, en wij vinden haar nog slechts hier en daar, en dan 
wel uitsluitend bij lieden, die de zeden en gewoonten hunner voorvaderen trouw 
navolgen of bij de tegenwoordige beschaving ten achteren zijn. 

De Raaf kan, wat haar vorm betreft, het best met eene groote Kraai verge- 
leken worden, doch haar snavel is krachtiger. Er zijn echter zeer kleine Raven, 
sommigen zelfs zoo klein, dat zij bijna voor groote Kraaijen kunnen doorgaan; 
hoogstwaarschijnlijk is dit aan klimaat of toevallige omstandigheden toe te schrijven; 
misschien ook zijn die kleine Raven jongen van een laat broeisel. De Duitsche 
vogelhandelaars noemen de kleinen Landraven, de grooten Boschraven. Over 't alge- 



meen zijn de Raven in het Noorden van ons werelddeel steeds zwaarder, sterker, 
en grover van slem, dan die uit het Zuiden. In hel koudere Noord-Amerika 
komen Raven voor, nog grooter dan de Europesche, doch overigens in alle 
opzigten aan de laatstgenoemden gelijk, zoodat zij meer als een grooter ras, 
dan wel als eene bijzondere soort, kunnen beschouwd worden. Voorts is de Raaf 
over een groot gedeelte van Azië, namelijk tot Japan, verspreid. In sommige 
streken vliegen zij na en vóór den broeitijd bij vlugten van honderden, doch 
meestal vindt men ze gepaard of bij kleine troepjes van 5 a 7 stuks. Nabij steden 
zijn zij gewoonlijk zeldzaam, en het schijnt dat van alle Kraaijen (namelijk de 
tot het geslacht Corvus behoorende vogels) de Raaf in den natuurstaat het minst 
met den mensch te doen wil hebben; vandaar dat men haar steeds in eenzame 
streken aantreft, zoo als in de bosschen der bergen, langs rotsen, en in de 
doodsche vlakten van het Noorden. 

In hare bewegingen heeft de Raaf iets zwaars en ongemakkelijks, als ware 
het gewigt van haar ligchaam haar steeds te veel; althans onder het vliegen laat 
zij zich telkens plotselings neervallen, en onder het loopen waggelt zij als eene 
Gans. Niettemin is zij een der sterkste en gehardste vogels der schepping, en kan 
dan ook zeer oud worden; men zegt althans, dat Raven een leeftijd van 150 jaar 
en meer kunnen bereiken, en mij is inderdaad eene Raaf bekend, die reeds in 
1802 gevangen was en nu nog in eene bierbrouwerij op de plaats rondloopt; hoe 
oud zij was toen men haar daar voor het eerst in huis nam, is natuurlijk thans 
niet meer na te gaan; doch zooveel is in elk geval zeker, dat zij nu minstens 
72 jaren achter den rug heeft, en toch nog altoos vlug en gezond is gebleven. 

Rij hare gevleugelde natuurgenooten staat de Raaf alles behalve gunstig te 
boek: alle vogels haten haar, en zelfs de Kraaijen kunnen haar niet dulden; 
waar dan ook deze beide zoo naauw \erwante vogels elkaèr ontmoeten, daar 
vallen steeds hevige gevechten voor, en, waar zij bij troepen leven, daar wordt 
de strijd spoedig algemeen en duurt, onder een oorverdoovend geraas, zoo lang, 
tot eene der oorlogvoerende partijen het veld heeft geruimd. 

Maar ook de landlieden, die door Raven bezocht worden, hebben allezins reden 
om zich over haar gedrag te beklagen; hun blijkt maar al te zeer, dat het 
spreekwoord: » stelen als de Raven" wel degelijk een waar woord is. De Raaf 
toch steelt, even behendig als de vos, is steeds op den uitkijk, en houdt daarbij, 
boven alles, hare eigen veiligheid in 't oog. Jonge lammeren vermoordt zij onver- 



wachts, door hun in de oogen te vliegen of den schedel stuk te bijten. Menige 
jonge hond is door de Raven weggevoerd; kippen en hare kuikens, konijnen en 
hazen, ja zelfs huiskatten, worden het slagtoffer van haar sterken snavel en hare 
welberekende aanvallen. Ook groote roofvogels worden door de Raven achtervolgd, 
echter niet uit strijdzucht, doch alleen met het vooruitzigt op den afval of de over- 
blijfselen van hun buit. Men heeft ook opgemerkt, dat bij zulke gelegenheden de 
Raven, door haar aanhoudend bedelen en jammeren, het den Arend zoo lastig kunnen 
maken, dat hij uit verveling den buit loslaat of zich dien door haar laat ontnemen. 
Raven, die langs de zeekusten leven, houden zich, even als de Meeuwen, 
met de vischvangst bezig, namelijk, door over het water te vliegen en behendig 
op hare prooi neer te stooten, waarbij zij wel is waar dikwijls missen, maar 
toch ook dikwijls een visch bemagtigen. Ook vliegen zij Meeuwen en andere 
vischvangende vogels achterna, om hun den buit te ontrukken, en dikwijls 
bepalen zij zich niet alleen bij dien buit, maar ontrooven dezen vogels ook, 
zoodra zij er slechts kans toe zien, hunne jongen en zelfs hunne eijeren. Behalve 
levend gedierte, waaronder ook slangen, hagedissen en kikvorschen, eet de Raaf 
ook aas; zelfs de in vergevorderden staat van ontbinding verkeerende lijken van 
menschen en dieren worden door haar verslonden: men denke slechts aan de 
»lijken, die aan de Raven ten buit zijn gelaten", of aan de «misdadigers, die 
gehangen en door de Raven .verslonden worden", uit de bijbelsche en historische 
geschriften. Harde schaaldieren sleept de Raaf naar de rotsen, om ze daar stuk 
te hakken, en, zijn ze voor haar bek te hard, dan vliegt zij met hare prooi 
omhoog, en laat die op de rotsen neervallen. Overigens voedt zij zich ook met 
vruchten en noten, met jong groen, ja zelfs met den afval van de tafel, dien 
zij aan hond of kat ontsteelt. 

Zoo als algemeen bekend is, heeft de Raaf ook de aangeboren neiging, om 
glinsterende voorwerpen te stelen en te verbergen: eene eigenschap, die ook 

.aan Eksters en Kraaijen is toegeschreven, en alleen het gevolg is van de aandrift 
dezer vogels om voorraadschuren aan te leggen en glinsterende Kevers te eten. 
De Raaf echter steelt niet alleen om in hare behoeften te voorzien, maar ook 
uit loutere steelzucht, zoodat zij ook allerlei oneetbare voorwerpen naar haar 
nest of voorraadschuur sleept; zoo, b. v. , vond men, eenigen tijd geleden, een 
ouden schoen en een bijna geheel verganen stroohoed in een Ravennest, en zelfs 

. heeft men Raven met kinderspeelgoed zien wegvliegen. 



Waarvoor deze vogel nu zulke voorwerpen noodig heeft, is niet gemakkelijk 
te raden; trouwens merken we onder de dieren, even als onder de menschen, 
zeer veel onverklaarbare handelingen op, die ons tot de gevolgtrekking leiden, 
dat alle levende schepselen, zoodra hun verstand tot zekere hoogte ontwikkeld 
is, ook maar al te dikwijls aan zonderlinge grillen onderhevig kunnen zijn. 

De Raaf nu is, met en ondanks hare onbegrijpelijke hebzucht, inderdaad een 
zeer verstandige vogel. Zij is oplettend en voorzigtig; tegenover zwakkere dieren 
is zij euvelmoedig; sterkere weet zij te vleijen, door öf met schijnbaren eerbied 
hen te naderen, óf met voorgewende onderdanigheid geheel op een afstand van 
hen te blijven; maar toch verkrijgt zij zoodoende van deze sterkeren door list, 
wat zij den zwakkeren door overmagt ontneemt, en ook hun besteelt zij zoodra 
de kans zich daartoe voordoet. Deze karaktertrekken merkt men vooral bij tamme 
Raven op, en de verschillende, alom bekende anecdoten, welke op staaltjes van 
haar verstand betrekking hebben, bewijzen reeds genoeg, dat zij inderdaad 
slimmer dan andere vogels zijn moet. Eene eenmaal verjaagde Raaf herinnert zich 
zóó goed al de omstandigheden , waaronder zij verdreven werd , dat het uiterst 
moeijelijk is, haar weder te naderen of neer te schieten. Jaagt een tuinier of 
jagtopziener haar van het landgoed, dan zal zij dezen steeds in het oog houden, 
doch voor andere personen geen vrees toonen, zoolang dezen haar niet veront- 
rusten. Wordt haar door allen de plaats ontzegd, dan wacht zij geduldig hare 
kans af, en beloert den jagt- of tuingrond van alle zijden, totdat alle daarop 
wonende personen zich verwijderd hebben. Zoodoende worden vele Hoenders en 
Eenden op schijnbaar miraculeuse wijze weggevoerd. Voor den wachthond is zij 
zeer bevreesd; doch zij steelt niettemin in zijne tegenwoordigheid, zoolang hij aan 
den ketting ligt. 

Het volgende verhaal zal overigens voldoende zijn, om de hier bedoelde karak- 
tertrekken van dezen vogel te doen uitkomen. 

Zekere Raaf, die op een landgoed in Hongarije haar intrek genomen had, 
werd om hare dievenstreken op allerlei wijzen verjaagd en met geweerschoten 
nagezet; men slaagde er echter niet in, haar geheel te weren, en telkens, zoodra 
het werkvolk zich maar even verwijderd had, kwam zij naar den vijver terug, om 
jonge Eenden te stelen. De hond verjoeg haar van de eene zijde van den vijver naar 
de andere, maar had daarbij telkens halve cirkels te doorloopen, terwijl de Raaf 
slechts regtuit over het water behoefde te vliegen en dus niet moede werd. 



Eindelijk werd de hond boos en sprong in het water. Doch naauwelijks was het 
arme dier in het midden van den vijver gekomen, of de sluwe Raaf, wel begrij- 
pende, dat de hond haar in die positie weinig legenweer kon bieden, viel nu op 
hare beurt hem aan, en pilde hem een oog uit. Op het geblaf en getier kwamen 
de tuiniers in alle haast aanloopen; een geweerschot werd gelost, doch miste, 
en onze geslepen Raaf maakte zich ijlings uit de voeten. Na zich eenige dagen 
te hebben schuilgehouden, kwam zij echter eensklaps weer te voorschijn, en 
zette zich weder bij den vijver neer; thans echter was er een netwerk over 
gespannen, en op eendenroof scheen dus vooreerst geen kans te bestaan. Maar 
zie, onze Raaf wist ook daar raad op: er was namelijk in het hek, dat den 
vijver omringde , een gebroken lat ; juist een plekje om haar door te laten. Op 
zekeren namiddag, terwijl de tuiniers in de schaduw lagen te slapen, schiet de 
Raaf onverwachts achter het hek en loopt naar het gat; men had haar echter, 
ongelukkig voor haar, beloerd, en eindelijk maakte een schol ganzenhagel een 
einde aan haar leven, juist op het oogenblik dal zij het gat had willen insluipen. 
Intusschen blijkt uit dit een en ander voldoende, dat de Raaf wel degelijk rede- 
neert, omstandigheden overweegt en kansen berekent, vóórdat zij een uitval 
waagt. Daarenboven let zij naauwkeurig op allerlei kleine bijzonderheden, en weet 
van hare ontdekkingen op den juisten tijd gebruik te maken. 

Laat ons thans, na deze uitweiding over de geaardheid van dezen in elk 
geval merkwaardigen vogel , nog een en ander omtrent zijn leven in den natuur- 
staat aanstippen. 

De Raaf bouwt een groot nest van doode takken op boomen of lusschen 
spleten en kloven in rotsen; soms ook nestelt zij op den grond of onder struiken; 
het nest is nagenoeg drie voet breed en twee voet hoog, van binnen tamelijk 
diep en met gras , wol , veeren en mos belegd. Het vier- of vijftal eijercn wordt 
door beide ouden bebroeid ; ze zijn vuil-groenachtig grijs, met kleine, donkere 
vlekken over de geheele schaal, en hebben ongeveer de grootte van kleine Hoen- 
dereijeren. 

De jongen zijn van een graauw dons voorzien, dat, ongelijk en in verwarde 
dotten of klitten, aan het donkerroode, kale ligchaam als ware 't vastgeplakt 
zit; het zijn regt leelijke dieren, die onophoudelijk schreeuwen en nimmer ver- 
zadigd schijnen. Ook duurt het tamelijk lang vóórdat zij kunnen vliegen; eerst 
na vier weken verlaten zij hunne woning in gezelschap der ouders, en keeren er 



nog gedurende een even lang tijdsverloop eiken avond terug. De ouden leggen 
veel kommer en bezorgdheid voor hun kroost aan den dag. Worden zij soms 
door eenig gevaar verhinderd op het nest te komen, dan laten zij het voor hunne 
jongen bestemd voedsel hoog uit de lucht op het nest vallen. Ontrooft men hun 
de jongen, dan volgen zij hen zoolang zij hun geklaag vernemen, en blijven zij 
zelfs nabij de woningen, waarin de jongen gevangen gehouden worden, rondvliegen. 
Er zijn zelfs voorbeelden, dat Raven hunne jongen uren ver tot in het woonhuis 
navlogen, en hen van voeder kwamen voorzien, zoodra de mand, waarin men hen 
geplaatst had, buiten het venster was gehangen; daarbij trachtten zij ook, hen 
door de traliën naar buiten te trekken, om hen weer mede naar het nest te nemen. 

De ouden verschillen uiterlijk zeer weinig; meestal is het mannetje wat 
lomper van kop en wat zwaarder van snavel. De jongen zijn, zoodra zij vederen 
hebben, aan hunne ouders gelijk, doch kleiner. 

Het stemgeluid der Raaf is scherp, schor en kan van zeer verre gehoord 
worden ; het klinkt als : » Chaauw-aau-aau" , en zoowel de naam Raaf, als het 
Fransche Corbeau, het Spaansche Corvo, het Portugesche Corvuo, en het Duitsche 
Rabe, zijn — natuurlijk al naar gelang van het opvatten en teruggeven van het 
geluid door de verschillende volken — van dit haar geroep afgeleid. 

Men pleegt veelal jonggevangen Raven den tongriem (het tongvlies) door te 
knippen, opdat zij gemakkelijker zouden kunnen klappen. Dit is echter geheel 
onnoodig. Ofschoon er wel is waar eenig verschil in geluid tusschen de al of 
niet van den tongriem gesneden Raven bestaat, kan men niet bepalen welk van 
beiden het duidelijkst of vlugst praat, en hangt dit geheel of althans grootendeels 
af van het geduld waarmede, en de manier waarop men haar het praten leert. 

Men kan de Raaf voeren met vleesch, aardappelen, brood, kortom met al 
wat er in het huishouden overschiet en gewoonlijk voor katten en honden wordt 
neergeworpen. 

In sommige streken vindt men variëteiten dezer vogels met witte veeren. De 
Raven der Far-oër zijn allen ongelijkmatig wit geschakeerd. Dit is een zonderling 
verschijnsel, hetwelk ik ook bij de gewone Kraai der Kaap-Verdische eilanden 
waarnam; op al de eilanden, behalve het eiland St. Antoa, zijn zij namelijk, even 
als bij ons, zwart; alleen die van St. Antoa zijn echter steeds gedeeltelijk wit. 

Geheel witte of isabelkleurige Raven zijn, zoo als het spreekwoord zegt, zeld- 
zaam, doch komen nu en dan, en wel onder alle luchtstreken, voor. 




P-i 




DE BEO. 

GRAC.ULA RELIGIOSA. 



De tot dit geslacht behoorende vogels kenmerken zich door hunne korte, 
krachtige, naar die der Kraaijen gelijkende gestalte; door hunne zeer in 't oog- 
vallende lellen aan den kop en door de glimmend zwarte kleur hunner vederen. 
Zij vormen de familie der Dikbek-Spreeuwen (Eulabes). Van de Beo's zijn slechts 
een gering aantal soorten bekend j, welke zeer aan elkaêr verwant zijn en alleen 
in grootte of in de plaatsing of omvang der lellen verschillen. Zij bewonen 
Indië. Eenige in levenswijze en ook in vorm na bijkomende vogels, mede in 
Indië te huis behoorende, zijn de Gekuifde Spreeuwen (Acridotheres) , welke, 
even als de Beo, door de Engelsche kolonisten Myna, Mynha of Mina 
genoemd worden. De wetenschappelijke soortnaam religiosa is door de latere 
ornithologen veranderd, omdat Linnaeus, die het eerst dezen vogel beschreef, ten 
gevolge van onjuiste informatie, zich in de identiteit der soort vergiste. De 
Minavogel, die door de Indianen als geheiligd beschouwd werd en aan hun god 
Ram was opgedragen, is niet de door Linnaeus bepaalde Beo, doch Gracula 
Acridotheres tristis, volgens anderen echter Gr. venerata. Aan den Beo is nimmer 
zulk eene eer ten deel gevallen, en men heeft hem later, bij wijze van correctie 
en ter wille van zijn hoog ontwikkeld stemorgaan, Gracula musica genoemd. 

Men vindt den Beo het menigvuldigst in geheel Engelsch-Indië tot 16° Noor- 
derbreedte, ook in Geylon en een gedeelte van Oost-Indië ; ioch in laatstge- 
noemde streken leeft tevens eene grootere, eveneens bij ons ingevoerde soort, 
Gr. javanica. 

De Indianen kennen hem onder den naam van Kokni-maina en Kondo-gounka; 
de naam Beo is waarschijnlijk van zijn gewoon geroep afgeleid. 

Er bestaat bij dezen vogel schier geen uiterlijk verschil van sekse: alleen 



hebben de mannetjes een weinig glanziger veeren en zwarter vleugelpunten. Doch 
de jongen zijn zeer gemakkelijk te herkennen; hun gevederte is doffer en bruiner, 
en hunne lellen zijn slechts onvolkomen aangeduid. 

De Beo broeit in boomholten. De kleur der eijeren is niet met zekerheid 
bekend. Volgens Jerdon, leven deze vogels bij troepen in het bamboes en nabij 
gecultiveerde gronden, en komen zij in het gebergte tot op 3000 voet boven de 
oppervlakte der zee voor; zij voeden zich met bananen en andere zoete vruchten, 
alsmede met bezien en insecten. 

In den gevangen staat komen de twee verschillende soorten, welke wij onder 
den naam van Beo kennen , in gewoonten en stemgeluid al zeer wel overeen. 
Beiden zijn allervrolijkst van aard en bijzonder verstandig ontwikkeld, zoodat zij 
spoedig hunne vrienden kennen. Zij worden dan ook zeer tam, en hebben de 
gewoonte om, als zij aangesproken worden, den kop op zijde te keeren, op 
dezelfde schijnbaar luisterende manier, waarop sommige Papegaaijen dit doen. 
Dat zij tevens de verschillende geluiden, die zij hooren, goed onthouden, blijkt 
duidelijk genoeg door de menigte verschillende woorden, die zij, spoediger dan 
eenige andere vogel, weten na te praten. Daarbij is hun stemgeluid zoo helder 
en zuiver, dat het soms zeer moeijelijk valt, het gepraat van den vogel en dat 
van den mensch te onderscheiden. De Beo bootst niet alleen woorden na, maar 
geeft ook de eigenaardigheid van hel spraakgeluid , of de stem waarmede hij aan- 
gesproken wordt, met wonderlijke getrouwheid terug. 

't Is dan ook niet te verwonderen, dat de in diergaarden levende Beo's de 
algemeene aandacht tot zich trekken ; trouwens leert men hun reeds gedurende 
den overtogt uit hun geboorteland tal van phrases; de meesten kunnen b. v. 
zeggen (we zouden het zelfs «vragen" kunnen noemen): »wie klopt daar?" 
zoodra ze een kloppend geluid vernemen; of, als de naburige kooivogels wat 
veel geraas maken, hoort men den Beo op bestraffenden toon roepen: »hou je 
bek daar!" 'tgeen natuurlijk vooral de jeugd amuseert. 

De Beo wordt echter eerst dan een goede prater, als men hem alleen houdt 
en niet te veel in eens laat leeren. Ik heb er een gehoord, die minstens vijftig 
verschillende woorden sprak en onderscheidene lange phrases uit het hoofd kon 
opzeggen. Ook floot, of liever, zong hij de wijze en de woorden van het 
Engelsch volkslied: y>God save the queen" ; natuurlijk kende hij niet al de woorden; 
doch ik heb hem geheele redevoeringen hooren voordragen, waarbij hij geen de 



minste fout beging. Hij had in Engeland zijn onderwijs genoten, en hij klapte 
dan ook uitsluitend in 't Engelsch. Als men hem eenmaal aan 't praten wist te 
brengen, dan was het gewoonlijk moeijelijk om van hem af te komen; want onze 
Beo wist ook op zijne beurt iemand aan de praat te houden, en riep dan : »Dorit 
go — dorCt go — stop a little — now, come here, come here — F II talk to you!" Bij 
andere gelegenheden riep hij: »Make haste, make haste, old fellow!" en dan bragt 
hij meestal een lagchend geluid voort, juist gelijk een mensen schaterlacht, waarop 
hij dan onmiddellijk liet volgen: y>\ery clever, well done!" Hij bootste ook het 
schreijen van een zuigeling en van oudere kinderen na ; ook het, blaffen van den 
hond, kugchen, hoesten, niezen, kortom, al wat in het huishouden maar geluid 
voortbragt, wist hij op zelfs bedriegelijke wijze terug te geven. 

Wegens al die fraaije hoedanigheden, worden voor deze vogels vrij hooge 
prijzen besteed: gewoonlijk f 40 a f 60, doch voor goede praters veelal het dub- 
bele , ja driedubbele van dien prijs. 

Men geve hun tot voedsel gekookte rijst, geweekt brood, appelen, peren, 
vijgen , gehakt vleesch , ei en meelwormen. Zij kunnen de koude niet verdragen 
en zoeken de zonnewarmte, vooral nadat zij zich gebaad hebben. Ook zorge men 
vooral, ze van andere vogels afgezonderd te houden, daar zij anders al spoedig 
met dezen aan 't vechten raken en zelfs, als zij met kleine vogels te doen hebben, 
ze doodbijten en dan gewoonlijk verslinden. 



i : ! 







%0 - 

I 



Sj 



\\ 



DE OEVERZWALUW. 

HIRUNDO RIDARIA. 



Deze Zwaluw is de kleinste der Europesche soorten en zeker de minst sier- 
lijk gekleurde der geheele familie. Haar eenvoudig kleed komt dan ook bijzonder 
met de door haar bewoonde localiteiten overeen; immers vindt men haar steeds 
aan slijkachtige oevers, langs rotsen of onbegroeide dijken. Zij bezoekt ons geheel 
werelddeel, behalve de koudere streken, voorts een gedeelte van West-Azië en 
Noord-Afrika , in welk laatste zij meer bepaald overwintert. In ons land treft men 
deze vogeltjes zelden in grooten getale aan ; alleen in sommige streken zijn zij 
wat meer te huis, en vliegen er gedurende den zomer gezellig rond. In het 
najaar trekken zij bij groote troepen langs rivieren, en slapen dan niet in hunne 
holen, maar in het riet; zij zwerven dan eenige dagen van oord tot oord, om 
op eens, onder hevig gejoel, hoog in de lucht, den aftogt naar het Zuiden te 
ondernemen. 

De Oeverzwaluw komt óns eenige dagen na de andere soorten bezoeken, 
meestal vier of vijf dagen vóór de Gierzwaluw, zoodat de eerst aangekomenen 
omstreeks 30 April worden opgemerkt. Zij vertrekken weder in Augustus, en broei jen 
slechts éénmaal gedurende den zomer; daar echter hunne nesten of eijeren wel 
eens door overslroomingen of, omgekeerd, door scheuringen in den grond ten 
gevolge van droogte, vernield worden, gebeurt het menigmaal, dat zij nog laat 
in Julij aan het broeijen zijn. Deze vogels waren reeds eeuwen herwaarts beroemd 
wegens den kunstigen bouw hunner nesten, terwijl hunne eigenschap, om in 
holen te broeijen, den vroegeren natuurkundige tot de zonderlinge onderstelling- 
leidde, dat zij den winter onder de aarde slapende doorbragten. Zelfs velen onzer 
buitenlieden gelooven dit nog heden, omdat zij, in het voorjaar toevallig de Oever- 
zwaluw uil haar nest ziende te voorschijn komen, daaruit afleiden, dat de vogel 



den geheelen winter in dat nest slapende heeft doorgebragt en eerst nu ontwaakt 
is. Plinius had echter de zeden dezer vogels beter bestudeerd, en waarschijnlijk 
was hij de eerste, die van hunne nesten gewag maakte; toch komt zijne beschrij- 
ving dienaangaande ons soms wel wat overdreven voor, b. v. , waar hij schrijft: 
»Aan de Heracleotische monding van den Nijl, in Egypte, werpen deze Zwaluwen 
tegen het invloeijen van het water een onoverkomelijken hinderpaal op. Zij maken 
namelijk een geheelen dijk of afdamming, welke hunne nesten omringt, en leggen 
deze in. eene uitgestrekte lijn aan, ter lengte van bijna een stadium *). Zulk een 
werk zou met menschenhanden niet te maken zijn!" 

Er moge zeker in deze beschrijving iets overdrevens zijn, toch kan men nog 
te huidigen dage in Egypte, nabij de stad Coptos, een dergelijk voorbeeld van 
de bekwaamheden dezer Zwaluw aanschouwen. Daar namelijk ligt een klein 
eiland, hetwelk de sterk stroomende rivier reeds dikwijls dreigde weg te spoelen, 
doch dat door de Zwaluwen, die er eene veilige broeiplaats op vonden, op den 
duur werd onderhouden, doordien zij telkens den het meest aan den invloed van 
het water blootgestelden hoek met slijk , stroo en hooi versterkten. Zij broeijen 
dan ook geregeld eiken zomer op dat plekje grond, waarvan, buiten hunne 
tegenwoordigheid en schrandere werkzaamheid, hoogstwaarschijnlijk weinig of 
niets meer zou zijn overgebleven. 

Behalve in de zelf gebouwde dammen, broeijen deze Zwaluwen ook in rots- 
spleten en natuurlijke uithollingen van den grond; doch bij voorkeur maken zij 
hunne eigen verblijfplaatsen in gereedheid, en graven te dien einde in den eenmaal 
aangelegden grond diepe gaten, op twee a drie voet boven de oppervlakte van 
het water en boven het hoogste punt van een gewonen vloed; deze uithollingen 
zijn tot een voet diep, en ruim genoeg om twee vogels gelijktijdig door te laten; 
binnen drie a vijf dagen zijn deze vogels, gewoonlijk door onderlinge hulp, met 
dat werk gereed. Men meent ook te hebben opgemerkt, dat, als de eenmaal 
gemaakte nesten plotselings door de geheele kolonie verlaten worden , 'tgeen dik- 
wijls gebeurt, er steeds hooge vloeden in aantogt zijn, welke deze vogels, op 
eene voor ons onbegrijpelijke wijze, voorzien. 

Het eigenlijke nest is uit droog gras en veeren gemaakt en bevat 4 a 7 
witte, aschgraauw gevlekte eijeren, die door beide ouden worden uitgebroeid. 



') Stadium of stadie was bij de oude Grieken een afstand van 125 schreden. 



Ouden en jongen hebben dezelfde kleuren, doch de laatslen zijn iets lichter 
op de bovendeelen. 

Zij voeden zich met kleine vliegende insecten. Hun stemgeluid is aan dat 
der overige bij ons levende soorten gelijk, doch iets zwakker. Ook in hunne vlugt 
gelijken deze Zwaluwen de overige soorten; doch, daar zij zeer klein zijn, schijnt 
het alsof zij nog sneller en vlugger in het luchtruim voortschieten. 




i.C.Ke lm i 



l 



DE GROOTE BONTE SPECHT. 

PIGUS MAJOR. 



De Bonte Spechten zijn, vooral in ons vaderland, en ook in het geheele gema- 
tigde gedeelte van Europa , zeer talrijk vertegenwoordigd ; zij mogen dan ook wel 
als de meest algemeen bekende der Spechtenfamilie beschouwd worden. 

Behalve verschillende kleine afwijkingen, die zich bij de meeste soorten voor- 
doen, treffen wij in ons werelddeel de volgende kennelijke soorten aan : den Grooten 
Bonten Specht (P. major) , den Kleinen (P. minor) , den Middelsten (P. medius) 
en den Eksterspecht (P. leuconotus). Al deze soorten zijn inderdaad, in den volsten 
zin des woords, bont: zwart, rood, rosé en wit zijn bij allen de hoofdkleuren, 
welke echter, al naar de soort, aan den kop zeer verschillend, doch over het 
ligchaam des vogels op nagenoeg gelijke wijze verdeeld zijn. Bij den Grooten 
Bonten Specht heeft het mannetje den achterkop, het jong daarentegen den boven- 
kop rood, terwijl bij het wijfje het rood geheel ontbreekt; reeds vóór den eersten 
rui vertoonen dan ook de jongen de kenmerken der sekse, daar bij de jonge 
mannetjes het rood zich tot achter in den nek, bij de jonge wijfjes slechts tot 
aan het achterhoofd bepaalt. 

Picus minor, bij ons soms ook Harlekijn genoemd, is even groot als de Boom- 
klever of Spechtmees; in Engeland echter worden aanmerkelijk kleiner voorwerpen 
dezer soort gevonden. Zij is bij ons minder algemeen dan de vorige, en wordt 
bijna uitsluitend in de provinciën Noord-Braband , Gelderland, Overijssel en Drenthe 
gezien. Het mannetje heeft den bovenkop in het midden rood, het wijfje de voor- 
helft wit en het overige gedeelte van den bovenkop, even als het mannetje, zwart. 
Bij de jonge mannetjes is het voorhoofd vuil zandkleurig, in plaats van wit, met 
slechts eenige roode veeren op de kruin, terwijl bij de jonge wijfjes de bovenkop 
nagenoeg geheel vuilwit is, met slechts enkele sporen van roode veeren aan het 



achterhoofd. Wat de kleurverdeeling betreft, nadert de Kleine Bonte Specht het 
meest den Eksterspecht; wekle soort ten opzigte der kleur, niet der grootte, 
van P. major, van de hier afgebeelde verschilt, doordien de zijden van het lig- 
chaam overlangs en zwart gestreept en de schouderveêren (scapulalres) slechts 
aan de achterhelft wit zijn. 

De Eksterspecht, P. leuconotus, heeft verder den rug grootendeels wit. De 
bovenkop is hier bij het oude mannetje rood, bij het wijfje zwart. De jongen 
van beider sekse hebben den bovenkop gedeeltelijk licht- of fletsrood. Bij de jonge 
mannetjes loopt echter het rood tot in den nek, terwijl het bij de jonge wijfjes 
gewoonlijk meer naar het gele zweemt en slechts tot de kruin beperkt is 

De Middelste Specht, P. medius, staat, zooals zijn naam reeds aanduidt, 
in lengte tusschen de Groote en de Kleine soort, en onderscheidt zich voorts 
door zijne bleekere en helderder tinten. De bovenkop is bij het mannetje helder 
vermiljoen, bij het wijfje fletsrood, terwijl de bovenkopveêren bij de jongen 
helder roestkleurig, naar het achterhoofd ongelijkmatig met zwart en bruin gewolkt 
of gemarmerd zijn. 

Dit nu zijn de voornaamste onderscheidende kenmerken der vier in Europa 
inheemsche Bonte Spechtsoorten. Het vereischt natuurlijk tamelijk veel studie, om 
soort of sekse op het eerste gezigt te herkennen; het meest in 't oog vallend 
onderscheid der soorten is evenwel hare grootte : de Groote Bonte Specht is 
namelijk 9 tot 10, de Middelste 8 a 8 3 / 4 , de Kleine 5 a 6V„ BI. duim lang. De 
Eksterspecht is ongeveer even groot als de Groote Bonte soort, en wordt zelfs 
nog zwaarder dan deze, doch is zooveel lichter op de stuit en daarenboven aan 
de zijden zoo in het oog vallend gestreept, dat men hem niet ligt met de hier 
afgebeelde soort zal verwarren. 

Alle soorten van Bonte Spechten hebben ongeveer dezelfde levenswijze, brengen 
hetzelfde eentoonige doch scherpe geluid voort, leggen allen hunne witte eijeren 
in boomholen, en voeden zich met insecten en hunne larven, met groote en 
kleine noten en vette zaden. 

De Groote Bonte Specht bewoont geheel Europa, het gematigd gedeelte van 
Siberië en Japan. Een ontelbaar aantal klimaatsverscheidenheden treft men in het 
Westen van Azië tot aan het Noord-Oosten van Afrika aan; elke streek of land- 
gebied bezit daar eene bijzondere variëteit. Onder dezen hebben we thans reeds: 
Picus nubicus, uit Nubië ; P. syriaca en P. feliciae, uit Syrië; P. khan, uit 



Perzië ; P. leucopterm, uit Centraal-Azië ; P. kimalayensis , uit het gebergte van 
dien naam; P. Gouldi, P. mandarinus, P. Cabanisi en P. suciana, uit China, en 
P. majoroïdes, uit het zuidelijk gedeelte van den Himalaya. 

Bijna al deze onderverdeelingen in bij- of nevensoorten zijn gegrond op de 
roode veeren aan de borst: bij sommige individuen namelijk zijn deze zeer 
duidelijk en vormen eene roode vlek of band over de borst. Daar echter dikwijls 
ook in Europa voorwerpen met veeren van genoemde kleur aan de borst 
gevangen worden, blijkt het duidelijk genoeg, dat dergelijke ornithologische bepa- 
lingen ongegrond zijn. Sommige, ja verreweg de meeste beoefenaars der ornitho- 
logie hebben sedert de laatste dertig jaren steeds nieuwe soorten en nieuwe 
geslachten willen ontdekken, waar die in werkelijkheid niet bestonden. Zulke 
geleerden hebben nimmer de natuur zelve geraadpleegd, maar zijn alleen volgens 
hunne eigen, meestal gebrekkige kennis te werk gegaan. Zij hebben óf anderen 
doen verzamelen, of zelf verzameld, en, om nu het belangrijke feit, dat zij een 
vogel bezaten of geschoten hadden, wereldkundig te maken, moest natuurlijk voor 
zulk een vogel ook een nieuwe naam gekozen worden. Het ongelukkigste der 
zaak is, dat, in deze steeds toenemende zucht tot auteursroem, groote, werkelijk 
bekwame mannen zijn voorgegaan. In Engeland zijn de quasi-naturalisten er steeds 
op uit om, alleen met het doel om elkanders namen wederkeerig te doen noemen 
(vereeuwigen!), eiken vogel, die ook maar de minste, onbelangrijkste modificatie 
in kleur vertoont , onmiddellijk , als eene nieuwe soort , met den naam eens 
vriends te bestempelen en onder dien naam te beschrijven, zoodat A. heden zoo'n 
soort naar zijn vriend B. , en B. morgen wederkeerig eene andere naar zijn 
vriend A. noemt. Op die wijze trouwens is het gemakkelijk te beweren, dat thans 
meer dan 12,000 verschillende vogels bekend zijn, terwijl er nog geen dertig jaar 
geleden slechts ruim 6000 beschreven waren. 

Keeren wij echter tot den Grooten Bonten Specht, die evenmin van dergelijke 
miskenning is verschoond gebleven, terug. 

Gedurende het warme seizoen leeft hij in digte, houtrijke streken; hij verlaat 
die gewoonlijk in September met zijne jongen, is later alleen of gepaard, en 
zwerft tot het volgende voorjaar langs straatwegen, boerderijen, en zelfs in de 
tuinen der steden rond. Terwijl men hem aan zijn bontkleurig gevederte gemak- 
kelijker onderscheidt, dan de Groene, vroeger beschreven soort, zijn daarentegen 
zijne bewegingen nagenoeg geheel gelijk aan die van alle andere Spechten. Men 






heeft meermalen opgemerkt, en dit is door verschillende personen, die Spechten 
in gevangenschap hielden, beaamd, dat hij zonder moeite aan de onderzijde van 
horizontaal liggende takken vooruitspringt, zonder zijn steunpunt te verliezen. 
In de zoölogische tuinen te Londen zag ik dezen vogel in 5 a 6 tempo's tegen 
een 12 voet lang, loodregt loshangend ijzerdraad, ter dikte van gewone bord uur- 
wol of van een lucifer, naar boven klauteren. Deze manoeuvre herhaalde hij 
gewoonlijk eenige malen; zoodra hij dan den zolder der volière had bereikt, gaf 
hij telkens met zijn harden bek eenige duchtige kloppen tegen het houtwerk, die 
de splinters in de lucht deden vliegen; daarop schoot hij in allerijl naar omlaag, 
om dan weer onmiddellijk den draad van onderen aan te pakken en de klimpartij 
te hervatten. 

In zijne wijze van nestelen, van opbrengen der jongen en in de keuze van zijn 
voedsel onderscheidt hij zich niet van den Groenen Specht. Zijn geroep daaren- 
tegen is scheller en niet zoo schielijk stootend; het is meer een scherp y>hiek-hiek" '. 

In gevangen staat kan hij, even als al de overige soorten, met vleesch, ei, 
miereneijeren en noten in 't leven gehouden worden. De voor deze vogelsoorten 
bestemde kooijen moeten óf geheel van ijzer öf uit sterk eikenhout vervaardigd 
en van een vermolmden boomstam of stukken van een knotwilg voorzien zijn. Alle 
Spechten zijn in den beginne zeer wild en schuw, doch gewennen zich spoedig 
genoeg aan het kooileven. 




■ O m , 1 1 nat 





ïb exc 



e arterie: fr/iécfc?/, 



D E GEOENE SPECHT. 

PICUS VIRIDIS. 



De Spechten voi'rnen eene zeer kennelijke familie onder de orde der Klimvo- 
gels. Het zijn de eigenlijke klimmers. De Spechtmeezen hebben meer regt op den 
naam van klauteraars, daar zij in alle riglingen tegen het hout. loopen, de Boom- 
kruipers hangen eigenlijk meer en schuiven, doch de Spechten gaan geregeld naar 
boven. Het zijn echter minder behendige gymnasten, dan de Meezen; zij ge- 
bruiken ook nimmer den snavel als hefmiddel, zooals Kruisbekken en Pape- 
gaaijen, doch blijven niettemin de sterkste en onvermoeidste klimmers onder alle 
vogels. De Specht schiet met groote snelheid naar boven of vooruit, en bereikt 
des noods binnen eenige seconden den top van den hoogsten boom. Gewoonlijk 
begint hij onderaan nabij den grond, van waar hij, als de stammen regt zijn, 
bijna altijd spiraalsgewijze omhoog stijgt; zoodoende onderzoekt hij binnen zeer 
korten tijd den stam van alle zijden, en, ofschoon hij niet altijd zeer naauw- 
keurig in zijne onderzoekingen is, vindt toch een Specht op die wijze ruim zijn 
voedsel, daar hij dagelijks een groot aantal stammen doorzoekt, terwijl Kruipers 
of Meezen zieh slechts met enkele boomen kunnen bezig houden. Zijne van sterke 
nagels voorziene teenen, waarvan de buitenste achterwaarts gerigt is, stellen hem 
tot klimmen volkomen in staat, en de sterke, veerkrachtige staartpennen dienen 
hem, behalve tot rust- en standpunt, ook als hulpmiddel om zich omhoog te heffen. 
Daarenboven heeft zijn staart nog eene bijzondere eigenschap: de buitenste pennen 
zijn namelijk zeer klein en liggen bovenop., in plaats van nevens de overige. Als 
de Specht boort, dat is, als hij met zijn harden, beitelvormigen snavel in het 
hout breekt, om insecten te vinden, dan drukt hij den staart tegen den stam, 
zoodat elke veer in de oneffenheden van den boomstam een rustpunt vindt en de 
vogel naauwelijks zijne pooten behoeft om zich vast te houden; des te meer kracht kan 



hij dus met den snavel uitoefenen, en hij verbreekt dan ook zeer spoedig het 
hout of schors, waaronder de larve of kever verscholen zit. De rupsen der 
houtmot of houtvlinder, die diepe gaten in het wilgenhout boren, haalt hij 
binnen twee a drie minuten uit hunne holen te voorschijn. Dat de Specht alleen 
aan doode boomen zou arbeiden, is wel eens tot hunne verdediging beweerd, 
doch deze bewering is niet geheel juist; want den dooden boom zoekt hij alleen 
dan, wanneer de levende hem geen voedsel of gelegenheid tot nestbouw aanbiedt; 
dood hout is spoediger verbrijzeld, en hij kan daarin binnen twee a drie dagen een 
kuil hakken, groot genoeg om er een half dozijn Spechten veilig in te herbergen. 

Zijn voedsel vindt hij in het levende hout, tegen de stammen, onderaan, 
of zelfs onder en tusschen de wortels en in het gebladerte. Met zijne zeer lange , 
dunne, aan de punt harde, scherpe en kleverige tong haalt hij mieren en kleine 
insecten tusschen de boomspleten uit, pikt ze ook van den grond of tusschen de 
wortelen, en hapt, even behendig als de Mees, een rups of kever van het blad. 
Het doode hout levert den Specht geen ander voedsel, dan eenige houtkevers en 
wespen, die zelden zoo menigvuldig zijn, dat hij er meer dan één maal aan heeft. 
Hij doet echter aan het levende hout weinig schade, dan alleen in den winter; 
en buitendien, het afrukken van nootvruchten, het weghakken van bast en het 
boren in 't hout kunnen den boom niet schaden , zoolang niet een geheel leger 
Spechten er dagelijks op terugkeert. Jonge vruchtboomen daarentegen lijden meer 
door het bezoek der Spechten, dan door de daarop levende insecten; want een 
Specht hakt gewoonlijk meer aan het hout, dan noodig is om een rups of larve 
meester te worden. Daarbij bezit de Specht nog de zonderlinge eigenschap, om 
jonge bladscheuten neer te sabelen, zonder er zich mee te voeden of er eenig 
voedsel in aan te treffen. Ten gevolge van een en ander staat hij dan ook in 
sommige streken meer als schadelijk dan als nuttig te boek. 

De Spechten leven hoofdzakelijk op boomen; sommigen echter toeven meestal 
op den grond. Gewoonlijk houden zij zich des zomers in het woud op, en zwerven 
in den winter gezellig rond. Hun vlugt is tamelijk snel, doch zij vliegen zelden 
lang achtereen. Hun stemgeluid is eentoonig, doch krachtig. Bij gebreke van zang- 
talent, maken de mannetjes allerlei zonderlinge gebaren, om wijfjes te lokken en 
te behagen. Ook schijnt het, dat de Spechten elkander reeds op verren afstand 
aan de wijze of kracht van hun kloppen herkennen; althans de vogelvangers in 
Rusland lokken de Spechten door met een steen tegen een boomstam te slaan, 



daarbij maat en wijze van kloppen van den vogel zooveel mogelijk nabootsende. 

De eigenlijke Spechten worden over den geheelen aardbol , behalve in Australië , 
aangetroffen. Op Madagascar vindt men slechts ééne soort, als vertegenwoordigster 
der Spechtenfamilie. 

Men verdeelt de Spechten in verschillende ondervormen of geslachten ; daartoe 
behooren: de Amerikaansche Langnek- of Reuzenspechten (Campephilus) , de 
Dwergspechten (Picumnus), de Krombekspecht (Colapses), de Drieteenige Specht 
(Apternus) en de Grondspechten (Geocolaptes) , terwijl men ze, volgens hunne 
kleuren, eveneens in ondergeslachten verdeelt, zoo als: de Zwarte Spechten (Pryo- 
copus), de Zijdeveêr- of Glansveêrspechten (Melanespes) , de Bonte Spechten 
(Dendrocopus , Dendrodomas , Pipsipicus en Piculus) en de Groene Spechten 
(Gecinus of Chloropicus). Tot de laatstgenoemde afdeeling behooren o. a. de 
Groote en de Kleine Groene Specht (Pictis of Gecinus viridis en canus), Levail- 
lani's en Sharpe's Groene Specht (G. Levaülanti en G. Shafpei); G. airokera van 
Japan, G. Synamatüs uit Nepaul, en G. dimidiqtus van Java. 

Onze Groene Specht bewoont , behalve Siberië , geheel Europa , doch de voor- 
werpen uit het Zuiden van Spanje verschillen van de gewone of type door het 
grijze, in stede van zwarte, van oog- en wangstreek en van de vlek aan den 
mondhoek. Uit is de Gecinus Sharpei der latere schrijvers. In het overige Zuiden 
en Zuid-Oosten van Europa worden Groene Spechten aangetroffen, die er nagenoeg 
eveneens uitzien als de Spaansche variëteit, doch met deze uitzondering, dat het 
mannetje den geheelen bovenkop glanzend rood heeft, terwijl bij beide seksen 
de knevelvlek zwart is, zonder eenig spoor van rood. Deze vogel (P. Levaülanti) 
bewoont ook Arabië, is dus in ons werelddeel slechts een toevallig bezoeker, 
en wordt dan ook algemeen als eene standvastige soort beschouwd. In Turkije 
en Griekenland komt echter ook de type voor, zoodat daar twee verschillend 
gekleurde Groene Spechten gevonden worden. 

Het talrijkst komt de Groene Specht in het Zuiden van Engeland en in Dene- 
marken voor. In ons vaderland is hij evenmin zeldzaam, en zeker wel de meest 
algemeene der Spechtsoorten. Dikwijls bespeurde ik hem in het najaar op de 
publieke wandelwegen nabij Rotterdam, 's Gravenhage en Leiden. In Noord-Bra- 
band daarentegen is weer de Groote Bonte Specht meer algemeen, doch ook 
wordt er nu en dan de Groene soort waargenomen. In Gelderland, op eene 
der buitenplaatsen nabij Arnhem, ontdekte ik twee nesten, in beide waren 



jongen, die hun honger luidkeels te kennen gaven. Daar beide nesten hoog in 
den boom lagen, zoodat ik geen kans zag, ze te bemagtigen, troostte ik mij met 
ze ten minste op mijn gemak waar te nemen, in de verwachting, dat nu ook de 
ouden weldra zouden terugkomen. Die oudjes schenen echter even geduldig mijn 
vertrek af te wachten; zij kwamen althans eerst te voorschijn, nadat ik van stand- 
plaats veranderd was en mij verborgen had. De boomen, waarin de nesten lagen, 
stonden digt bij elkaêr, en de nestholen bevonden zich ongeveer 40 voet boven 
den grond. De jongen uit beide nesten hadden in 't begin telkens de koppen uit 
het gat gestoken en nieuwsgierig naar buiten geloerd, totdat zij , naar ik ten minste 
meen, door hunne ouders voor het gevaar gewaarschuwd waren; nu hield hun 
hongerig getjilp plotseling op, en geen spoor van leven was er meer te ontdekken. 
Eenige minuten later kwam, in de nabijheid van het 't digtst bij mij gelegen nest, 
een der ouden te voorschijn. Hij sprong, even als een Lijster, bedaard en voor- 
zigtig door de takken, bleef nog even links en regts uitzien, en schoot toen 
onverwachts tegen den stam onder het gat; eerst stak hij er den kop in, en 
kroop vervolgens zeer voorzigtig (even als iemand, die onopgemerkt eene huisdeur 
binnensluipt) naar beneden. Het gat moet tamelijk ruim zijn geweest; althans 
de vogel was er geheel in verdwenen, en na eenige oogenblikken. was ook de 
andere oude even handig naar omlaag geduikeld en had zich mede daarbinnen 
aan alle verdere waarneming onttrokken. 

De Groene Specht broeit in al onze houtrijke provinciën, vooral in Gelderland. 
Men vindt hem des zomers, vooral 's ochtends vroeg, vrij talrijk in het lagere 
boschhout langs het kanaal van 's Gravenhage naar Scheveningen; blijkbaar nestelt 
hij dus ook in die streken. Materialen voor den nestbouw behoeft hij niet aan te 
voeren, vermits, waar het nest verwijd of uitgediept is, de molm of het verbrij- 
zelde hout reeds een zachten bodem vormt De eijeren zijn geheel wit, glanzig 
en fijn van schaal; men vindt ze soms ook roodachtig gevlekt, doch deze zijn 
hoogstwaarschijnlijk door een of ander in het boomhol aanwezig vocht gekleurd 
of misschien wel bevuild met de roode, zuur riekende vloeistof, die in de poppen 
der houtmot gevonden wordt; men kan er althans de roode, ongelijk verdeelde 
vlekken zeer gemakkelijk afwasschen. Het aantal eijeren (die door beide ouden 
bebroeid worden) verschilt van 4 tot 7. De jongen worden met insecten, gedeel- 
telijk uit den bek, gedeeltelijk uil de keel gevoerd. Bij gebreke van krop, vult 
(volgens waarnemingen van verschillende ornithologen) de Specht zich de keel 



tot aan den bek met voeder, en laat er dit door zijne jongen uithalen. Deze 
zonderlinge wijze van voeren is ook aan onzen Scholverd of Schollevaar en aan 
den Pelikaan eigen. 

Overigens voeden deze Spechten zich met vliegen, kevers, spinnen, allerlei 
larven en vooral mieren en miereneijeren , die ze op den grond of onder wortels 
van boomen vinden. Bij dat zoeken naar voedsel werpt de Specht geheele hoopen 
aarde regts en links, en hakt diepe holen in den grond, om dan binnen eenige 
oogenblikken het geheele mierenleger met al de poppen of eijeren en met al den 
reeds door deze insecten verzamelden voorraad levensmiddelen te verslinden. De 
Groene Specht is zeer verlekkerd op de larven of poppen van Cetonia aurata of 
gouden tor, die door de mieren weggevoerd en in hare magazijnen bewaard 
worden. Dat Spechten ook noten eten en de harde basten behendig openbreken, 
is algemeen bekend; doch het komt mij zonderling voor, dat, voor zooverre ik 
beschreven vind, in bijna alle 's winters gevangen en ontlede voorwerpen dezer 
soort, steeds de maag met insectenvoedsel was gevuld; het schijnt dan ook, dat 
deze soort, meer dan de Bonte en Zwarte Specht, een insecten-, of liever, hoofd- 
zakelijk een miereneter is. Aan dit voedsel is het blijkbaar toe te schrijven , dat 
deze vogels, vooral de jongen, meestal een onaangenamen, zuren reuk van 
zich geven. 

In de hierbij gevoegde afbeelding is het mannetje op % van de natuurlijke 
grootte voorgesteld. Het wijfje heeft nagenoeg dezelfde kleuren, doch onderscheidt 
zich door hare zwarte, in plaats van roode, knevelvlek. De jongen zijn vóór den 
rui bijzonder fraai gekleurd : de zijden van den kop en nek wit met zeer dunne , 
straalsgewijze voortloopende zwarte strepen; bovenkop grijs met kleine, roode 
puntjes aan de veeren, welke naar den achterkop breeder worden en in den nek 
naar het goudgele trekken; keel en borst geelachtig wit, met ronde, zeer regel- 
matig verdeelde, zwarte vlekjes (even als van sommige zeeschelpen); de zijden 
van het ligchaam lichtgroen, met donkere golflijnen, die aan het achtergedeelte 
breeder en duidelijker worden en op de onder- en boven de staartdekveêren in 
zwarte, ongelijke dwarsbanden overgaan; vleugels, stuit en staart gelijk de ouden; 
rug en nekveêren echter, min of meer duidelijk, overdwars en donker gegolfd, 
met eene witte vlek in het midden der veder. Oude voorwerpen zijn meestal door 
boomschors, hars en stofmos bevuild; vandaar hun onderling verschil in tint. 

Gelijk we hierboven reeds opmerkten, ontbreekt het hun geheel aan zang- 



talent; hun geroep is echter zeer helder] uidend, en gedurende het grootst gedeelte 
van den zomer hoort men hun onvermoeid »ploe-ie, ploe-ie" of » plee-plee" , dat 
zij wel twintig maal herhalen. 

Deze Specht kan zich zeer goed aan de gevangenschap gewennen, als men 
hem maar eene groote, sterke kooi, met wat timmerwerk er in, tot woning, en 
gehakt vleesch met ei en melk, meelwormen en miereneijeren tot voedsel geeft. 
Hij dient steeds te kunnen kloppen; daarom zal men wel doen, een stuk vermolmd 
hout of dikken tak in de kooi te plaatsen; anders hakt hij het hout zijner woning 
stuk, en ontsnapt, en dan loopt men groot gevaar, dat hij onverwijld in de 
kamer aan spiegel- of schilderijlijsten zijn timmerlust zal botvieren. 






: 







' ''T . tns, < 3 nat. 




P.lfM.Traj exc 



DE BOOMKRUIPEE. 

CERTHIA FAMILIARIS. 



De Boomkruiper is in ons land de eenige soort van de uitgebreide en zeer 
gevarieerde familie der Scandenles of Klimmers. 

In het Zuid-Oosten van Europa treffen wij den Muurklimmer (Tichodroma 
muraria) aan, die in levenswijze en uiterlijken vorm nagenoeg met ons Boom- 
kruipertje overeenkomt, doch op en tegen rotsen en muren leeft en met een 
veel fraaijer gevederte bedeeld is. 

Amerika bezit verschillende vormen dezer vogels, meestal groote en sterk 
ontwikkelde soorten, die, volgens hare onderlinge wijzigingen in vorm, als 
zoovele verschillende genera beschouwd worden. Bij de meeste soorten dezer 
genera en sub-genera ontbreken de zoogenaamde zangspieren en zijn de geluids- 
organen slechts zeer onvolkomen ontwikkeld; de meesten zijn dan ook » stomme" 
onder de anders zoo zangrijke boschbewoners. 

Alle eigenlijke Klimmers of Kruipers hebben sterke, lange teenen (vooral den 
achtersten), zware, scherpe en zeer gekromde nagels; bij de meesten zijn de 
schachten der staartpennen, even als bij de Spechten, hard, puntig en verlengd, 
en dienen als spiraalveêren bij het klimmen langs regtopstaande takken of stammen. 

In Noord-Amerika treft men eene aan de onze zeer verwante soort aan ; eene 
tweede en derde soort, uit Centraal-Azië en het Himalaya-gebergte , is slechts 
een weinig donkerder gekleurd; deze soorten kunnen als de eigenlijke vertegen- 
woordigers van het geslacht Certhia beschouwd worden, terwijl de overige uitheem- 
sche Kruipers in de ornithologie als de geslachten Anabates of Stijgvogels, met 
de ondergeslachten Dendrocolaptes , Nasica, Xiphorhynchus en onder andere, 
nog nieuwere of later bepaalde sub-genera beschreven zijn. 

Ons Boomkruipertje bewoont het grootst gedeelte van Europa en gematigd 



Siberië. Het schijnt niet zuidwaarts te trekken, en in de meeste landen is 
het dan ook meer een zwerf- dan een trekvogel. Weinig vogels worden op zoovele 
verschillende plaatsen aangetroffen, als de Boomkruiper; men vindt hem zoowel 
in de digtste, somberste wouden, als in en langs heggen of alleenstaande boomen 
in weilanden, zoowel op knotwilgen en elzen in de eenzaamste moerassen, als 
in de langs de grachten staande boomen der steden en tuinen; soms zelfs ziet 
men hem tegen de muren onzer woningen en langs de bloemhekken onzer vensters 
behendig rondklauteren. Het is een uiterst bedaard, zachtaardig en zeer vertrouwe- 
lijk vogeltje, geheel op zich zeil' levende, nooit of zelden twistende en den geheelen 
dag bezig met in zijn onderhoud te voorzien. Schier op den duur is het in bewe- 
ging: het hangt onder of tegen takken, zoowel dunne twijgen als breede stammen 
springt door het gebladerte, even als Sluipers en Winterkoningjes, en vindt overal 
een insectje of een insecten-ei, dat meestal zoo klein is, dat het door andere 
vogels niet wordt opgemerkt; waar zelfs een geoefend oog geen levend insectje 
meer ontdekken kan, daar vindt het Boomkruipertje nog altoos iets te eten of 
op te pikken. 

De Boomkruiper slaapt in boomholen of tegen de stammen hangende, met 
de pooten zeer omhoog, steunende op zijn staart, en gewoonlijk met den kop 
zeer naar achteren of langs den rug gebogen, 's Winters en bij mistig weder 
slaapt hij ook overdag' en rust dan soms zeer lang op een dikken tak, half lig- 
gende, even als de Kippen en Leeuwerikken. Hij is niet zeer schuw, vooreerst 
omdat zijne eenvoudige, op boomschors gelijkende kleuren hem van nature be- 
schermen, ten andere doordien hij zelden aan vervolging' is blootgesteld. Niet- 
temin houdt hij steeds een wakend oog, en, als ge u voor den boom plaatst, 
tegen welks stam hij opklimt, keert hij zich al zeer spoedig naar de achterzijde, 
steeds zorgende dat hij buiten het bereik van uw gezigt blijft, al loopt ge ook 
eenige malsn rondom den boom. Als men hem op die wijze lastig valt of beangstigt, 
klautert hij zoo snel mogelijk naar de hoogste takken, en vliegt dan plotseling, 
gewoonlijk met een draai of wending, naar een anderen boom. 

's Winters zoekt hij het gezelschap van kleine zwervende vogels, en wordt 
dan gewoonlijk met Meezen en Winterkoningjes gezien, waarmede hij zich anders 
nimmer inlaat, terwijl hij ook gewoonlijk de laatste of na-, zelden de vóórvlieger 
is. Zijn er bij zulk een zwervenden troep twee of meer van zijne soort, dan blijven 
dezen meestal bij elkander. 



De Boomkruiper paart vroeg in het voorjaar, en vangt reeds in het begin 
van April met den nestbouw aan. Meestal zoekt hij daartoe een boomhol of diepe 
kloof in een knotwilg of kleine uithollingen in muren, achter de takken van 
bladrijke klimplanten. Liefst nestelt hij nabij boerderijen of langs straatwegen 
in bebouwde streken. Het nest is zeer eenvoudig en, naar omstandigheden, 
namelijk in ruime holen, zeer groot, in kloven daarentegen klein maar hoog. De 
bouwstoffen zijn meestal dunne plantenvezels, mos, boomschors, koehaar, veeren 
en spinnewebben of insectenweefsels. De eijeren zijn zeer klein, melkwit, met 
lichtroode vlekjes aan de stompe zijde, en gelijken zeer veel naar die van de Pimpel, 
doch zijn gewoonlijk iets langer en smaller. Het aantal eijeren, dat door beide 
ouden bebroeid wordt, is 6 a 9 bij het eerste, 4 a 7 bij een tweede broeisel. 
Gewoonlijk blijven de jongen 14 a 18 dagen in het nest, alvorens uit te vliegen; 
doch ook daarna keeren zij er telkens weder naar terug en slapen er 's nachts in. 

Het Boomkruipertje zingt een zeer eenvoudig liedje, eene eenvoudige reeks 
heldere stacato's, luidende als: y>lienk-tienk-Üenk-tienli\ soms twintigmaal in 
evenveel seconden herhaald. Op een afstand gehoord, herinnert dit geluid, even als 
het slaan van de Mees, aan het hameren op een aambeeld. Zijn gewoon geroep 
gelijkt naar het zachte, slepende vtsië" der Staartmeezen en Goudhaantjes (Regu- 
lus) , doch onderscheidt zich daarvan door de langere tusschenpoozen; hij neemt 
namelijk meestal drie seconden rust tusschen elke noot, terwijl Staartmeezen 
en Goudhaantjes hun i>tsie" meer geregeld en schielijk herhalen. 

De seksen bieden geen verschil in kleur, doch wel in grootte aan; het man- 
netje, vooral dal van een eerste broeisel, is namelijk meestal 1 centimeter langer 
dan het wijfje. De jongen gelijken op de ouden, nadat dezen geruid hebben. Ge- 
durende de eerste maanden zijn de vederen der jongen steeds veel witter 
en glanziger over het geheele onderlijf; want de ouden dragen dan een bijna 
versleten vederkleed, dat door het klimmen langs vuile of met stofmos bedekte 
boomen zeer dof en donker is geworden. Na den ruitijd zien de ouden er veel 
gunstiger uit; doch reeds binnen eenige weken, als de herfstbuijen invallen, zijn 
zij weer even graauw en bemorst. Hetzelfde is ook het geval met Spechten , 
Spechtmeezen en in 't algemeen met alle nabij groote steden levende vogels. 

Men kan het Boomkruipertje gemakkelijk vangen, door, vooral 's winters, 
wanneer de natuur hem geen levend aas meer aanbiedt, levende meelwormen aan 
lijmstokjes tegen den door hem bezochten boom te bevestigen. Het kan zich zeer 



goed in de gevangenschap schikken, indien men hem eene groote, ruim van 
takken en van een stuk wilgenbast voorziene kooi geeft. Het eet spoedig hetzelfde 
voeder, als voor den Nachtegaal is opgegeven, doch kan moeijelijk buiten meel- 
wormen, en is ook zeer gediend met gedroogde miereneijeren. Gedurende de 
eerste dagen zijner gevangenschap verschuilt het zich achter de takken en blijft 
lang vreesachtig, doch het wordt na goede behandeling bijzonder mak, en komt 
zelfs op den vinger zijns meesters zitten, om een meelworm weg te pikken.- 







J G.lManaiis , a3 rat . 




€ (fywa-mrz. 



'<ó. 



P.W.M. Traj exc 



DE DEAAIHALS. 

YUNX TORQUILA. 



Draaihalzen hebben, wat hunne vormen betreft, vee) overeenkomst met de 
Koekoeken; ten opzigle hunner levenswijze daarentegen naderen zij meer de Spechten. 

De naam van Draaihals is ontleend aan de gewoonte dezer vogels, om gedurig 
den kop heen en weder te wenden; hun nek is echter niet beter tot draaijen 
geschikt, dan die van andere Klim- of Zangvogels. 

Bij hun klimmen langs dikke boomstammen bewegen zij zich niet schielijk 
en regelmatig naar boven, maar wenden of kruipen meer zijdelings langs, dan 
tegen den stam op; zij klimmen ook niet met rukken, zoo als de Spechten, maar 
trekken zich, als gymnasten, telkens met de poolen omhoog, en gebruiken 
daarbij dikwijls de vleugels. Tegen breede, kale en hooge stammen vliegen zij 
telkens met kleine bogtjes naar boven, even als een mug tegen een lampenglas. 
Zij bewegen zich echter gewoonlijk tusschen het gebladerte, hangen daar aan 
dunne takken met den kop naar beneden, klauteren langzaam in die rigting, en 
nemen, bij de minste gewaarwording of verrassing, allerlei potsierlijke hou- 
dingen aan. 

Hunne zeer lange tong, die zoo lang als die der Spechten is, steken zij onder 
het klimmen in alle oneffenheden van den stam of tusschen de bladeren; zij 
bezigen haar ook als tastwerktuig. Terwijl de Specht alleen den bek opent, als 
er iets te eten is, steekt de Draaihals de lange, wormachtige, doorschijnende tong 
onophoudelijk uit zijn bek, en beweegt haar zoo schielijk heen en terug, dat het 
schijnt alsof de daardoor opgenomen insecten uit eigen beweging naar den vogel 
toe kwamen. Deze eigenschap van den Draaihals laat zich op inderdaad zeer 
verrassende wijze waarnemen, als men hem wat versche miereneijeren voorzet: 
door de snelle beweging en de doorschijnendheid der tong bespeurt men van haar 



niets dan eene ligte vibratie, terwijl de miereneijeren , die op 1 a i l / 3 duim 
afstands van den bek worden opgelikt, door hunne grootte en hunne witte kleur 
zeer in 't oog vallende, werkelijk den schijn geven, als sprongen zij naarde keel 
des vogels, gelijk de naald onzigtbaar door den magneet aangetrokken wordt. 

Van alle vogels, die ik gezien en van nabij gadegeslagen heb, vind ik er niet 
één zoo zonderling, niet één zoo wonderlijk en tevens zoo aardig, als den Draai- 
hals. Ik noem hem zonderling en aardig, omdat hij zulke vreemde gebaren maakt 
en als ware het allerlei grappen vertoont. Even als kinderen soms ernstige 
gezigten trekken of leelijke houdingen aannemen, om elkander bang te maken, 
zoo handelt ook de Draaihals tegenover ieder ander levend wezen, dat hij ont- 
moet. Zelfs »geheel in zijn eentje" maakt hij allerlei zotte bewegingen: hij steekt, 
zoo lang de nek reikt, zijn kop regt omhoog, en trekt dien dan schielijk terug 
of draait hem links en regts, als Jan Klaassen in de poppenkast; soms ook spreidt 
hij de vleugels uit, slaat den staart heen en weer en op en neer, en buigt zich 
sterk voorover, als wilde hij plotseling op iets neervallen; doch in een oogwenk 
trekt hij dan weer de vleugels op en den nek in, om een seconde later weer 
zijne zotte houding aan te nemen. Het broeijende wijfje steekt, bij naderend 
gevaar, den kop uit het gat van het nest, en wacht geduldig haar vijand af; 
komt deze nabij, dan legt zij den kop in den nek en steekt hem, even als eene 
slang , trillend omhoog en dan in eens vooruit , de kopveêren sterk uitsprei- 
dende. 

Het wonderlijke, dat ik aan dezen vogel vind, ligt in den aard van zijne 
kleur en zijn gevederte, welke geheel in tegenstelling zijn met zijne gewoonten, 
zoo al niet met zijne plaats in de natuur (altijd voor zooverre wij volgens onze 
eigen waarnemingen afleidingen en gevolgtrekkingen kunnen maken; hetgeen nog 
volstrekt niet bewijst, dal wij de door ons waargenomen bijzonderheden behoorlijk 
begrijpen of kunnen verklaren). Ziehier wat mij ten opzigte van dezen vogel zoo 
zeer verwondert, zijne veeren zijn zoo zacht als die der Uilen, en hebben ook 
dezelfde beschermende tinten, die aan alle nachtvogels eigen zijn; doch de Draai- 
hals is niettemin een dagvogel. De meeste in holen broeijende vogels hebben in 
't oog vallende kleuren: daarom juist broeijen zij verscholen; van de in open 
plaatsen broeijende vogels daarentegen bezitten óf beide seksen óf alleen het wijfje 
beschermende kleuren, of zij houden zich in zoodanige localiteiten op, welke in kleur 
met het gevederte des broeijenden vogels overeenkomen, of liever, vereenzelvigd 



zijn; zoo, b. v., broeijen Kwartels en Patrijzen en Fazanten (waarvan alleen de wijfjes 
zitten) op den grond. De Draaihals echter, die reeds beschermende kleuren bezit, 
zoekt daarenboven nog eene schuilplaats in een hol, en, terwijl alleen het wijfje 
broeit, hebben beide seksen toch dezelfde kleuren, en wel een vederkleed gelijk 
dat van op den grond levende vogels, hoewel de Draaihals zich steeds in het 
geboomte beweegt, en alleen op den vlakken bodem komt om insecten, vooral mieren, 
te vangen; trouwens duiden zijne tot klimmen ingerigte pooten, even als de 
eigenschap om in holen te broeijen, genoegzaam aan, dat hij niet tot het leven 
op den grond bestemd is. 

De Draaihals wordt over geheel gematigd Europa aangetroffen, doch is 
nergens algemeen, en schijnt in verschillende streken geheel te ontbreken. In 
Ierland, b. v., ziet men hem nooit. Gedurende den trektijd wordt hij ook in 
Noord-Afrika , vooral in Egypte, gezien. Men heeft hem ook uit Indië beschreven; 
doch, daar dit rijk door eene andere, zeer verwante soort wordt bezocht, is het 
nog niet uitgemaakt, of de van daar beschreven soort wel inderdaad de Euro- 
pesche Draaihals, Yunx torquüa, is. Er zijn slechts vijf of zes, onderling weinig 
verschillende, soorten van dit geslacht bekend, en deze zijn uitsluitend in Europa, 
Azië en Afrika waargenomen. 

Onze Draaihals bezoekt bij voorkeur hooge, langs straatwegen en kanalen 
staande boomen, liefst in de nabijheid van boerderijen en buitenplaatsen; zelden 
komt hij te midden van het woud of in moerasachtige streken voor. Eenige jaren 
geleden zag ik herhaalde malen zulk een vogel nabij Voorschoten, langs den 
straatweg naar Leiden. Daar het zomer was, wilde ik hem niet schieten. Daarbij 
trof mij de bijzonderheid, dat ik hem op, den duur alleen in de aan de zuidzijde 
van den weg staande boomen te zien kreeg. Nu en dan vernam ik ook zijn 
geluid, dat het best met de syllaben i>wig-wik" kan teruggegeven worden. Brehm 
zegt, dat gedurende den paartijd van dezen vogel het mannetje de eerste syllabe, 
het wijfje de tweede voortbrengt, en wel zoo regelmatig, dat het schijnt alsof 
slechts één vogel de beide syllaben achtereen uit. 

Uit talrijke waarnemingen is gebleken, dat het wijfje van den Draaihals niet 
slechts eene zeer trouwe broeister is, maar ook (misschien wel in vol vertrouwen 
op hare beschermende kleuren en op hare in eene holte verborgen broeiplaats) 
niet spoedig haar nest verlaat , en zich aanstelt alsof haar geen leed genaken kan. 
In een Engelsch wetenschappelijk werk, het Magazine of Natural History , is 



dien aangaande door een welbekend oöloog, mr. Salmon, het volgende geschreven: 
»Daar ik voor mijne verzameling eenige eijeren dezer vogels wenschte te bekomen, 
trachtte ik een nest te ontdekken, en bespiedde dus een paar, dat geregeld een 
der tuinen van het dorp bezocht, waarschijnlijk om er te broeijen. Ik ontdekte 
dan ook, dat de vogels eene holte in een ouden appelboom tot broeiplaats gekozen 
hadden; die holte was echter te naauw, om mijne hand door te laten; ik trachtte 
dus, door mijn arm door den hollen stam naar boven te steken, het nest van 
onderen te bereiken, waarin ik slaagde. Tot mijne verwondering vond ik nu een 
werkelijk nest van wortels , mos en haar , dat geheel en al de hoedanigheden 
van een verlaten Roodstaart-nest bezat. Vermits er echter geene eijeren in lagen, 
duwde ik het weder naar boven. Eene week daarna zag ik, geheel buiten ver- 
wachting, een der vogels uit het gat vliegen; ik haalde nu voorzigtig, even als 
den vorigen keer, het nest naar omlaag, en vond er vijf schoon glanzige eijeren 
in, waarvan de schalen zuiver wit, doch zoo dun waren, dat de dojer er door 
scheen. Ik nam de eijeren mede, en bragt het nest weder op zijne vorige plaats» 
De daarop volgende week waren er weder zes versche bij gelegd, en weder eene 
week later haalde ik er nog vier uit. Ziende dat de vogels met de meeste vastbe- 
radenheid weigerden van hunne woning afstand te doen, herhaalde ik mijne proef 
nogmaals, tien dagen later. Thans trof ik een der ouden (de moeder) op het nest aan; 
ik wilde ze nu, ten einde de eijeren niet te breken, er afjagen; doch de trouwe 
broeister bleef hardnekkig zitten, liet zich met haar nest door den hollen stam 
naar buiten halen en vloog toen eindelijk weg. Er lagen wederom zeven, ligt 
bebroeide eijeren in het nest. Op die wijze bekwam ik, van slechts één paar 
vogels, voor mijne collectie 22 eijeren". 

Dit is een treffend bewijs, hoe sterk vele vogels aan hunne eijeren verknocht 
zijn. Hetzelfde nam ik ook ten opzigte van onzen Spreeuw waar; ik liet echter 
de ongelukkige moeder haar laatste broeisel behouden, en ik geloof dat mr. 
Salmon wel ook zoo had mogen handelen , te meer daar hij toch voor zijne 
collectie wel niet zulk eene menigte eijeren van eene en dezelfde soort zal noodig 
gehad hebben. 

De Draaihals is schuw van aard en laat zich niet gemakkelijk vangen; men 
wordt hem dan ook zelden levend magtig. Trouwens komt hij ook nergens menig- 
vuldig voor. In het najaar, gedurende zijne zuidelijke togten, ziet men hem wel 
eens in gezelschap van Meezen, ook wel van Boomklevers of Spechtmeezen, en 



dan geraak! hij soms tegelijk met deze reisgenooten op lijmstokken of in slag- 
netjes. In den herfst gevangen zijnde, sterft hij echter meestal spoedig. Het best 
houdt men hem in 't leven door hem, jong gevangen, met gehakt vleesch en ei 
en veel insecten of miereneijeren te voeren. De kinderen der buitenlieden in vele 
streken van Frankrijk laten de jongen in het nest, totdat zij vliegen kunnen, en 
vangen ze dan door een netje voor het nesthol te plaatsen. Daar echter zulke 
jeugdige vogelhouders gewoonlijk niet weten, hoe zij de jongen moeten voeren, 
binden zij hun een koordje aan den poot, laten ze dan tegen kale boomstammen 
opklimmen, en halen ze dan weder onmeêdoogend terug, even als onze Hollandsche 
jongelui in het najaar vogels »op de kruk" aan koordjes laten uitvliegen, waarbij 
menigen Keep en Vink, als 't arme dier niet onmiddellijk door vermoeijenis er het 
leven bij inschiet, toch zeker de pooten uit het lijf worden gerukt, zoo hij al 
niet door het koord geworgd wordt. 

In de kooi is de Draaihals een zeer aardige vogel en, wegens zijne zonder- 
linge bewegingen, inderdaad eene curiositeit. Spoedig wordt hij mak en laat zich, 
als men hem daaraan gewent, in de hand nemen of in den zak stoppen, zonder 
eenige vrees te toonen. 

Men geve hem gekneusd hennepzaad, gehakt vleesch en ei, of het voor den 
Nachtegaal voorgeschreven voeder. Hij eet ook vlier-, moer- en andere bezien, 
doch geeft aan miereneijeren verreweg de voorkeur. 





V, ).::." 



DE WATERSPEEEUW. 

CINCLUS AQUATICUS. 



De Waterspreeuw, in het Fransch Mede d'eau, in het Duitsch Wasserstaar en 
in het Engelsch Waterousel genaamd, herinnert door zijne vormen aan de Rots- 
lijsters (Petrocincla), doch is veel korter van ligchaam. In zijne bewegingen heeft 
hij iets eigenaardigs, en in dat opzigt staat hij tusschen den Usvogel en den 
Kwikstaart in. Hij leeft namelijk nabij beken en stroomen, vliegt door het neer- 
stortende water van bergbronnen of watervallen, om de daarin aanwezige insecten 
te vangen, en loopt behendig over steenen in beken, even als de Kwikstaart dit 
langs de oevers der rivieren doet. In ons land vindt men hem vooral in Gelder- 
land, Overijssel en Groningen, doch in de kustprovinciën komt hij zelden voor. 
Zijn woongebied strekt zich verder uit over geheel Europa, het Noord-Oosten van 
Afrika en het Westen van Azië tot hoog in het Noorden. Hij bezoekt ook het 
gebergte tot duizenden voeten boven de oppervlakte der zee, en komt in de Sierra 
Nevada tot op 7000 voet hoogte voor. 

De Waterspreeuw is een van de belangrijkste vogels der schepping, daar hij 
vele eigenaardige bijzonderheden in zich vereenigt. Hij is overal een stand vogel, 
en kan het koudste klimaat verdragen; zelfs in het midden der strengste winters 
ziet men hem, den geheelen dag door, zich in het weinig overgebleven water en 
tusschen het ijs dompelen. Hij vliegt ongelooflijk snel door het bruisende water 
der stroomen, duikelt in het meer of de beek en kan, even als de Duik-Eend, 
wel twintig seconden onder water blijven. Blijkens menigvuldige waarnemingen, 
loopt hij ook op den bodem van ondiepe rivieren, en voedt zich met insecten, 
vischkuit of slakken, welke hij daar of tusschen het wier vindt. Onder water be- 
weegt hij zich hoofdzakelijk met de vleugels, en, daar zijn specifiek gewigt nage- 
noeg met dat van het water gelijkstaat, behoeft hij slechts zeer geringe krachts- 



inspanning' uit te oefenen, om te rijzen of te dalen. De volheid van zijn gevederte 
en het dikke dons, dat daaronder verborgen is, behoeden hem tegen natworden, 
zoodat hij na zijne veelvuldige baden telkens weer droog te voorschijn komt. 
Ofschoon zijne vleugels betrekkelijk kort zijn (alleen door de groote massa zijner 
lange veeren schijnt hij groot van stuk en zwaargebouwd) , vliegt hij toch bijzon- 
der snel en meestal regt vooruit, even als de Ijsvogel. Alvorens te duiken, spreidt 
hij de vleugels halverwege uit, en schiet dan schuins vooruit naar de diepte. 
Zijne krachtige, grove pooten stellen hem in staat, zeer schielijk te loopen of 
groote sprongen te maken. Zoolang hij zich op het drooge beweegt, loopt hij, 
met den staart wippende, of dien, even als de Sluiper, naar boven houdende, 
langs den oever, kruipt behendig in spleten van steenen of aardholen, of sluipt 
door en onder wortelen van groote boomen of ijsschotsen. 

Ofschoon hij bijzonder bewegelijk van aard is, vliegt of loopt hij zelden over 
verre afstanden; integendeel, zoolang hij niet gestoord wordt, blijft hij liefst 
zijn leven lang in dezelfde localiteit; zijne lievelingplekjes zijn dan ook zeer spoe- 
dig te herkennen aan de groote hoeveelheden witte, dunne uitwerpselen. Soms 
echter wordt hij door overstrooming of uitdrooging der beken gedwongen te ver- 
huizen, en dan vestigt hij zich in de eerste waterrijke streek, die hij ontmoet, 
en blijft daar zoolang deze hem eene rustige verblijfplaats aanbiedt. Zoo versche- 
nen er eenige jaren geleden twee Waterspreeuwen aan de bronnen van Baden- 
Baden, en begonnen daar onmiddellijk, tot groote verwondering van het publiek, 
hunne duikoperatiën, en plasten en baadden zich, alsof zij uren diep in het ge- 
bergte langs den eenzamen stroom woonden. Het duurde echter niet lang; want 
de bezoekers, die daar des zomers met hetzelfde doel als onze Waterspreeuwen 
kwamen , verdreven door hun steeds toenemend aantal de vogels van de plaats. 
Men ziet trouwens deze vogels zelden in bewoonde streken, en zij schuwen niet 
alleen den mensch, maar ook alle andere bezoekers, do gevederde niet uitge- 
zonderd. Het is dan ook zeer moeijelijk, hen lang waar te nemen; want naau- 
welijks hebben zij het dreigend gevaar of de tegenwoordigheid van den mensch 
ontdekt, of zij vliegen of duiken in allerijl naar hunne schuilhoeken. Kleine 
vogels, die zich toevallig op hun grondgebied bevinden, worden terstond door 
hen beetgepakt ot in het water geduwd. In het Engelsch weekblad the Field las 
ik onlangs dienaangaande het volgende: Zekere heer, die gewoonlijk zijne ochtend- 
wandeling ver uitstrekte, zag, nabij een kleinen stroom in Pembrokeshire, een 



Waterspreeuw, die met zijne gewone pijlsnelle vlugt voor hem uitschoot, doch, 
op het gezigt van een Roodborstje, plotselings van rigting veranderde en onver- 
wachts tegen dit onschuldig vogeltje aanvloog, en wel met zulk een vaart, dat 
het arme diertje in het water tuimelde. Daarmee nog niet tevreden, vloog de 
Waterspreeuw er weder op aan, pakte het. in den nek, en wilde er meê onder 
water duiken. Na eenige oogenblikken worstelens, verdwenen beiden in de diepte, 
en het Roodborstje zou zeker verdronken zijn, zoo niet de waarnemer van dit 
voorval, door zijn stok naar den aanvaller te werpen, dezen op de vlugt gejaagd 
had. Het Roodborstje slaagde er nu in, weder naar den oever te spartelen en 
zijn leven te redden. 

Andere schrijvers vermelden ook, dat de Waterspreeuwen op nagenoeg gelijke 
wijze zelfs hunne eigen jongen van zich afweren, zoodra zij meenen, dat dezen 
oud en sterk genoeg zijn geworden om in hun eigen onderhoud te kunnen 
voorzien. 

De Waterspreeuw bouwt een zeer groot nest, meestal van een dak of over- 
deksel van even grooten omvang voorzien. Als plaats voor den nestbouw, kiest 
hij meestal oude gaten van muren nabij het water, diepe holten in den grond of 
tusschen wortels, of ook wel de schoepen van oude of stilstaande molenraderen. 
Het nest is uit groen mos, doode bladeren en worteltjes vervaardigd, en het 
binnengedeelte, eene ruime, kogelronde holte, met dunne worteltjes en fijne gras- 
halmen belegd. De opening is op zijde aangebragt en dikwijls , vooral wanneer 
het nest diep ligt, zeer verre naar buiten uitgewerkt. 

De Waterspreeuw broeit tweemaal : in April en omstreeks het midden van Junij. 
Elk broeisel bevat 4 a 6 tamelijk afgeronde en geheel witte eijeren, welke door 
beide ouden worden uitgebroeid. De jongen hebben in hun eerste vederkleed 
de onderzijde geheel vuilwit, de bovendeelen bruingraauw, de keel wit en bijna 
onmerkbaar gevlekt, doch de geheele borstzijden van den nek en van het ligchaam 
zeer digt met zwart afgezet. Na den rui zijn zij nagenoeg aan de ouden gelijk, 
behalve dat de veeren hunner onderdeelen dan nog, even als de vleugelveêren, 
licht gerand zijn. De ouden verschillen niet in kleur, doch wel in grootte: het 
wijfje is namelijk iets kleiner. 

In Zweden, Noorwegen en het Noorden van Rusland leeft eene andere soort 
of variëteit met geheel donkerbruine onderdeelen. 

Het stemgeluid van den Waterspreeuw is zeer gevarieerd: nu eens zeer schel 



en knarsend, dan weder zacht en fluitend. Een loktoon schijnt het mannetje niet 
te uiten, doch het zingt gedurende het grootst gedeelte van den zomer. Zijn 
zang is het best te vergelijken met dien van den Zang- of, nog juister, met dien 
van den Mistellijster, doch is niet zoo geregeld van maat of toon, en dus meer 
afwisselend in kracht en uitdrukking. 

Het is zeer moeijelijk , dezen vogel in het leven te houden. Zoodra hij gevangen 
is, geraakt hij aan het kwijnen, en, ofschoon niet ongeneigd om het hem voor-, 
gezette voeder op te pikken, sterft hij toch meestal binnen eenige dagen. Te regt 
merkt Brehm dan ook aan: »Het water is hem te zeer eene behoefte, dan dat 
hij het zou kunnen missen. Het water moet hem het wiegelied zingen en zijn 
gezang begeleiden; als hij het bruisen der beek niet meer hoort, verkwijnt hij, 
en gaat spoedig den dood te gemoet". Ik heb evenwel gelegenheid gehad, den 
Waterspreeuw in gevangenschap waar te nemen; 't is waar dat zijne gevangenis, 
eene volière, zeer ruim en van een bassin voorzien was. Ook in den zoölogischen 
tuin te Londen heeft men er geruimen tijd een Waterspreeuw op nagehouden. 
Deze werd daar, even als de overige bewoners derzelfde volière, gevoerd met 
stukjes vleesch, gehakt ei en meel wormen. 







/. 



DE KERSENDIEF. 

HYPOLAIS ICTERINA. 



Van de vele gevederde zomergasten, die onze tuinen bezoeken, is er zeker 
geen, die rneer de algemeene aandacht en bewondering verdient, dan de Kersendief. 
Hij is de vóórzanger en tevens de nazanger onder het kleine gevogelte; hij zingt 
dan ook het duidelijkst en het langst en bezit het meest buigzame stemorgaan; 
daarbij bootst hij de geluiden van andere vogels na, en is dus een ware spotvogel. 
Wegens deze laatste hoedanigheid wordt hij in vele streken ook Spotvogel genoemd, 
terwijl hij, dank zij zijner algemeene bekendheid, nog tal van andere namen en 
titels draagt, zoo als Geelborstje, Tuinzanger, Slijper, Zomerzanger, Taaimannetje, 
Zangmeester, en waarschijnlijk nog vele andere meer 

De Duitschers kennen hem als Gelbe Spottvógel en Gartensdngér ; de Franschen 
als Grand Pouillot en Polyglotte, en, ofschoon zijne verschijning in Engeland als 
eene zeldzaamheid mag beschouwd worden, is hij echter ook daar als zanger 
beroemd en als Melodious WiMow Wren bekend. 

Waar tuinen zijn, daar hoort men ook den Kersendief. Zoodra de natuur 
weer tot leven is teruggekeerd en de bloesem voor jonge bladeren plaats maakt, 
komt deze zanger tot ons over en verkondigt zijne tegenwoordigheid door vrolijk 
gekwetter en liefelijk gekweel. Omstreeks de eerste week van Mei hooren wij hem 
reeds in de boomgaarden, en twee of drie dagen later in de tuinen der steden; 
als het weder warm en het groen vroeg ontloken is, zien wij hem soms nog 
vroeger, doch nooit vóór 25 April, en ook zelden later dan 25 Augustus. Mannetje 
en wijfje verschijnen gelijktijdig en zijn ook meestal reeds gepaard, zoodat zij 
reeds eenige dagen na hunne overkomst beginnen te nestelen. Zij keeren gewoonlijk 
naar eene vroeger betrokken broeiplaats terug, doch maken telkens een nieuw 
nest, ofschoon de bouwstoffen van het oude, waarschijnlijk om tijd en moeite te 



sparen, wel eens voor het nieuwe worden gebezigd. Hoe en waarvan het echter 
moge zamengesteld zijn, het blijft het fraaiste vogelnestje, dat men zich kan 
voorstellen: een waar model-nest. Keurig net, juist afgemeten, zuiver van omtrek 
en lijnen, en zoo glad als ware het met eene schaar bijgeknipt; daarbij uit zacht 
groen mos, worteltjes, haar en spinnewebben vervaardigd, en met de rozeroode 
eitjes er in, ziet het er uit als, ja, als geschilderd. Dit fraaije nestje ligt op en 
tusschen takjes van heesters, vooral van meidoorn en vlier, of in vruchtboomen 
in boomgaarden, meestal 5 a 13 voet boven den grond, veilig in het groen ver- 
borgen. 

Het aantal eitjes is 4 a 6; zooals we reeds zeiden, zijn ze licht rosé, en 
over de geheele schaal met bruine stipjes als besprenkeld. Het wijfje wordt nu 
en dan door haar luidruchtigen gemaal in het broeijen afgelost, doch deze zit 
liever op de takken, dan op het nest, hoe schoon dit ook zij, en hij schijnt dan 
ook slechts fatsoenshalve zijn deel in 't broeijen te nemen; althans, zoodra hij 
zich op 't nest heeft neergezet, is zijn vrolijk liedje uit, en geen noot laat hij 
meer hooren. 

Eenige jaren geleden ontdekte ik een nest in een perenboom, langs eene 
doornheg; het was de laatste boom uit den boomgaard en stond ook min of meer 
afzonderlijk; de heg stond eenige voeten hooger, zoodat ik door het dunne struik- 
gewas op het nest van den Kersendief kon zien, zonder door den broeijenden vogel 
bemerkt te worden. Dit hoekje werd ook door een mijner vrienden bezocht, en 
wij gingen er beurtelings heen, en deelden elkander de door ons waargenomen 
bijzonderheden mede. Mijn vriend had op zekeren ochtend opgemerkt, dat de 
ouden op en langs den grond heen en weer vlogen, en dat, naar het hem toe- 
scheen, hunne jongen uit het nest gevallen waren. Wij hadden echter geen toe- 
gang tot den boomgaard , en konden dus de zaak niet verder onderzoeken ; doch 
dienzelfden dag ging ik er zelf heen en bemerkte nu, dat het nest nog op dezelfde 
takjes lag en dat een der ouden er op zat. Onze opmerkingen waren dus eenig- 
zins tegenstrijdig, en toch hadden we beiden goed gezien. Tegen den avond, toen 
de landlieden waren vertrokken, kropen we door de heg, en zagen nu twee 
doode jongen op den grond liggen. Wij namen hierop het nest in bezit, en vonden 
er een grooteren jongen vogel in. Beide ouden vlogen ons eenige schreden na, 
en bewezen door hun klagend geluid, dat het verlies van den nog eenig overge- 
blevene hun zeer ter harte ging. Toch hadden wij den armen ouden eene groote 



dienst bewezen (als men het zoo noemen mag; want we hadden ons tegen de 
wetten der natuur verzet), daar hel jong, dat in het nest was overgebleven, geen 
jeugdig Kersendiefje, maar een jonge Koekoek was. 

Daar de Kersendief schier overal in groote tuinen en langs wandelplaatsen 
nestelt en volstrekt niet schuw is, valt het zelden moeijelijk, zijn nest te ontdekken, 
en, als men de broeijende vogels bedaard nadert en hen niet stoort of beangst 
maakt, kan men hen zeer goed in hun huwelijksleven gadeslaan. Zij broeijen 
slechts eenmaal gedurende den zomer, doch soms zeer laat in het seizoen. Ik 
heb sedert eenige jaren waargenomen, dat de paren, die nabij steden broeijen, 
dit in den regel later doen dan die, welke in afgelegen streken huisvesten, en 
meen dit te kunnen toeschrijven aan de bijzonderheid, dat door het uitbreiden 
der steden de tuinen en buitenwijken langzamerhand voor huizen moeten plaats 
maken, zoodat de vogels, die vroeger in die tuinen een veilig oord vonden of, 
zoo als de Kersendief, dadelijk met den nestbouw konden beginnen, nu eerst 
eene nieuwe localiteit moeten opzoeken en daardoor veel tijd verliezen. 

Behalve in Nederland, broeit de Kersendief in geheel gematigd Europa , behalve 
in Engeland, waar hij slechts nu en dan verschijnt. In het zuidelijk en oostelijk 
gedeelte van ons werelddeel wordt hij door de verwante Hyp. (Froedula) poly- 
glotte, Hyp. elaiea en Hyp. olivetorum vervangen. Des winters vertoeft hij in 
Noord-Afrika en wordt ook aan de Kaap de Goede Hoop gevonden, van waar hij 
om te broeijen naar het warmere, meer noordelijk gelegen binnenland trekt; deze 
vogels trekken dus in het Zuiden in eene rigting, tegenovergesteld aan die, waarin 
de hier te lande broeijende vogelsoorten henentrekken. Het is overigens een alge- 
meen aangenomen feit, dat de in Zuid-Afrika levende vogelsoorten, welke tevens 
tot de Europesche fauna behooren, daar standvogels zijn en niet uit Europa zoo 
ver zuidwaarts zijn heengetrokken. 

Er bestaat bij den Kersendief slechts een zeer gering uiterlijk verschil tussc.hen 
de seksen, dit namelijk, dat bij de mannetjes het gele der onderdeden iets fraaijer 
van tint is. Ook de jongen verschillen weinig of niet van hunne ouders; alleen 
hebben zij de bovendeelen grijzer en de onderdeelen meer naar het licht okergele 
trekkende. 

Behalve door zijn krachtig en afwisselend stemgeluid, onderscheidt de Kersen- 
dief zich van de in kleur verwante Bosch-, Zomer- en Lentezangers door zijn breeden, 
zwaren snavel, die van binnen helder oranje is, door zijne grijze pooten en ook 



door zijne meerdere grootte. In vorm en bewegingen nadert hij zoowel de Vliegen- 
vangers (Muscicasia) als de Rietzangers (Calamodyta) , en ook zijn zonderlinge, 
kakelende en scherpluidende zang herinnert aan het geluid der Karekieten en is, 
wel beschouwd, slechts eene perfectie daarvan. Wel is waar zingt de Kersendief 
een meer harmonisch lied en bootst hij ook de geluiden van andere vogels na, 
doch de maat en ook de toonaard van beide vogelsoorten is toch duidelijk aan 
elkaêr gelijk of' minstens verwant. De loktoon van den Kersendief luidt als: r>tèk, 
tèktèk, tèkteroe-ieC (de oe zeer verlengd). Angst en woede geeft hij te kennen door 
een scherp ^chèt-tèu" (de laatste syllabe eenigzins luider en meer gerekt). Wat 
zijn zang betreft, deze, ofschoon zeer gevarieerd en afwisselend, is niettemin 
gemakkelijk te beschrijven, daar het slechts variatiën op een en hetzelfde thema 
zijn. Wie het eens hoorde, herkent het onmiddellijk, en wij durven zeggen, dat 
iedereen, die zich in het bezit van een tuin verheugt of gelegenheid heeft om 
wandelingen naar buiten te maken, den zang van onzen Kersendief uit het hoofd 
kent. Alleen voor de weinigen, die dezen vrolijken zanger nooit mogten gehoord 
hebben, willen we zijn liedje zoo duidelijk mogelijk in syllaben uitdrukken: »tèk 
tèdik te gu ie , te gu , te gu, te gu , te gu ie , kiedekiet , te kuie sekie sekie , se , 
kwiet-kwiettriek-te chrikchrik chrik se-gu-ie se-gu-ie-tettet , te ddk-teddk tedèk". De 
hoofdtoon, welke het duidelijkst hoorbaar is en dezen zanger te midden van het 
geheele vogelenkoor doet onderscheiden, is het scherp slijpende en gerekte »se- 
gu-ie, se-gu-ie" '. Daarbij komen dan nog de menigte geluiden, die op onregel- 
matige wijze onder den zang worden gemengd, b. v., nabootsingen van het gedruis, 
dat de Eenden met de vleugels maken (het zoogenaamde «wiek slaan"), van het 
gekraak van molenwieken, en andere meer, afwisselende naar gelang van de 
localiteit, die de zanger bewoont. Ook het lokgeluid van Marel (Limosa) en 
Meezen neemt hij in zijn zang op ; soms ook bootst hij het gewoon geroep van 
den Wielewaal en het gekras van den Gaai zeer duidelijk na; doch al deze 
verschillende geluiden worden steeds met den zang zelf aaneengeschakeld en niet 
afzonderlijk voortgebragt, zoo als dit van de Amerikaansche Spotlijster (Mirinus) 
is opgemerkt. 

Jonge mannetjes zingen reeds eenige weken nadat zij vliegen kunnen en lang 
vóórdat zij van hier wegtrekken. Ik heb dikwijls met welbehagen naar zulk een 
jeugdig koor geluisterd. Als het warm weder is en de kleine muziekanten onder 
het loof verscholen zitten, kan men ze voorzigtig naderen; doch de ouden waar- 



schuwen hen onmiddellijk voor het naderend gevaar, en dan stuiven zij als 
muizen uit elkaêr en houden u zeer wel in het oog. 

De Kersendief voedt zich met insecten en bezien. Zeer kleine insecten of' in- 
secteneijeren eet hij echter niet, en dit is dan ook de reden, waarom hij eerst 
zoo laat bij ons aankomt; immers, tegen den tijd, waarop hij in onze tuinen ver- 
schijnt, zijn de rupsen reeds groot en menigvuldig, en zoo vindt hij dan zijn 
voedsel geheel gereed. Spinnen, lawen, vliegen en muggen maken zijn hoofd- 
voedsel uit; hij vangt, veel vliegende insecten in de vlugt, maar pikt ook de rijpe 
bezien zeer behendig en vrij gulzig tusschen de bladeren weg; niet minder gaarne 
bijt hij rijpe kersen stuk, en dan doet hij zich terdege te goed aan de sappige 
vrucht, waarvan hij het vleesch zoo ver wegpikt, dat alleen de steen overblijft; 
vandaar dat men hem in vele streken niet alleen Kersendief, maar ook Kersen- 
pikker noemt. 

Men kan hem gevangen houden, doch dit vereischt veel zorg en oplettend- 
heid, daar het een bijzonder zwakke vogel is. Oud-gevangenen hebben vooral 
eene zorgvuldige behandeling noodig, terwijl te jonge voorwerpen zelden langer 
dan eenige weken in het leven blijven. De geschiktste tijdstippen om ze te vangen 
zijn die waarop zij bij ons komen, en die waarop zij ons weder verlaten. Daar 
zij zeer nieuwsgierige vogels zijn en daarenboven veel gevoel voor muziek, 
vooral voor de toonen der fluit, aan den dag leggen, kan men hen zeer gemak- 
kelijk uit hunne schuilhoeken naar lijmstokken lokken, door eenige toonen van 
hun zang fluitende na te bootsen. Zij volgen dan dikwijls den speler of fluiter 
een heel eind weegs, en concerten in parken of diergaarden trekken steeds hunne 
aandacht en tegenwoordigheid. Ik heb hen dikwijls verschalkt, door eenige met 
lijmtakjes voorziene stokken op eenigen afstand van de dagelijks door hen 
bezochte boomen te plaatsen en dan door te fluiten hunne opmerkzaamheid gaande 
te maken; alras volgde dan de zanger mij tot aan den laatsten, of den digtst bij 
de lijmstokken geplaatsten boom; en nu , achter deze stokken in een heester 
verborgen, lokte ik den zanger ook op de lijmstokjes. Later deed ik het op nog 
zonderlinger wijze. Nabij Rotterdam, op eene buitenplaats, hoorde ik vele dezer 
vogels in de heesters, en een hunner plukte herhaaldelijk de vruchten van een aal- 
bessenboom, die zeer digt bij hel venster der tuinierswoning stond. Toevallig zat 
ik daar voor het raam, en kwam op het idee, om in het voor dat venster aan- 
wezige bloemhek eenige lijmhoutjes te bevestigen en den zang van den vogel na 



te fluiten; zoodra dan ook deze zich liet hooren, bootste ik zoo goed mogelijk 
zijn lokgeluid na, en bemerkte dat de vogel steeds nader kwam; op eens verscheen 
de nieuwsgierige zanger in het bloemhek, en was weldra, na eenige sprongen 
door de bloemen gemaakt te hebben , op een der lijmtakjes vastgeraakt en 
gevangen. De Kersendief is trouwens de eenige der bij ons levende vogels, die 
zich op zoodanige wijze laat verschalken. 

In tropische gewesten kan men vele vogels op nog eenvoudiger wijze bemag- 
tigen, door ze alleen na te fluiten en daarbij met een lijmstokje in de hand 
gereed te staan, om daarmede, zoodra de nieuwsgierige vogels in het bereik 
gekomen zijn, hun even een tikje te geven. Men kan den Kersendief ook in 
knipkooitjes vangen, met levende meelwormen of eene groote vlieg als lokaas. 
Zoodra er een gevangen is, moet men zorg dragen, dat hij onmiddellijk m eene 
daarvoor in gereedheid gebragte kooi opgenomen en in een rustig hoekje geplaatst 
wordt, in eene stille kamer, waar vooral niet mag gerookt worden. Miereneijeren 
en stukgeknipte meelwormen moeten reeds op den bodem zijner nieuwe woning 
gereed liggen. De meest geschikte plaats voor de kooi is vóór het raam, als zich 
daar een bloemhek bevindt of als het zoo hoog gelegen is, dat de gevangen 
vogel niet. door het verkeer met de buitenwereld gestoord wordt. Na eenige 
oogenblikken aarzelens begint hij dan het smakelijk maal op te pikken , en zet zich 
vervolgens op een der ruststokjes neer. Eet hij echter niet, en zet hij de veeren 
uit, dan geve men hem maar liever dadelijk de vrijheid weder; want dan is het 
zoo goed als zeker, dat hij het slechts weinige uren meer in de gevangenschap 
kan uithouden. Toont hij daarentegen lust in de hem voorgezette spijs , dan geve 
men hem gedurende de eerste drie of vier dagen alleen insectenvoêr, en menge 
er van lieverlede gehakt ei met beschuitkruimels en later het voor den Nachtegaal 
opgegeven voeder door. Versche bezien, of wat zoete witte wijn in zijn drink- 
water, zijn hein even aangenaam als noodig. Na den ruitijd (September) 
brenge men hem in een warm vertrek of, nog beter, in de broeikas of oranjerie; 
koude en een langdurig vochtige atmospheer zijn, even als tabaksrook, voor 
dezen vogel doodelijk. Zelden houdt men hem langer dan één zomer. Heeft men 
dan ook geen gelegenheid om dit lieve diertje voor den winter eene geschikte 
localiteit te bezorgen, dan geve men het liever in het vroege najaar de vrijheid 
terug, daar het anders zeker den dood te gemoet gaat. 




i ,. ■] ast 



e //r/s/r:; 



r rr 



p w M '.■ 



v i 



DE HEIDEZANGER. 

CALAMODYTA LOCUSTELLA. 



De hier beschreven vogel wordt gewoonlijk , mijns inziens echter verkeerdelijk , 
Sprinkhaan-Rietzanger genoemd. De naam »Heidezanger" is slechts een hem door 
mij toegedachte titel, dien ik gemeend heb boven den straks genoemden te 
moeten verkiezen. Immers is de hier bedoelde vogel geen Rietzanger ; integendeel , 
hij leeft verre van het riet, in drooge streken, in de heesters der tuinen, op de 
vlakten, maar vooral op de heide. 

Blijkbaar heeft zijn gezang of gewoon geroep, dat volgens sommigen eenige 
overeenkomst met het geluid der Sprinkhanen moet hebben, tot het scheppen 
van dien onjuisten naam aanleiding gegeven. Beter ware 't echter geweest, dat 
men hem, even als in Engeland, waar hij Grashopper- tvarbler heet, eenvoudig 
sSprinkhaan-zanger" had genoemd, zonder bij dien naam qualiteiten aan te 
duiden, die dezen vogel evenmin als den Boschrietzanger van nature eigen zijn. 

De Heidezanger bewoont gematigd Europa en Midden-Azië. Hier te lande 
verschijnt hij in de laatste dagen van April, om in September weder, tot Noord- 
Afrika, heen te trekken, terwijl, even als hoogstwaarschijnlijk met alle Aziatische 
trekvogels het geval zal zijn, ook de aldaar gebroeid hebbende voorwerpen verder 
zuidwaarts trekken. 

Er bestaat bij dezen vogel geen uiterlijk verschil tusschen de seksen, ofschoon 
men zeer veel onderlinge afwijkingen in kleur of tint onder de verschillende 
voorwerpen kan opmerken. De jongen zijn echter steeds te herkennen aan hun 
los gevederte, dat echter zeer glanzig aan de onderdeelen is, en vooral aan de 
meer duidelijke zoomen der rug- en vleugelveêren. Onder de ouden vindt men er 
met eene bruine of geelbruine, en anderen met eene licht olijf bruine grondkleur. 
Aanvankelijk meende ik, dat deze kleurwijzigingen aan het seizoen of aan eenige 



bijzonderheden, met de verblijfplaats des vogels in verband staande, moesten 
toegeschreven worden; ik kwam echter later van die meening terug, toen ik 
bevonden had, dat twee voorwerpen, beiden mannetjes, welke juist van veder- 
kleed verwisseld hadden en gelijktijdig op den najaarstrek gevangen waren, even- 
zeer verschilden. Overigens doet zich ditzelfde verschijnsel ook voor bij den 
Winterzanger (Ace. modularis), den Sluiper (Trogl. europaea) en de Leeuwerikken. 
Gewoonlijk wordt de Heidezanger geheel over het hoofd gezien, doordien 
hij een zoo nederig kleedje draagt, zoodat men hem alligt met andere graauwe 
zangers verwart. Dit gebeurde ook mij. Voor eenige jaren, des zomers van eene 
ochtendwandeling in de schaduw van een doornstruik uitrustende, zag ik in het 
verdroogde gras een klein vogeltje , dat zich tegen de halmen op bewoog en 
telkens een zacht slepend geluid deed hooren. Ik meende eerst, dat het een 
Winterzanger was; toen het echter meer nabij kwam, hield ik het voor een 
Boomkruiper, doch het verwonderde mij tevens, zulk een vogel in de vlakte aan 
te treffen. Ik had nog nooit den Heidezanger levend gezien, en dacht er ook 
volstrekt niet aan, hem hier te zullen ontmoeten; ook herinnerde ik mij eerst 
later, dat het deze vogel moest geweest zijn. Ik ging dus den daaropvolgenden 
ochtend weer naar dezelfde plaats, en vond nu twee zulke vogeltjes, langs het 
lage dennenhout, digt boven den grond voortvliegen, totdat beiden in een braam- 
beziënstruik verdwenen. Ik liep er rond, doch zij kwamen er niet uit; mijne 
tegenwoordigheid scheen hen te verontrusten ; althans eensklaps schoot er een 
strijkelings langs mij heen, en zette zich in mijne nabijheid op een dennentak 
neder; hij bleef daar zitten met uitgespreiden staart, en liet. de vleugels zachtkens 
trillen, als ware hij ongesteld. Het lieve diertje wilde mij verschalken, en ik 
naderde dus zeer voorzigtig, alleen om hem eens terdege te beschouwen. Bij 
den struik teruggekomen, bevond ik, dat het andere vogeltje verdwenen was, 
doch ontdekte zijn, of liever, haar nestje tusschen de bladeren. Ik wilde het niet 
verstoren, en evenmin waagde ik mijne handen aan de doorntakken ; met behulp 
mijner handschoenen echter kon ik de bladeren boven het nest op zijde schuiven, 
en zag toen, dat er twee eitjes in lagen. Het kwam mij voor, dat ze zeer klein 
waren; ze hadden een licht rozenroode grondkleur, met donkere spikkeltjes, en 
herinnerden mij aan de eijeren van onzen Boschzanger en Spotvogel, hoewel de 
vlekjes minder talrijk en iets grooter waren. Daar echter het nestje in de 
schaduw onder het digte gebladerte lag, kon ik de kleur niet juist bepalen; doch 



de grootte en kleurteekening kwamen geheel overeen met die der later uit 
collectiën door mij onderzochte eijeren. Het nest was rond en klein, had ongeveer 
den vorm van dat van den Zwartkop of Tuinzanger, en ik kon er vooral groene 
korstmos in ontdekken; het scheen dan ook hoofdzakelijk vervaardigd uit lange 
mossen, zooals we die op de in drooge zand- of heidevlakten groeijende dennen 
aantreffen. Eenige dagen later vond ik er zes eijeren in, en de volgende week 
zag ik een der ouden op het nest, doch liet die lieve diertjes ongestoord. Het 
mannetje was weder in de nabijheid en sloop gelijk een muis (zoo als ook Winter- 
zanger en Sluiper doen) regt vooruit langs den grond, telkens rustende, en dan 
weer met een ruk tot op eenige ellen beurtelings links of in eene regte lijn 
voortschietende. Ik hoorde bij deze gelegenheid alleen het gewoon geroep , maar 
niet den naar het geluid van den Sprinkhaan zweemenden zang, dien men het 
mannetje toeschrijft; later evenwel heb ik daar met aandacht naar geluisterd, en 
ik kan het niet anders beschrijven, dan als eene opeenvolging van zijn gewoon 
geroep, luidende als de syllabe i>tsie-tsie-tsié" , zeer zacht doch schielijk uitgedrukt. 

Later heb ik deze vogeltjes herhaaldelijk op de heidevlakten nabij de kleine 
steden in Noord-Braband en ook in Gelderland ontmoet. Op eene der groote 
vlakten in den omtrek van het dorp Campo-lida, nabij Lissabon, zag ik er in 
Februarij eenigen in de olijfboomen langs den straatweg. Verschillende natuur- 
kundigen hebben deze vogeltjes ook in Palestina en Egypte, en zelfs in Abyssinië, 
aangetroffen. 

Hun voedsel bestaat uit kleine insecten, en men kan ze in gevangenschap 
ook met het voor den Nachtegaal voorgeschreven voeder in het leven houden; zij 
vereischen echter veel oplettendheid, en leven zelden langer dan één zomer, 
tenzij men ze tegen het najaar in eene verwarmde volière kan overbrengen. 




I :. 



/v/Y;, 'rs ;///<■ ?' 



DE KIETZANGEE. 

CALAMOHERPE ARUNDINACEA. 



De hier afgebeelde vogel wordt, wegens zijne bijzondere overeenkomst in 
kleur en verdere eigenschappen met den Grooten Karekiet (C. turdoides), door 
sommigen ook Kleine Karekiet genoemd. Ik heb echter gemeend, dien naam veeleer 
te moeten toekennen aan de Gestreepte soort (C. phragmitis), en wel omdat deze 
in zang en levenswijze nog meer, dan de hier afgebeelde soort, met den Grooten 
Karekiet overeenstemt. Ook de Engelsche ornithologen hebben de Groote met de 
Gestreepte soort te zamen gebragt en de eerste de Greater ledge warbler, de 
tweede Ledge warbler genoemd. 

Men vindt den Rietzanger — de later ingevoerde lange lijst van synoniemen 
wenschen we hier niet op te sommen — ook als Calamodyta strepera en Acroce- 
phala arundinacea beschreven. 

De Rietzanger, dien we bij de beschrijving van den Oeverzanger reeds vermeld 
hebben, leeft, behalve aan onze nog overblijvende meren, ook in het riet langs 
kanalen en slooten, doch broeit steeds in het riet en meestal in het digtste gedeelte 
der rietbedden. Gedurende den broeitijd verlaat hij die plaatsen zelden; doch vóór 
en na dien tijd ziet men hem ook langs het water in wilgen en elzen, of nabij 
den grond in het hooge gras. Onder het wegtrekken bezoekt hij ook drooge 
streken, en wordt dan dikwijls in tuinen of op bouwlanden waargenomen. Hij 
komt ongeveer veertien dagen vóór den Oeverzanger, en blijft ook eenige dagen 
langer dan deze. 

Zijn nest hecht hij aan het riet, namelijk aan drie of meer stengels, vast, en 
stelt dit op nagenoeg gelijke wijze zamen, als dat van den Grooten Karekiet. Hij 
begint reeds in de eerste helft van Mei den nestbouw, en legt de eerste bouw- 
stoffen, mosdraden, wier en gras, op 3 a 5 voet boven de oppervlakte van het 



water aan. Na 15 a 20 dagen is zijn woning gereed, doch ze ligt dan meestal 
een halven voet hooger, dan tijdens haar aanvang, daar zij natuurlijk, gedurende 
hare voltooijing, tegelijk met het groeijende riet, gerezen is. Dit nest heeft den 
vorm van dat van den Grooten Karekiet, doch is veel kleiner en zelden zoo net 
afgewerkt. De eijeren, die echter geringe afwijkingen van grondkleur aanbieden, 
zijn, wat kleurteekening betreft, aan die van zijn grooteren soortverwant gelijk, 
doch kleiner. Omstreeks het einde van Mei of het begin van Junij komen de 
jongen te voorschijn, die reeds na 15 a 18 dagen uitvliegen, doch nog tot het 
einde van Julij in het riet blijven. 

Het is zeer moeijelijk, de jongen, als zij eenmaal vliegen, te ontdekken, 
daar zij, bij den minsten schijn van gevaar, als muizen naar beneden en tusschen 
het riet in verschillende rigtingen wegschieten, terwijl de ouden hun kroost 
waarschuwen door een scherp en schielijk herhaald vchè — chè", een nijd of angst 
verradend geluid, dat wel wat naar den loktoon van den Nachtegaal gelijkt. Ik 
heb echter dikwijls gelegenheid gehad, hen uren lang van nabij gade te slaan, en 
mijne tegenwoordigheid scheen hen op 't laatst niet hinderlijk te zijn; alleen 
hielden zij een wakend oog op mijne bewegingen. Nooit zag ik de ouden, of zij 
zongen en kweelden; alleen onder het voederen der jongen hielden zij zich stil; 
doch naauwelijks was hun snavel door het hongerige kroost geledigd, of voort 
vlogen zij en hieven onmiddellijk weer hun vrolijk gekwaak aan. 

Het is ook zeer moeijelijk, hun geluid duidelijk te vernemen, daar men er 
meestal velen tegelijk of den zang van andere vogeltjes er tusschen hoort. Ik meen 
echter te kunnen verzekeren, dat beide ouden zingen; ik merkte althans op, dat 
twee voorwerpen, die telkens hunne jongen kwamen voeren, gelijktijdig zongen 
en zwegen; er waren toen geen andere Rietzangers in hetzelfde, rietbed, en ik 
ben er zeker van, dat beide zingende vogels gepaard waren; want zij kwamen 
digt langs mijne boot en schoten beiden gelijktijdig naar hun nest, waarbij ik 
hen geen oogenblik uit het oog verloor. 

Brehm zegt, of liever, maakt de geestige onderstelling, dat de Rietzangers 
geen andere zangmeesters hadden, dan de kikvorschen. Nu, als dit zoo is, dan 
hebben de kleine zangers hunne lessen zeer ter harte genomen; want zij over- 
treffen hun meester zoowel in kracht als in welluidendheid van zang. Men hoort 
hen zelfs bij nacht, zelden echter gedurende het midden van den dag, doch 
Wel nog laat in den namiddag. Tegen zonsopgang zijn zij het meest tot zingen 



geneigd, en slaan dan onvermoeid tot tegen 40 of 11 ure door. Ik laat den zang, 
voor zooverre het mogelijk is dien te beschrijven, hier volgen: vtritterit, terit- 
terit, teritie-tritie , kedde keddekedde, zie-gie-chie-chèkke , chèkke-chèdegek , terre- 
terre-trit". Het herinnert aan den groven zang van den Grooten Karekiet, doch 
is zwakker van geluid. 

Men kan, bij zorgvuldige behandeling, alle Rietzangersoorten in het leven 
houden met miereneijeren , meelwormen en het voor den Nachtegaal voorgeschre- 
ven voeder. Zij verlangen groote, ruime kooijen; met netwerk bedekte manden, 
zoo als men die voor Lijsters en Duiven bezigt, zijn nog verkieslijker, en, gelijk 
wel van zelf spreekt, is eene ruime volière met een zinken bak of lade vol 
water, met levend riet en waterplanten daarin, het best geschikt. 

Men vangt ze, even als den Kleinen Karekiet, met palingfuikjes, strikjes en 
vogellijm. 

Eene donkerder gekleurde, doch verwante vogel is de Nachtegaal-Rietzanger 
of, zoo als de buitenlieden hem noemen, de Snor of Snar. Dit is de C. luscini- 
oïdes of C. pseudoluscinius, welke sedert de laatste jaren zeer in aantal is vermin- 
derd; waarschijnlijk is zij, tengevolge van het druk bevaren onzer rivieren, naar 
rustiger oorden verhuisd. Deze soort bewoont dan ook het riet langs stroo- 
mend water, en is zeldzamer nabij stille meren of slooten. Zij is een wéinig- 
donkerder gekleurd, dan de hier afgebeelde, ook iets grooter, en vooral kennelijk 
aan hare verlengde onderste staartdekveêren, welke, even als die van den Heide- 
zanger (C. locustella), bijna tot het einde der staartpennen reiken. 

Deze vogel maakt een breed, los en zeer zonderling nest, geheel van dat der 
overige bij ons levende Rietzangers verschillende. Het bestaat namelijk uit doode 
biezen of rietbladen, welke kruiselings over elkander geweven zijn en het nest 
het voorkomen geven, alsof het door eene ongeoefende menschenhand gemaakt 
ware. Meestal bouwt hij het op zoodanige plaatsen, waar het riet, nabij den 
oever, met convolvulus, zoogenaamd kleefkruid, of andere digt en wildgroeijende 
planten vermengd is. De 4 a 6 eijeren zijn vuilwit, met graauwe en zwarte 
vlekken, welke aan de stompe zijde grooter zijn en soms in een kring zamen- 
vloeijen. Ik heb eens aan de rivier de Maas, nabij Charlois, een nest dezer soort 
met 4 zeer weinig gevlekte eijeren gevonden. 

Het stemgeluid dezer soort is grof en zwaar, een snorrend » Chir-chirr-kerr , 
zur-zur-zur, rur-rur-rur" ; men krijgt het echter schaars te hooren, en daaren- 



boven komt de zanger zelden uit het digte groen te voorschijn, zoodat men ook 
weinig kans heeft, hem te zien te krijgen. Trouwens, gelijk we straks reeds 
opmerkten, is deze vogelsoort sedert de laatste jaren hier te lande al meer en 
meer zeldzaam geworden; vandaar dat men thans het nest met eijeren gaarne 
met 7 a 10 gulden en den vogel, in huid, met 5 a 6 gulden betaalt. 

Eene andere aan de Oever- en Rietzangers verwante soort is de Flussrohr- 
sdnger der Duitschers (C. fluviatüis), welke aan de Donau en soms in Duitsch- 
land, doch nog niet in Nederland is waargenomen. 




J G "ReuLemans , ad nat 



' e Av/v;/< /c.a?'7 r -e> 



rag esc 



DE KLEINE KAREKIET. 

CALAMODYTA PHRAGMITIS. 



De Kleine Karekiet, een in Midden-Europa algemeene Rietzanger, onderscheidt 
zich van de andere tot dezelfde orde behoorende vogels door zijn duidelijk en 
helder geteekend gevederte. De lichte streep boven het oog, het zachte wil der 
keel en de over den geheelen rug licht gerande veeren maken hem dan ook tot 
den fraaiste onder de leden zijner zoo eenvoudig gekleede familie. Zijne levens- 
wijze komt in vele opzigten met die van den Grooten Karekiet overeen, en het 
verschil tusschen. beiden bestaat alleen in grootte en kleur. Hij bewoont dezelfde 
streken, bouwt een kleiner, doch gelijkvormig nest, in dezelfde localiteiten, 
namelijk, in of langs hel riet der moerassen; legt vuil groenachtig witte, donker 
gevlekte eijeren, en zingt een even eentoonig, doch ook even vrolijk liedje. 

De Kleine Karekiet was voorheen in de provincie Zuid-Holland ruim ver- 
tegenwoordigd; thans is hij in ons land schaarsch. Hij is in het meer of het 
moeras, wat de Mees of Roodborst in den tuin, de Spreeuw op de boerderij 
en de Wielewaal in het bosch is: de hoofdzanger onder het gevogelte Men hoort 
hem van het begin van Mei tot het einde van Augustus. In sommige stre- 
ken — even als voorheen ook hier te lande — zijn de rietbedden langs de 
meren dikwijls zoo druk door broeijende paren dezer soort bezocht, dat men 
op elke 25 a 30 voet oppervlakte een nest ziet of de ouden hoort. In den och- 
tendstond maken zij gezamenlijk een vreeselijk geratel en gesnater, waarbij zij 
meestal door kwakende kikvorschen en luidruchtige Spreeuwenbenden geaccom- 
pagneerd worden. Hoe dikwijls en met hoe veel genoegen heb ik daarnaar geluis- 
terd! en hoe gaarne zou ik het nog eens hooren, dat levendige, rustelooze voge- 
lenkoor, met hun onbezorgd getier, met hun altijd vrolijk gesnap. De meren 
verdwijnen langzamethand van den aardbol, en met hen de vogelen; de rivieren 



worden door tallooze booten bevaren, en de vogels, die er het leven aanbragten, 
die het meer tot een meer, de rivier tot een rivier stempelden, zij zijn verjaagd, 
verstoord en eindelijk uit armoe verhuisd. 

Onze zoo schilderachtige meren en plassen worden in weilanden herschapen ; 
bosschen worden weggekapt, en hunne gevederde bewoners naar andere oorden, 
waar hun een gelijk lot te wachten staat, verwezen, — alles ter wille van het 
alles behoevend, maar ook alles beheerschend menschengeslacht. Ons land, 
dat vroeger een Schollevaars en een Lepelaarseiland en het monopolie der water- 
vogels bezat, heeft sedert de laatste twintig jaren heel wat van zijne karak- 
teristieke schilderachtigheid verloren. Holland is toch geen Holland meer , sedert de 
binnenwateren gedempt en zijne watervogels verhuisd zijn. Zelfs de oude brood- 
jagers met hunne gelapte geweren, de visschers met hun nationaal costuum, de 
dommelige hengelaar met zijne steeds lekke boot, — al die eigenaardige personen 
en toestanden zijn uit onze landschappen verdwenen. 

Deze verzuchting moest ons van het hart, vóórdat we ons verder m3t onze 
karekieten konden bezig houden. Trouwens, misschien is er ook nog wel hier 
of daar een paartje te vinden. Gewoonlijk hoort men hen reeds van verre, vooral 
als het weder stil is. Zelden echter krijgt men er een te zien; want de onver- 
moeide zangers houden zich laag in 't riet of zitten in het digtste groen der langs 
den oever staande boomen. Onder honderde hengelaars vindt men er naauwelijks 
één , die dezen vogel van andere zangers kan onderscheiden , terwijl zijn zang 
toch aan hun allen bekend is. Ik gelooid anook stellig, dat de naam Karekiethem 
door dezen ol genen vogelminnenden hengelaar gegeven is. Zooveel is zeker, dat 
iedereen, die den naam des vogels ooit heeft hooren noemen, den zang op het 
eerste gehoor uit zijn hoofd zal kennen; ziehier het geheele liedje: » karre , karre , 
karre, kiekte, karklekie, karrekarrekarrekarre , karkiekié" , enz., enz., telkens 
weer van voren af ean. 

De Groote Karekiet zingt nagenoeg eveneens, doch spreekt de syllaben nie f 
zoo duidelijk uit, en heelt ook een veel zwaarder geluid. Hij brengt soms een 
schaterend »chèrr-chèrr" voort, waarmede hij, naar ik althans meen, angst of 
verwondering uitdrukt, terwijl de Kleine, als hij onder dergelijke gemoedsaan- 
doeningen verkeert, een vtzèk — tzèk''' laat hooren. 

In den nazomer, als de jongen zijn uitgevlogen, ontmoet men vaak kleine 
troepjes dezer vogeltjes langs het water of wilgenhout ; doch dan schijnt het wel , 



alsof uilen hadden afgesproken om stilletjes weg te snappen; want op eens zijn 
zij dan uit de vroeger zoo lang en druk bezochte streken verdwenen. Men vangt 
ze al zeer gemakkelijk met palingfuiken, waarin zij — wat hen daartoe aandrijft, 
weet ik niet — herhaaldelijk, zelfs zonder dat er eenig lokaas voor hen is, bin- 
nenvliegen. Men houdt ze echter niet zoo gemakkelijk levend, als den Grooten 
Karekiet. Bij eene zorgvuldige behandeling en veel insectenvoeder, willen evenwel 
alle Kleine Rietzangers zich na eenige dagen aan de kooi gewennen; zij worden 
dan zelfs zeer mak, zijn gestadig in de weer en klauteren onophoudelijk rond. 

Het zijn zeer verdraagzame, gezellige vogeltjes. Pas gevangen voorwerpen 
nemen spoedig voedsel en gevoelen zich even spoedig op hun gemak, als zij 
maar bij reeds gekooide kleine zangers geplaatst worden: het liefst bij den Zomer- 
of Lentezanger of bij hunne eigen soortverwanten. 

Raauw rundvleesch , met drooge of versche miereneijeren , wat maanzaad en 
broodkruimels dooreengehakt, is het voor hen noodige voedsel, terwijl men hun 
als versnapering spinnen, rupsen en meelwormen kan toedienen. 







JG-fteylemans.f ; 



rt 



■ , - 



J&^ewe ^'////V/vv' 



DE OEVERZANGER 

CALAMOHERPE PALUSTRIS. 



De Oeverzanger, door sommigen ook Bosch-Rietzanger genoemd, is bij ons 
een zeer algemeene vogel, die zich, van het begin van Mei lot het einde van 
Augustus, in het lage hout, langs de rivieren en meren, hooren laat. Behalve in 
onze waterrijke provinciën Noord- en Zuid-Holland, Zeeland en Utrecht, vinden 
wij hem slechts hier en daar vertegenwoordigd; in drooge, onbebouwde streken, 
zooals die vooral in Drenthe voorkomen, alsmede in een üroot sedeelte van 
Noord-Braband, is hij eene groote zeldzaamheid, en wordt hij in heide- en zand- 
vlakten door den verwanten Heidezanger (C locustella) vervangen. 

Het is zeer moeijelijk, deze soort van den naauw verwanten Rietzanger (C. 
arrundinacea) ie onderscheiden; er bestaat dan ook werkelijk geen standvastig 
verschil in kleur tusschen beide soorten, zoodat het, zonder een gezet onderzoek, 
bijna niet mogelijk is, de twee soorten uit elkander te houden. Gewoonlijk echter 
heeft de Oeverzanger eene meer geelbruine, de Rietzanger eene meer rosse tint; 
doch ook de individuen van elk der beide soorten verschillen weder onderling in 
kleur van gevederte, en beiden jongen zijn zoo geheel gelijk, dat men slechts 
door de uiterste verscheidenheden van beide soorten de identiteit bepalen kan. De 
kleur der pooten van den Rietzanger is ook meestal donkerder, die van den 
Oeverzanger daarentegen gewoonlijk doorschijnend hoornbruin; doch ook dit verschil 
doet zich slechts bij de ouden na den broeitijd voor: want buiten dien tijd ver- 
schillen ook dezen individueel zoodanig, dat dit verschil evenmin als een zeker 
herkenningsteeken dienen kan. Bij naauwkeurige vergelijking blijkt inlusschen, dat 
de hier afgebeelde soort in den regel wat zwaarder van snavel, over het geheel 
iets grooter en op de bovendeden een weinig lichter is. Het voornaamste ken- 
merkend verschil tusschen deze beide vogelsoorten ligt echter in hare levens- 



wijze: de Rietzanger houdt zich namelijk steeds in het riet of langs den water- 
kant op, terwijl de Oeverzanger uiterst zelden in het riet zelf, doch meestal in 
heesters of veldgewas, soms zeer verre van het water, vertoeft. De zang van den 
eerstgenoemde is grof, eentoonig, en gelijkt naar dien van den Kleinen en Groo- 
ten Karekiet (C. turdina en C. palustris), waarom men hem ook onder den naam 
van Kleinen Karekiet aanduidt; de hier afgebeelde daarentegen heeft een langge- 
rekten, scherpen, doch zeer gevarieerden zang, welke veel overeenkomst heeft 
met het vrolijk gekweel van den Spotvogel (S. hypolaïs). 

Gewoonlijk hoort men den Oeverzanger in de tuinen nabij meren, kanalen of 
moerassen, meestal onder het groen van peulgewas of in hooge heesters, zooals 
seringen, vlier en anderen. Zelden echter krijgt men den zanger te zien, en 
daarbij heeft zijn geluid ook nog dit eigenaardige, dat het nu eens digtbij, dan 
weder zeer verre al' schijnt; dit is het gevolg van de schielijke afwisseling van 
grove en schelle met zachte strophen, welke hij in zijn zang aanbrengt. 

De Oeverzanger komt zelden vóór Mei, en bouwt zijn nest steeds in de 
takken, meestal 5 a 9 voet boven den grond; de Rietzanger daarentegen steeds 
in het riet of langs het water, aan de stengels van brandnetels of andere bij het 
water groeijende planten. De Oeverzanger maakt ook een rond nest en legt lich- 
ter gekleurde, minder fijn gestipte en regelmatig gevlekte eijeren, terwijl het nest 
van den Rietzanger langwerpig is, en diens eijeren, hoewel onderling zeer ver- 
schillende, toch meestal eene groenachtig witte grondkleur hebben en in kleur en 
verspreiding van vlekken zeer met die van den Grooten Karekiet overeenkomen, 
welke namelijk eene lichtblaauwe of blaauwachtig witte grondkleur hebben, met 
zeei' groote, grijsachtig purpere en helderbruine vlekken. 

Het nest van den Oeverzanger is uit doode grashalmen, planténpluis en insec- 
tenweefsels vervaardigd en van binnen met paardenhaar belegd. Omstreeks het 
midden van Junij zijn de 4 a 6 eijeren in dertien dagen door beide ouden uit- 
gebroeid, en de jongen zijn binnen 15 a 18 dagen genoegzaam ontwikkeld, om 
het nest ie kunnen verlaten. Zij worden vooral met muggen grootgebragt, en 
vliegen na den broeitijd nog eenige dagen met de ouden rond, om dan, te 
gelijk met dezen, geheel onverwachts uil de door hen bewoonde plaats te ver- 
dwijnen, zelfs al is het weder nog warm, en al hebben zij daar nog insecten 
in overvloed. Reeds sedert drie jaren (misschien veel langer, doch ik had vroeger 
geen gelegenheid om dit waar te nemen) broeit een paar in den zoölogischen 



tuin te Londen, nabij de groote volière. 01' het inderdaad telkenmale dezelfde 
vogels zijn, die daar komen broeijen, is zeer moeijelijk te bepalen; doch zooveel 
is zeker, dat zij steeds hetzelfde nest bewonen, dat telkens gerepareerd wordt, en 
dat zij zich telken reize in hetzelfde boschje ophouden, en ook even geregeld 's mor- 
gens vroeg bij de voederplaats komen, om gevallen miereneijeren en stukjes gehakt 
vleesch op te pikken. Uit dit een en ander meen ik te mogen opmaken, dat de 
aldaar verblijvende Oeverzangers steeds een en hetzelfde paar zijn; immers, hoe 
zouden zij zich anders, zoo onmiddellijk- na hunne aankomst, daar zoo geheel 
te huis kunnen gevoelen? We wéten toch met zekerheid van andere vogels, dat 
zij hunne oude nesten en broeiplaatsen weer weten op te sporen, en menigeen 
heelt, bij gebreke van eene betere verklaring, de oorzaak van dit verschijnsel 
hierin meenen te vinden, dat sommige vogels, behalve de gewone, ook den 
mensch eigen zintuigen, er nog een zesde zintuig op zouden nahouden, waardoor 
zij in staat zouden zijn, den weg naar het Zuiden en den terugweg naar hunne 
broei plaats weer te vinden. Op dezelfde wijze verklaart men ook de geheimvolle 
wijze, waarop de meeste Duiven van eene verre, haar onbekende streek, over 
berg en dal, regtstreeks naar hare til of woonplaats terugvliegen. Daar echter de 
Duiven bij mistig weder van den regten weg afraken, is de onderstelling zeker 
niet gewaagd, dat bij het hier bedoelde verschijnsel het gezigt eene groote rol 
speelt en het voornaamste zintuig is, waardoor de meeste trekvogels op hunne 
togten geleid worden. 

De zang van den Oeverzanger is, gelijk we hierboven reeds aanstipten, zeer 
afwisselend en gelijkt nu eens- naar het grove gekweel van den Tuinzanger, dan 
weder naar het scherpe gekwetter der Zwaluw; eensklaps echter verandert de 
toonaard weder, en men meent den Karekiet voor zich te hebben; doch daarop 
verneemt men weder een zacht geluid, als dat van het Roodborstje, en dan weer 
op eens zeer schielijk afgebroken toonen, als die van den Grutto of Ma rel (Limosa 
aegocephala). Daarenboven is zijn geluid nu eens zeer luid en krachtig, dan 
weder zacht en kweelend. Hij zingt ook 's nachts en maakt dan, bij de alom 
heerschende stilte, een effect, alsof er vele vogels gelijktijdig zongen. Zijn gewoon 
geroep is een scherp ?>tèk-tèk" zeer overeenkomende met het geluid van Gras- 
musch, Braamsluiper en Zwartkop, doch meer gerekt en scheller. 

Behalve ons vaderland, bewoont deze soort geheel Midden- en Zuid-Europa, 
en na den broeitijd, als het voor ons winter is, het Westen van Azië en Noord- 



Afrika. Zij gaat niet zoo ver noordelijk als de Rietzanger, die echter zuidelijker 
trekt en zelfs aan de Goud kust en aan de Kaap de Goede Hoop wordt aangetroffen, 
in welke laatste streek hij hoogstwaarschijnlijk tot de standvogels behoort, even 
als de Kortvleugelige Oeverzanger der Kaap-Verdische eilanden (C. brevipennis) . 

Alle tot het geslacht Calamoherpe behoorende soorten kunnen in gevangen- 
schap leven, en vereischen dan het voor den Nachtegaal voorgeschreven voeder. 
De Duilschers, die de hier afgebeelde soort Sumpfröhrsanger noemen, schatten 
dezen vogel zeer hoog en noemen hem den zangmeester onder de Röhrsanger. In 
het warme jaargetijde, vóór en na den broeitijd, kan men de mannetjes met 
vogellijm of strikjes vangen; men kan dit het best doen door eenige levende 
meelvvormen aan een langen stok boven de peulgewassen te steken, en daaronder 
strikjes te bevestigen of vogellijm te smeren. Heeft men nu eenmaal den vogel 
gehoord of gezien, dan trachte men eerst de plaats uit te vorschen, waar hij 
zich bij voorkeur neerzet, en plaatse vervolgens daar het vangtoestel, natuurlijk 
gedurende zijne afwezigheid. Zijn deze vogels eenmaal gepaard, dan is het 
moeijelijker, ze te bemagtigen, terwijl het ook inderdaad meer dan wreed zou 
zijn, de zoo lieve vogeltjes gedurende den broeitijd te verschalken. 







/ 



w 



'/ac ///// y-v njcit 



HET BLAAUWBOKSTJE. 

SYLVIA SUECICA. 



Blaauwborstjes komen, wat hun ligchaamsvorm betreft, geheel en al met de 
eigenlijke Nachtegalen (namelijk, met den Nachtegaal en den Sprosser alleen) over- 
een; zij onderscheiden zich van dezen alleen door hun minder afgeronden staart 
en door de fraaije kleuren aan de keel. Ten opzigte van de grootte, de algemeene 
verhouding der vleugelpennen, de eigenaardigheid der schubverdeeling aan de 
pooten, en de verschillende bewegingen, zijn zij volkomen aan onzen Nachtegaal 
gelijk. Het Vuurkeeltje (Sylvia calliope) uit Azië, hetwelk soms tot in Midden- 
Europa verdwaalt, en de Robijn-Nachtegaal uit het Himalaya-gebergte behooren 
insgelijks tot deze groep. 

De eigenlijke Blaauwkeeltjes vormen het ondergeslacht ot de groep Cyanecula; 
al naar de zienswijze der verschillende geleerden, bestaan er óf drie soorten, óf 
twee soorten , waarvan ééne twee verschillende rassen voortbrengt. De Blaauw- 
borstjes, welke de vlek op de borst, standvastig bruin o! roestrood in plaats 
van wit hebben, zijn in Zweden, Duitschland en Denemarken inheemsch, en 
worden dan ook meestal niet als eene soort, doch als klimaatsverscheidenheid 
beschouwd. Het is echter opmerkenswaardig, dat in het Zuiden van Zweden en 
in Noord-Duitschland beide, namelijk die met wit en die met rood aan de keel, 
broeijende worden aangetroffen. Evenzoo is het een zonderling verschijnsel, dat bij 
de laatstgenoemde variëteit de roode keelvlek nooit wit wordt, terwijl van de gewone 
soort de mannetjes in hun eerste herfstkleed een roode keelvlek vertoonen, welke 
door langzame verkleuring in het voorjaar tot wit overgaat, zoodat het Duitsche 
ras eigenlijk het onvolkomen gekleurd Europeesche Blaauwborstje voorstelt. 

Het Blaauwborstje bewoont het geheele gematigde Europa en Siberië ; gedurende 
den winter (namelijk, als het bij ons winter is) trekt het naar Noord-Afrika , en 
in den herfst, alsmede in het voorjaar komen de Blaauwborstjes, dikwijls vrij 



menigvuldig, sommige onzer provinciën bezoeken; in Noord- en Zuid-Holland, 
Zeeland en het noordelijk gedeelte van Groningen worden zij evenwel slechts 
zelden aangetroffen ; niettemin broeijen zij jaarlijks in sommige streken van ons 
land, en zelfs nabij Rotterdam, langs eene druk bezochte wandelplaats, heeft men 
ze nestelende gevonden. 

Het Blaauwborstje bouwt zijn nest in het hooge drooge gras, of brandnetels, 
onder heesters tusschen afgevallen bladeren of gebroken stengels, gewoonlijk 
aan de met laag hout begroeide oevers van meren, langs slooten of smalle 
rivieren. Als bouwstoffen bezigt het worteltjes, droog gras of hooi, doode plan- 
tenvezels, dunne stengels en drooge bladeren, en voor binnenwerk of voering : 
plantenpluis, haar en veeren. De 4 a 6 blaauwe, soms duidelijk rood gevlekte 
eijeren worden alleen door het wijfje bebroeid. Het broeit slechts éénmaal, name- 
lijk in Junij '). 

Ue jongen in hun nestkleed zijn moeijelijk van jonge Nachtegalen te onder- 
scheiden, vooral zoolang hun staart nog niet geheel ontwikkeld is. Bij nadere 
vergelijking merkt men echter op., dat de jonge Blaauwborstjes steeds bruiner 
aan de keel zijn. Het oude wijfje is over het geheele ligchaam graauwer gekleurd; 
keel en kin heeft zij vuilwil, den krop tot aan de borst graauw met zwartachtige 
dwarsbanden of, bij zeer oude voorwerpen, leikleurig, met lichte randen aan de 
veeren; de borst bruin of rosbruin met eenigzins donkere schachtvlekken. 

De zang van het mannetje kan, wat schoonheid van geluid betreft, met dien 
van den Nachtegaal op ééne lijn gesteld worden, doch zijne wijze van zingen is 
geheel verschillend; zijn lied gelijkt meer naar de kortere strophen van het Rood- 
borstje; het is echter niet zoo treurig of klagend en stemt den toehoorder niet 
zoo zeer tot droefgeestigheid, als de voor onze ooren zoo gevoelige zang van 
het Roodborstje. Gewoonlijk valt de schoone zanger plotseling' uit met een helderen, 
meestal dubbelen slag, fluit dan eene geheele reeks klimmende toonen, en eindigt 
bijna altijd met eene nog hoogere, helderklinkende, gerekte sluitnoot. Zijn zang 
is, ten opzigte van uitdrukking en maat, het best te vergelijken bij eene bra- 
vour-aria; die van het Roodborstje bij een slepende andante, en die van den 



') In onze beschrijving van den Nachtegaal is het aantal broeisels verkeerdelijk als twee 
aangegeven. De Nachtegaal broeit echter, althans hier te lande, slechts éénmaal 'sjaars, doch 
soms zeer laat in den zomer, hetgeen mij, evenals vele anderen, tot de onderstelling heeft 
o-eieid, dat in zulke gevallen een vroeger broeisel was voorafgegaan. In het Zuiden van Frank- 
rijk en Duitschland en in Oostenrijk broeit hij echter soms werkelijk te tweeden male. 



Zwartkopzanger bij een allegro ; de Nachtegaal echter zingt dat alles achtereen en 
dooreen, en voegt er nog zijne eigen iraprovisatiën bij. Iedere vogel componeert 
zijn eigen lied , en zingt dat zonder meer ; doch de Nachtegaal varieert steeds op 
zijne eigen compositiën. 

Het Blaauwborstje is als kamerzanger zeker de meest bevoorregte aller vogels ; 
behalve zijn zang en zijn prachtvol vederkleed, bezit hij zeer veel aantrekkelijks; 
geen wonder dan ook, dat hij weldra de lieveling wordt te midden van al de 
andere gevederde vrienden. Naauwelijks heelt hij zi|n gulden vrijheid met de enge 
kooi verwisseld, of het Blaauwborstje begint naar nieuw genot, naar nieuwe 
vrienden uit te zien, en hij vergeet al spoedig zijn vroeger lief en zijn later leed. 
Hij verlangt beklaagd en vriendelijk aangesproken te worden; hij verlangt dat 
zijn meester zich met hem bezig houde ; anders kiest hij zich een vriend onder 
de overige gevangenen, en dan begroet hij dezen met liefelijk gekweel. Soms valt 
zijne keus op een Vink, soms op een Kraai, of op een der huisgenooten ; meestal 
echter schenkt hij zijn vertrouwen en genegenheid aan hem of haar, die hem van 
voeder voorziet en hem minzaam toespreekt. Hij vergeet nimmer eene goede 
behandeling , en legt daarbij een sterk geheugen aan den dag. Even als het Rood- 
borstje, kan hij op zijn manier redeneren, en hij toont zich dan ook evenmin 
verheugd of bevreesd, dan na eerst te hebben overwogen, of er werkelijk reden 
voor vreugde of ongerustheid bestaat. Hij zingt reeds in Maart (namelijk, als men 
hem gedurende den winter in de kamer heeft gehouden) en eindigt in den ruitijd. 
In het voorjaar gevangen mannetjes zingen meestal reeds binnen eenige dagen, 
even als de Nachtegaal, 's Winters hoort men hem zelden, doch zijne uitingen 
van vriendschap of erkentelijkheid verneemt men in elk jaargetijde, zoowel bij 
zonneschijn als bij avondlicht. Ik had een Blaauwborstje, dat ongemerkt vriend- 
schapsbetrekkingen met mijne echtgenoot had aangeknoopt. Zijn oog was steeds 
op haar gevestigd ; en naauwelijks stond zij van hare zitplaats op , of onmiddellijk 
liet hij zijn streelenden groet hooren. Kwam zij voor de kooi, dan trilde hij met 
de vleugels en uitte zachte , streelende toonen , ter belooning waarvan zij hem dan 
ook telkens een meelwormpje gaf. Op 't laatst werd het. diertje zoo verwend, dat 
hij de meelwormpjes in den bek wenschte gestopt te hebben, even als een hulp- 
behoevend jong vogeltje gevoerd wil zijn. Het lieve diertje stierf in den rui ; liever 
had ik al mijne andere vogels verloren, als ik dan slechts mijn Blaauwborstje 
had mogen behouden. 




*.- 



[feu! . -. . 






vfaZtóv&te /r ry??Vw 



P.V.HJSpap «c. 



DE BLAAUWE ROODBORST. 

SIALIA WILSONI. 



Deze fraaije zanger is onder de volgende wetenschappelijke namen beschreven: 
Turdus sialis , Sylvia sialis, Sialia sialis, Erythraca Wilsoni en Erythraca sialis. 
De Amerikanen noemen hem Blue bird of Blue Robin, de Duitschers Hüttensanger. 

Hij bewoont, even als de twee verwante soorten (S. mexicana en S. arctica), 
Noord- Amerika tot Mexico. De twee zooeven genoemde soorten zijn echter niet 
zoo menigvuldig en minder over het geheele oostelijke gedeelte van Noord- 
Amerika verspreid. 

Deze vogel bezit dezelfde eigenschappen en gewoonten, heeft denzelfden stree- 
lenden en kwijnenden zang, en beweegt zich geheel als ons Europeesch Rood- 
borstje. Men heeft hem in zijn vaderland ook even lief en hij wordt daar evenzeer 
ontzien , als het Roodborstje in onze buitenstreken. Audubon en Wilson , de 
wereldberoemde ornithologen , beschrijven hem ook als het allerliefste vogeltje, 
dat zich in die streken hooren laat. 

Het mannetje heeft de bovendeelen kobaltblaauw, de onderdeden tot aan de 
pooten bruin, buik en onderste staartdekveêren wit. Het wijfje heelt de boven- 
deelen licht leikleurig, vleugels en staart zwartachtig met grijze zoomen aan de 
veeren, keel vuilwit, borst flets bruin, buik en onderste staartdekveêren 
rosachtig wit. 

Hel jong in zijn nestkleed heeft de kleuren van het wijfje, doch over het 
geheel iets lichter, en de veeren onduidelijk gevlekt, zoodat zij als schubben 
afgezet schijnen. 

Deze vogels broeijen, naarmate der luchtstreek, in Mei of Junij, en bouwen 
hun nest in lage heesters, op de onderste takken van dennen of tusschen hooge 
grasplanten, doch steeds nabij den grond. Het nest wordt uit wortelen, stroo of 



hooi, doode bladeren en hechtdraden van klimplanten zaamgesteld en van binnen 
met haar of veeren belegd, en heeft nagenoeg' den vorm van het nestje van 
Nachtegaal of Roodborstje, doch grooter. De eijeren hebben dezelfde grootte als 
die van den Leeuwerik, zijn helder blaauwgroen en ongevlekt, even als die van 
Tapuit of Roodslaart, en worden alleen door het wijfje uitgebroeid. 

De jongen worden met insecten gevoerd, en blijven tot den trektijd met 
hunne ouders rondvliegen. Gedurende het najaar eten zij ook bezien en zaden, 
doch leven overigens hoofdzakelijk van rupsen, spinnen en kleine kevers. Volgens 
Audubon, geven zij de voorkeur aan eene zekere soort van vijgen, die zij eerst 
van de boomen pikken en daarna wegsiepen. Ook vliegen zij insecten na en 
vangen ze, even als onze Vliegenvangers en Zwaluwen, hoog in de lucht. 

Brehm vermeldt met betrekking tot dezen vogel het volgende geval. In het 
Berhjnsche aquarium had een paar, dat met andere vogels in eene groote volière 
gehouden werd, spoedig een nest gebouwd, en reeds den 29 Mei waren er vijf 
eijeren gelegd; het wijfje begon toen te broeijen, zonder echter door het mannetje 
afgelost te worden, en veertien dagen later waren er vier jongen geboren, die 
vooral door het mannetje gevoederd werden. Ook het wijfje werd op den duur 
door het mannetje gevoerd, zelfs terwijl zij jongen had; reeds drie weken vóór- 
dat de eijeren gelegd waren, had zij niet eens de moeite genomen om zelf een 
meelworm op Ie rapen of eene vlieg te vangen, maar had zich die steeds door 
haar echtgenoot in den bek laten stoppen '). De jonge vogeltjes werden, tot den 
derden dag, door de moeder, die op het nest bleef zitten, verwarmd; na dien 
tijd echter kwam het wijfje slechts nu en dan op het nest. Den vijfden dag 
hoorde Brehm het mannetje een klagend geluid voortbrengen en zag het angstig 
rondom het nest vliegen; vermoedende dat er iets aan scheelde, begaf hij zich 
naar het nest, en vond drie doode jongen, waarvan er twee reeds den vorigen 
dag moesten gestorven zijn. Het nog overblijvende jong was, ofschoon het nog 
teekenen van leven gaf, eveneens koud. »Mijne vrouw", aldus vervolgt Brehm, 
«hield het arme diertje in hare handen, om het te verwarmen, totdat ik er twee 



') Ditzelfde heb ik ook van ons Roodborstje opgemerkt. Eenigen tijd geleden plaatste ik 
namelijk een juist gevangen wijfje bij een zeer oud mannelijk voorwerp, en was zeer verrast 
bij het zien, dat de oude heer, blijkbaar met groot genoegen, zich door de nieuwelinge liet 
voederen. Toen echter het wijfje ongesteld werd, en stil in een hoek der kooi verscholen zat, 
bragt het mannetje op zijne beurt haar het voedsel in den bek. Ook het Blaauwborstje (Sylvia 
suecica) laat zich door zijn meester, met schijnbaar welbehagen, het voeder in den bek steken. 



jonge Roodborstjes bijgebragt had, met welke het toen in een diep en warm 
wollen nest geplaatst werd. Tengevolge der verwarming kwam het dan ook weder 
bij, en stak een poosje later zijn bekje omhoog, om gevoederd te worden. Ik 
vreesde dat het sterven zou, want het was nog geheel kaal en blind; doch door 
de zorgvuldige verpleging van mijne vrouw, die het elk kwartieruurs met eenige 
miereneijeren verkwikte, kwam het langzamerhand vooruit, nuttigde ook grovere 
spijzen, en zonder eenige ongesteldheid groeide het tot een krachtig, gezond 
mannetje op. Toen het oude wijfje zich van hare jongen beroofd zag, begon zij 
te tweeden male een nest gereed te maken. Zij legde weder vier eijeren, en 
broeide ze zonder tegenzin uit, doch, ofschoon zij op het nest door het mannetje 
bijna onophoudelijk werd gevoerd, liet zij ook deze jongen van koude omkomen. 
Na dien tijd paarden de ouden niet meer". 

Een ander Duitsch ornitholoog, de heer Freyberg, was gelukkiger. Hij 
verkreeg van één paar twee broeisels, elk van vijf jongen; de jongen van het 
eerste broeisel waren naauwelijks uitgevlogen , of het oude wijfje had reeds een 
tweede vijftal eijeren gelegd, welke zij eveneens uitbroeide, en ook deze jongen 
bragt zij groot. Freyberg zegt verder (in Brehms Gefangene Vogel, Theill, Band II, 
erste Lieferung, p. 50): »Als die erste Brut ausflog, belanden sich mehrere auslan- 
dische weibchenlose Weberfinken im Fluggebauer, und sie alle, ohne Ausnahme, 
befriedigten ihren Geschlechtstrieb an den jungen Ilüttensangern. Diese hielten 
still, Hessen alles mit sich geschenen, und selbst die Alten sahen theilnahmlos zu". 

In den zoölogischen tuin te Londen heeft men ook jongen van dezen vogel 
verkregen, doch de meesten stierven kort nadat zij waren uitgevlogen. 

Wil men dus dezen vogels gelegenheid tot broeijen verschaffen, dan plaatse 
men ze in eene groote volière , liefst buiten het huis of voor het raam aan de 
zonzijde. Buitenvolières moeten steeds van nachthokjes voorzien zijn, ten einde de 
gevleugelde bewoners voor nat en koude te beveiligen. Zulke hokjes moeten 
ongeveer een voet hoog en breed en 3 / 4 voet diep zijn en eene ronde opening op 
zijde hebben; men plaatse er ook eenige overdwarsche takjes in, waarop de 
vogels zich kunnen ter ruste zetten of hunne nesten bevestigen. De materialen 
brenge men in de volière of tusschen de traliën aan. Zoodra de eijeren gelegd 
zijn, moet men vooral eene genoegzame hoeveelheid miereneijeren of meel wormen, 
behalve het gewone voeder (gehakt ei of geschrapt vleesch en wortelen, met 
broodkruimels en gekookte krenten gemengd), in gereedheid houden, opdat de 



pasgeboren jongen met een voor hen geschikt voeder kunnen grootgebragt worden. 
Men zorge ook steeds, dat het den ouders aan niets ontbreekt; anders verlaten 
zij hun kroost zeer spoedig. 

Het is algemeen bekend, dat een wijfjes-Leeuwerik uit eigen beweging alle 
jonge vogels voert, welke in haar bereik komen; en ik heb dan ook dikwijls 
zulke jongen, die door hunne ouders verlaten waren, met goed gevolg aan hare 
zorgen toevertrouwd. Hare tegenwoordigheid in eene volière, waar jonge vogeltjes 
gevoederd moeten worden, is dus van groot belang, vooral daar zij hare jongen 
uit den bek voert. 

De koopprijs voor een paar ouden is 1 a 2 dollars in hun vaderland, 
12 a 30 shillings in Engeland, 6 a 10 thaler in Duitschland, en 8 a 15 gulden 
in Nederland. 







<x 



^N 









S 



c\ 



DE KOPERWIEK. 

TURDÜS ILIACUS. 



Men noemt dezen vogel »Koperwiek", omdat de onderste vleugeldekveêren 
en de zijden van het ligchaam eene roode kleur vertoonen, welke vooral onder 
het vliegen zeer in het oog vallend is. 

Bij ons komt de Koperwiek alleen op den trek, dus in het najaar en gedu- 
rende de eerste wintermaanden. Bij den terugtrek schijnt zij dezelfde rigting te 
kiezen; althans we zien haar niet zelden ook in Februarij tot in het begin van 
April. Zij broeit in het noordelijk gedeelte van ons werelddeel, in bijna geheel 
Aziatisch-Rusland en in het Noord-Oosten van Siberië, terwijl zij gedurende hare 
overwintering in geheel Midden- en Zuid-Europa, in Afrika, westelijk tot de Cana- 
rische eilano^n, en oostelijk tot Egypte, alsmede in Azië, zoo zuidelijk als in 
Perzië eH Algerië, wordt opgemerkt. 

Zij is de kleinste soort der Europesche Lijsters, en vertoont in hare geaard- 
heid veel overeenkomst met de Zanglijster, in wier gezelschap zij dan ook dikwijls 
wordt aangetroffen. Wij kennen de- Koperwiek echter alleen in haar najaar skieed» 
hetwelk minder helder en graauwer van kleur is , dan hare zomerpluimage ; want 
gedurende den broeitijd is de streep boven het oog wit, en zijn de vleugelveêren 
grijs zonder de lichte zoomen, terwijl het rood onder den vleugel, door de meer 
heldere tint, duidelijker uitkomt. 

Het wijfje ziet er in den zomer evenzoo uit, als het mannetje in den winter; 
doch gedurende het koude seizoen is er geenerlei verschil tusschen de seksen op 
te merken. Bij de jongen in hun nestkleed hebben de veeren der geheele boven- 
deelen eene geelwitte schacht, welke naar onderen breeder wordt en eene drup- 
pelvormige vlek vertoont. Even als de jongen van alle overige Europesche Lijsters, 
hebben zij de veeren aan de oor- en oogstreek donker gevlekt en de staartpennen 



puntiger, dan de later door ruijing verkregen pennen. De eenjarige jongen, na 
den rui , namelijk zooals zij zich 's winters hier Ie lande gelijktijdig met de 
ouden vertoonen, zijn te herkennen aan hun meer gevlekten nek en duidelijk 
donker gespikkelde oogstreek. Men vindt ook dikwijls eenig verschil in de grond- 
kleur van het gevederte der ouden; sommigen, waarschijnlijk van hooger uit het 
Noorden afkomstig, zijn namelijk zeer licht gekleurd. 

Professor Newton heeft waargenomen, dat deze vogels, ofschoon zij in het 
Noorden broeijen, toch zeer slecht tegen langdurige koude bestand zijn, en dat 
er dan ook in strenge winters, zoo als die van 1838 — 39 en 1860 — 61, honderden 
van honger omgekomen of stervende gevonden zijn. Ik heb zelf opgemerkt, dat, 
als er lang sneeuw ligt, de Koperwieken minder haastig opvliegen en veeltijds 
tusschen heesters of in het lage hout verscholen zitten, terwijl de Merels en 
Kramsvogels even wild en schuw als gewoonlijk blijven. 

De Koperwiek bouwt haar nest van dunne takjes en drooge plantenvezels, 
met aarde of klei aan elkaêr bevestigd en van binnen met dunne grashalmen 
belegd. Het ligt gewoonlijk in heesters, vooral in laaggroeijende meidoorn, doch 
soms op den grond, tusschen hooge grasplanten en steenen. Meestal kiest zij 
voor den nestbouw zulke streken uit, waar ook de Kramsvogel broeit; trouwens 
schijnen deze beide Lijstersoorten steeds bij voorkeur elkanders gezelschap te 
zoeken. Hare eijeren — men vindt er 5 a 7 in een broeisel — zien er nagenoeg 
evenzoo uit, als die van onze Merel, doch zijn kleiner. In Zweden begint haar 
broeitijd met Mei en, naarmate zij hooger in het Noorden leeft, met Mei of Junij. 

De zang van het mannetje is moeijelijk van dien onzer Zanglijster te onder- 
scheiden, doch is, volgens de bewoners der noordelijke landen, minder aanhou- 
dend, ofschoon het geluid even helder en streelend is. Zijn lokgeluid klinkt als 
))trüritri" ; doch 's winters roept hij, onder het opvliegen, eenvoudig: vhik-tek". 

Even als alle overige Lijstersoorten, voeden de Koperwieken zich met bezien en 
insecten, veel wormen en slakken, en ook met jong groen. De voorwerpen, welke 
's winters met strikken gevangen worden, zijn meestal zeer vet; later in den tijd 
echter, wanneer het voedsel niet zoo gereedelijk verkrijgbaar is, nemen zij zelfs gras- 
scheuten tot voedsel, en zijn dan zeer mager. Ik heb opgemerkt, dat Lijsters, 
die veel slakken eten, telkens gras oppikken en dit of weder uitspuwen, óf onver- 
teerd uitwerpen. Waarschijnlijk doen zij dit om de spijsvertering te bevorderen, 
even als roofvogels doode bladeren, en katten gras of groen eten. 



De Koperwiek is schuw, wild en schrikachtig, en wordt zelden een goede 
kooizanger. Ik heb er dan ook nimmer een in gevangenschap hooren zingen, 
hetgeen wel daaraan zal zijn toe te schrijven, dat bijna niemand haar levend 
wenscht te houden. In Rusland, waar men de jongen opkweekt, en waar dien ten 
gevolge deze soort veel in kooijen wordt gezien, prijst men haar als zangvogel 
even hoog, als wij onze Zanglijster. 

De tegelijk met andere trekkende Lijsters in strikken gevangen Koperwieken 
worden hier te lande, even als de Kramsvogels, gegeten; haar vleesch is echter 
bitter en droog, en als voedsel van weinig nut; men eet ze ook trouwens meestal 
slechts uit smulzucht, en maakt dan zich zelven diets, dat men er een uitstekend 
lekkerbeetje aan heeft. 




'N 

V 

\5 



v 



\ 




DE DUOPIEPEK. 

ANTHUS CAMPESTRIS. 



Onze Piepers bewonen, al naar gelang van de soort, waartoe zij behooren, 
bepaalde localiteiten , of beter gezegd, elk dezer soorten houdt zich bij voorkeur 
in bepaalde streken op; vandaar dat men ze te regt heeft kunnen onderscheiden 
als Gras- of Veldpiepers, Water- of Oeverpiepers, Boompiepers en Duin- of Zand- 
piepers. Dit is zeer opmerkenswaardig, daar deze in levenswijze zoozeer van 
elkander afwijkende soorten in kleur zoo sprekend gelijk zijn, iets dat ten opzigte 
van andere vogelfamiliën bij minder verwante soorten geenszins in die mate het 
geval is. 

Men vindt den Duinpieper vooral in zandvlakten, op duinen of op drooge, 
met verdord gras bedekte gronden. De kleuren van zijn volmaakt vederkleed 
hebben dan ook bijzonder veel overeenkomst met die van den grond, waarop hij 
leeft. De overige bekende soorten zijn allen duidelijk gevlekt en gestreept; doch 
de Duinpieper maakt hierop eene uitzondering en is alleen in zijn onvolkomen 
kleed aan de overige Piepers gelijk. Op uitgestrekte zandvlakten of op de drooge 
gronden van vulcanische eilanden is deze soort iets rooder, in meer grasrijke 
streken daarentegen gewoonlijk wat graauwer van tint. Op de Kanarische eilanden 
is zij ook iets donkerder aan de onderdeden. 

Behalve gematigd en Zuid-Europa, bewoont deze soort een groot gedeelte 
van Azië , waaronder nagenoeg geheel Britsch-Indië , waar zij broeit ; verder het 
geheele noordelijk gedeelte tot Palestina. 

Er bestaat bij deze vogels geen uiterlijk zigtbaar verschil tusschen de seksen; 
alleen is het wijfje iets kleiner. De jongen hebben de veeren der bovendeelen 
licht gerand , de vleugelpennen breed , met licht zandkleurig geel gezoomd ; 
krop en borst duidelijk gevlekt, en de oogstreek duidelijker dan bij de ouden. 



In hun winterkleed hebben zij de onderdeelen een weinig blanker, en de boven- 
deden meer naar het graauwe trekkende. Alle Piepers ruijen tweemaal 's jaars. 

De in Europa broeijende soorten trekken in het najaar, de eene vroeger, 
de andere later, naar het Zuiden, en overwinteren in het Zuiden van Europa en 
het Noorden van Afrika, van waar zij omstreeks het begin van April naar hunne 
broeiplaatsen terugkeeren. De Duinpieper komt ons omstreeks hall April bezoeken, 
en verlaat ons weer in October, meestal te gelijk met den Gras- of Boompieper. 
Het is een zeldzaam voorkomende vogel; alleen in Gentraal-Indië, in de districten 
Deccan en Ghaut, is hij meer menigvuldig. 

In zijne bewegingen vertoont de Duinpieper veel overeenkomst met den Gras- 
pieper; even als deze, is hij schier gestadig in beweging; zijne vlugt is echter 
schielijker, en hij zet zich soms op een boomtak neer, om uit te rusten, als 
een lange togt hem vermoeid heeft. Hij vertoont zich schier overal als zeer schuw 
van aard; alleen op de Kanarische eilanden is hij meer vertrouwelijk, zoodat hij 
zich daar in de nabijheid der woningen durft wagen; zelfs moet hij daar, althans 
naar men mij tijdens mijn verblijf op die eilanden verzekerde, zich bij voorkeur 
in bevolkte streken ophouden, en slechts hoogst zelden in het afgelegen gebergte. 

De Duinpieper legt zijn nest op den grond aan; de 4 a 5 lichtgraauwe, fijn 
gevlekte eijeren worden alleen door het wijfje uitgebroeid. Gedurende den paar- 
en broeitijd laat het mannetje allerlei zachte, streelende geluiden hooren, en stijgt 
zingende omhoog. Bij zijne liefdesverklaringen aan zijne uitverkorene pleegt hij 
zich nog al zonderling aan ie stellen: hij plaatst, zich dan voor het wijfje, spreidt 
de vleugels uit, wipt eenige malen van den grond, vliegt dan op eens eenige 
voeten hoog, waarbij hij allerlei potsierlijke bewegingen maakt, namelijk vóór- 
en achterover of op zijde buitelt, en laat zich vervolgens plotselings naar beneden 
vallen, om even daarna weder op te stijgen. 

Daar deze vogels hier te lande zelden gevangen worden, ziet men ze weinig 
in kooijen; in Indië echter, waar zij talrijker voorkomen, staan zij bij de vogel- 
liefhebbers hoog aangeschreven, daar hun zang, naar men aldaar meent, verre 
dien van den Boompieper overtreft. In gevangenschap zijn zij evenwel, althans 
naar de door mij opgedane ondervinding, zeer stil, en zij kunnen soms maanden 
lang gekooid zijn, alvorens slechts hun gewoon geroep (een langgerekt >->ziep") 
te laten hooren. Wat hun zang betreft, deze gelijkt zeer veel naar dien van den 
Boompieper, doch de strophen zijn korter en het geluid iets krachtiger. 



Vermits de Duinpiepers tot de insecten etende vogels behooren , geve men 
hun nu en dan een meelworm of sprinkhaan; broodkruimels met gekneusd hen- 
nepzaad en geschrapte wortelen zijn echter voor hun hoofdspij s reeds voldoende. 
In het begin hunner gevangenschap zijn zij zeer schuw en vreesachtig , en 
schrikken voor al wat hun nieuw of vreemd toeschijnt; weldra echter leeren zij 
de hen omringende personen kennen, en worden dan even mak als de Boom- of 
Graspieper. 



DE GKOOTE PIEPEK. 

ANTHUS RICHARDI. 



De Groote Pieper, ook Richards Pieper en, o. a. in sommige streken van 
Braband, Zandleeuwerik genaamd, en ook onder den wetenschappelijken naam van 
Corydalla Richardi beschreven, wordt, met eenige verwante soorten, als van de 
eigenlijke Piepers verschillend beschouwd, zoodat hij, althans volgens de tegen- 
woordige schrijvers, een nieuw geslacht uitmaakt. De snavel van dezen vogel is 
dan ook een weinig krachtiger, de nagel van den achterteen langer, dan die der 
overige Piepers. 

Deze vogels verschillen, al naar het klimaat of den grond waarop zij leven, 
zeer opmerkelijk in grondkleur van gevederte, zoodat zij, even als de Leeuwerik- 
achtige vogels, nu eens met eene rosroode, dan weder met eene zandkleurige tint 
worden aangetroffen. 

Het mannetje is doorgaans iets grooter dan het wijfje. De jongen verschillen 
van hunne ouders door de duidelijk witte randen aan al de vleugel- en staart- 
veêren; bij hen is rug en borst meer gevlekt, bij de ouden gestreept. 

Deze soort bewoont gematigd- en Zuid-Europa, is echter zeldzaam in Spanje, 
doch zeer algemeen in het Zuid-Oosten van ons werelddeel. Zij wordt ook in het 
Himalaya-gebergte, in geheel Engelsch-Indië , Centraal-China en ook in Ceylon 
aangetroffen, doch is in Afrika, voor zoover bekend is, nimmer waargenomen. 

Bij voorkeur houden zij zich op zand- of grasvlakten, heidevelden en in het 
gebergte op. Gedurende den zomer leven zij gepaard, en na den broeitijd bij 
troepjes van 5 a 8, terwijl zij in het najaar Zuid- of Oostwaarts trekken. 

Zij broeijen op den grond, in kloven of ondiepe holten, tusschen steenen, onder 
neergeworpen hakhout of takkebossen, of, zoo als dit in Indië is opgemerkt, 
onder het vuilnis, dat in plantages en op suiker- en maïsvelden in een afgelegen 
hoek op den grond wordt afgezonderd. 



Het nest is zeer eenvoudig uit grashalmen en worteltjes in elkaêr gewerkt. 
Elk broeisel bevat 4 a 6 blaauwachtig of grijsachtig witte, donkergrijs en bruin 
gestipte eijeren. 

In Engelsch-Indië worden , volgens Jerdan , deze vogels met netten gevangen en 
op de markten der steden onder den naam van Ortolanen verkocht, om, even als 
dezen, gebraden en door smulbroêrs gegeten te worden. Andere ornithologen 
beweren daarentegen, dat de zoogenaamde Ortolanen tot eene kleine Leeuwerik- 
soort behooren, welke aldaar menigvuldig voorkomt, terwijl, zoo als overigens alge- 
meen door de Engelsche kolonisten wordt aangenomen, de Groote Pieper er 
slechts toevallig en in geringen getale voorkomt. 

Hier te lande is deze vogel schaarsch en veel minder algemeen, dan in 
België. In de provincie Noord-Braband vindt men hem nu en dan in de heide- 
vlakten en wordt hij, hoe verder men Zuidwaarts trekt, van lieverlede menig- 
vuldiger. Eenige jaren geleden moet hij in de nabijheid der vestingwerken van 
Antwerpen zeer talrijk zijn geweest; althans in verschillende vogelcollectiën vond 
ik op bijna al de aan de huiden gehechte etiquetten Antwerpen als plaats van 
afkomst vermeld, met de dagteekening van September en October 1869 of 1870; 
later vernam ik dan ook, dat juist omstreeks dien tijd vogelaars nabij de vesting- 
werken eene groote menigte «vreemde Leeuwerikken" gevangen hadden. 

Be zang van het mannetje bestaat in een kort en schielijk voortbrengen van de 
syllaben: vriek, riek, riek, pit, pit, pitriek-pitriek'" . Het klinkt echter zeer helder 
en levendig en kan reeds van verre gehoord worden. Onder het voortvliegen 
roept hij: » wiet-ziep" , de laatste syllabe zeer schelluidend en gerekt. 

Beze vogels komen op onze na- en voorjaarsmarkten onder en gelijktijdig met 
de Leeuwerikken voor, ofschoon niet met de vroege of zoogenaamde Winter- 
leeuwerikken, die reeds in Februarij te koop worden aangeboden; de Groote 
Pieper wordt zelden vóór het einde van Maart of het begin van April gezien. 

Men kan ze in gevangenschap in de voor Leeuwerikken geschikte kooijen 
houden , en op gelijke wijze als deze vogels behandelen. Zij eten gaarne kleine 
sprinkhanen en oorwormen, worden zeer mak, doch blijven niettemin hun leven 
lang schrikachtig. Zij zijn, even als alle andere Piepersoorten, zeer oplettend, 
doch zingen, in gevangen staat, zeer zacht of in het geheel niet. 




\ 

v 

I 



V, 



.v i 



DE GKASPIEPER. 

ANTHUS PRATENSIS. 



De verschillende soorten van Piepers vcrtoonen zoo veel onderlinge overeen- 
komst, in kleur zoowel als in gewoonten, dat, wanneer men de beschrijving van 
ééne soort gegeven heeft, nagenoeg alle bijzonderheden, der geheele familie eigen, 
zijn aangegeven. Nu we reeds den Boompieper breedvoerig behandeld hebben, 
blijft ons dan ook weinig belangrijks meer mede te deelen ten opzigte van den 
Gras-, Grooten en Duinpieper, dan alleen, dat de hier afgebeelde hoofdzakelijk op 
het weiland of grasveld, en de twee laatstgenoemden meer op zandvlakten leven. 

De Graspieper verschilt echter in zijne kleuren en verkleuring aanmerkelijk 
van den Boompieper , namelijk in bijzondere jaargetijden ; want alleen 's winters 
dragen deze twee soorten een zoo op elkaêr gelijkend vederkleed ; des zomers is 
de Graspieper steeds groener van kleur en heeft hij de streep boven het oog 
duidelijker. In alle jaargetijden is hij echter blanker aan de keel, althans in 
gematigd Europa ; want men vindt in het Oosten en Zuid-Oosten van ons 
werelddeel bruinere rassen, wier kleur met die van den Boompieper zeer over- 
eenkomen. Gewoonlijk is de Graspieper kleiner dan al de overige Europesche 
soorten; doch bij alle Piepersoorlen verschillen de individuen aanmerkelijk in 
grootte. 

Bij nadere beschouwing echter zijn deze twee anders zoo gelijke soorten 
gemakkelijk te herkennen aan den vorm der nagels ; bij den Veld- of Gras- en 
bij den Roodhalspieper (Anthus cervinus), uit het Zuid-Oosten van Europa, zijn 
namelijk de nagels regter en, vooral die van den achterteen, veel langer. De 
Boompieper heeft buitendien een zwaarderen snavel en meer afgeronde vleugels, 
waarvan de derde en vierde de langste zijn; bij de overige soorten daarentegen 
zijn de tweede, derde en vierde van gelijke lengte en tevens de langste. 



De Graspieper wordt over geheel gematigd en Noord-Europa, alsook in 't 
Noord-Westen van Azië, broeijende aangetroffen, 's Winters vindt men hem in 
het zuidelijk gedeelte van ons werelddeel en in Noord-Afrika. Het zijn echter 
slechts gedeeltelijk trekvogels, daar zij in gematigd Europa gedurende het geheele 
jaar voorkomen. Men neme echter in aanmerking, dat, ofschoon in de hier 
bedoelde landen deze soort steeds vertegenwoordigd is, toch de voorwerpen , die er 
's winters gezien worden, niet dezelfden zijn, die er des zomers gebroeid hebben, 
maar andere individuen, die uit koudere streken daarheen zijn getrokken en dus 
alleen de plaats hebben ingenomen van de aldaar vroeger gewoond hebbende 
voorwerpen, die op hunne beurt eveneens zuidelijker zijn afgedaald. Even als de 
Leeuwerikken, dolen en zwerven zij bij troepen , vereenigen zich met dezen, alsook 
met Kwikstaarten, en vliegen zoo gedurende den herfst en de eerste weken van 
den winter rond. 

Het mannetje zingt zacht en kwelend, doch slechts voor eenige oogenblik- 
ken. Gedurende den paartijd rijst hij onder het zingen langzaam en trillend 
omhoog, zelden hooger dan eenige voeten boven het grasveld, en daalt, zoodra 
zijn lied is uitgezongen, weer even langzaam omlaag. Soms zet hij zich op een 
heester of een hek, onbezorgd voortkwelende ; doch zóó zacht is zijn geluid, dat 
men alleen door hem ongemerkt te naderen zijn slepend liedje hooren kan. 

Het nestje ligt tusschen gras, meestal in eene oneffenheid van den grond en 
dikwijls onder de brandnetels, wilde zuring of andere breedbladerige planten, en 
is uit graswortels, dun stroo en paardenhaar zeer eenvoudig zaamgesteld. De 
4 a 6 eijeren zijn licht zand- of roskleurig, met ontelbare, kleine, donkere vlekjes 
en streepjes over de geheele schaal. Het mannetje zet zich soms op het nest, 
waarschijnlijk echter alleen om zijn wijfje eenige minuten af te lossen; want 
spoedig ziet men hem weder in de ruimte ; trouwens heeft men ook daar, waar 
mannetjes op het nest gevangen werden, geene sporen van broeivlekken gevonden. 

De jongen verlaten het nest zeer spoedig, even als de jonge Leeuwerikken 
en Kwikstaarten, welke in korter tijd, dan voor het uitbroeijen der eijeren noodig 
is, genoegzaam ontwikkeld zijn om in hun onderhoud te kunnen voorzien. Bij 
de meeste andere in boomen of holen broeijende vogels vereischt de opvoeding 
der jongen een langer tijdperk, dan het uitbroeijen der eijeren, waarmede gewoonlijk 
12 a 14 dagen verloopen, terwijl de opvoeding of genoegzame ontwikkeling der 
jongen 14 a 19 dagen vordert. Op den grond, onder het gras, zijn dan ook de 



jeugdige spruiten steeds veilig en kunnen niet vallen of zich bezeeren, en zij 
behoeven daar ook hunne vleugels niet zoo spoedig te gebruiken. Jonge zangers, 
Lijsters en Vinken, daarentegen, dienen behoorlijk te kunnen vliegen, alvorens de 
wijde wereld in te gaan, of zij vallen terstond ter prooi aan roofdieren of straat- 
jongens, waarvan zij, vooral van de laatsten, toch reeds genoeg te duchten hebben. 
Men voêre den Graspieper op gelijke wijze als de vroeger beschreven soort, 
geve hem dezelfde soort van kooi, en vooral zonnelicht en versche lucht, alsmede 
water, waarin hij zich kan baden. 




' 't ' /v :, v // ,;// j'f ■ r/f IV 



P.'VfM.üraP exc 






DE ROZENSPREEUW, 

PASTOR ROSEUS. . 



De Rozen- of Rosé -Spreeuw bewoont voornamelijk het Zuid-Oosten van 
Europa , een groot gedeelte van Azië en Noord-Afrika. In gematigd Europa is hij 
zeldzamer; evenwel bezoekt hij ook, ofschoon in geringen getale, dikwijls onze 
grensprovinciën, en is zelfs eens of meermalen nabij 's Gravenhage op het vinkennet 
gevangen. 

Het mannetje is iets sterker gekleurd, dan het wijfje, hetwelk de roode borst 
en rugveêren flets rosé, en kop, staart en vleugels nagenoeg zonder metaalglans 
heeft. De jongen hebben in hun eerste vederkleed veel overeenkomst met die van 
onzen gewonen Spreeuw, doch zijn steeds kleiner en over het geheel een weinig 
lichter van kleur. 

Ook de zang van het mannetje komt met dien van onzen Spreeuw nagenoeg 
geheel overeen en is zelfs nog eenvoudiger. 

Het voedsel dezer vogels bestaat hoofdzakelijk uit sprinkhanen, en hunne 
onverwachte verschijning in de somtijds door sprinkhanen bezochte landen wordt 
door de inwoners steeds voor een ongunstig voorteeken gehouden. Zij eten ook 
aardwormen, vruchten en zaden. 

Even als de Gewone Spreeuw, nestelen zij in boomholten en in scheuren 
van oude muren en ook hunne eijeren zijn blaauwgroen, doch kleiner. 

Zij vliegen echter niet in zulk eene menigte of bij zwermen rond, doch 
meestal bij troepjes van ongeveer 10 stuks. Ook houden zij zich niet in water- 
rijke oorden nabij de steden op, maar bij voorkeur in drooge, stille streken. Zij 
zijn schuwer dan onze Spreeuw en hebben de gewoonte om, als zij vervolgd 
worden, zich eene geruime poos tusschen het hooge gras of in holten te verschuilen. 
Daar deze vogel dikwijls in de nabijheid van grazende schapen wordt opgemerkt, 



•vooral in Spanje en Italië, heeft men hem daar »herder" (Pastor) genoemd, en 
vindt men hem onder dien naam ook wetenschappelijk beschreven. 

Men kan den Rozenspreeuw op gelijke wijze, als de gewone zwarte soort, in 
de kooi houden en met allerlei bezien, vleesch, ei en broodkruimels voeren. 
Reeds alleen door zijn fraai gevederte is hij een schoone kamervogel, terwijl hij, 
even als de Zwarte of Gewone Spreeuw, door zijne aangeboren, vertrouwelijke 
nieuwsgierigheid, zeer spoedig de genegenheid zijns meesters weet te winnen. Als 
kooivogel heeft hij trouwens veel aanbevelenswaardigs ; hij zingt, met den kop 
achterover, op een poot zittende, en maakt daarbij trillende bewegingen met de 
vleugels. Zijn geluid is zacht, weinig gevarieerd, en herinnert den toehoorder aan 
het kabbelen van het water of het ritselen der boombladeren. Hij is zeer oplet- 
tend en legt veel verstand aan den dag; hij leeft gaarne met soortver wanten of 
andere vogels, eet weinig, en kan zeer oud worden. 








^ 
5S 



A 




$ 




i 



1 



DE TKOEPIAAL. 

IGTERUS JAMAICAI. 



De Troepialen kunnen met eenig regt de Spreeuwen der nieuwe wereld 
genoemd worden. Althans komen hun snavel en hunne pooten, wat den algemeenen 
vorm betreft, die van de Spreeuwen der oude wereld zeer nabij. Door hunne 
overige ligchaamsdeelen daarentegen, even als door hunne kleuren en levenswijze, 
kenmerken zij zich als eene geheel op zich zelf staande familie. Zij vliegen niet 
zoo snel als onze Spreeuwen, doch zijn veel behendiger in het klauteren. Bij al 
de tot deze familie behoorende soorten zijn de kleuren schitterend , meestal 
oranje of geel en zwart of zwart met roode schouderveêren. De wijfjes en jongen 
zijn groener of graauwer en meer gestreept, even als de wijfjes van onzen in 
kleur met deze vogels overeenstemmenden Wielewaal. Zij leven steeds in de 
boomen, bouwen hunne nesten op gelijke wijze als de Wevers, en bezitten een 
sterk en helder fluitend stemgeluid. De naam Troepiaal is van hun gewoon geroep 
(nagenoeg als dat van den Wielewaal luidende) afgeleid. Er komen verschillende 
soorten voor, die, naar mate van de localiteit, die zij bewonen, van de soort- 
gelijke typen afwijken en gewoonlijk als standvastige variëteiten of sub-species 
worden aangemerkt. Zoo vinden wij, b. v., van den hier afgebeelden Troepiaal 
eene grootere variëteit met eene blaauwe, kale oogstreek; dezelfde bijzonderheid 
is ook aan de twee geel- en zwartkleurige soorten (gewoonlijk Baltimore-vogels 
genoemd) alleen eigen. 

Icterus jamaicai bewoont het grootst gedeelte van Brazilië met Jamaica, 
alwaar ook, naar men wil, de hier afgebeelde soort, zonder kale oogstreek, 
moet te huis behooren. Volgens Prins von Wied , bewonen deze vogels de digtbe- 
groeide bosschen, doch vliegen zij na den broeitijd bij troepjes rond en bezoeken 
dan de vlakten; volgens latere schrijvers daarentegen, zoeken zij meer de nabijheid 



van het water en bouwen zij hunne nesten, meestal 10 a 20 voet boven het 
water, aan de overhangende takken, doch nestelen zij ook zeer dikwijls hoog in 
den boom, vooral als deze langs sterk stroomende of bevaarde rivieren gelegen zijn. 

Het wijfje dezer soort is donker groenachtig bruin op de bovendeelen en 
vrij duidelijk gevlekt, daar elke veder een lichteren rand heeft; borst en zijden 
heeft zij groenachtig, staart en vleugelpennen bruinzwart, het overige ligchaam, 
namelijk keel, buik en stuit, flets geel. De jongen zijn veel lichter van geel, 
duidelijker gevlekt, en hebben donkere oogen en een bruinen bek. 

Het nest is gewoonlijk zeer groot en gelijkt naar dat van onzen Wielewaal , 
doch heeft eene kleinere opening , welke soms min of meer op zijde is aangebragt. 
Dikwijls hangt het nest zeer laag aan de takken, doordien het onder het broeijen 
verzakt en de vier of meer hechtpunten langer worden of uitrekken. De bouw- 
stoffen zijn ook buig- en rekzamer dan die, welke de Wielewaal gebruikt; zij 
bestaan hoofdzakelijk uit vlasdraden, haarachtige aanhangsels van palmen, wortels, 
insectenweefsels en veeren. Het. eenige nest, dat ik ten onderzoek verkrijgen kon, 
herinnerde mij, wat vorm en bouw betreft, aan een Staartmeezennest in 't groot, 
doch met eene wijdere, boven aangebragte opening. De eijeren — men vindt er 
4 a 6 in een broeisel — zijn licht blaauwgroen (na eenige dagen broeijens 
worden ze nog veel lichter), met roode en purpere vlekken, en gelijken veel 
naar die van onzen Grooten Karekiet (Cal. turdoïdes). Naar men zegt , broeit deze 
soort tweemaal 'sjaars, de Baltimore-vogel uit Noord-Amerika daarentegen slechts 
éénmaal. 

Het voedsel dezer vogels bestaat uit allerlei vruchten, zoo als bananen, oranje- 
appelen en allerlei bezien. Zij zijn ook insecteneters, doch nuttigen alleen weeke 
larven, spinnen en vlinders. 

Hun gezang is zeer eenvoudig, doch helder en vrolijk; hun geroep klinkt 
als »oeiek-wiek, oeiek-wiek". Als zij boos worden of zich over iets verwonderen, 
schreeuwen zij, even als onze Spreeuwen: »ègr-è". Zij kunnen ook de geluiden 
van andere vogels nabootsen. Zoowel in hun zingen als in hunne overige 
, gewoonten vertoonen zij een zeer speelzieken en levendigen aard. Niet zelden 
.vereenigen zij zich bij troepen; om onophoudelijk van het eene dier naar het 
andere te vliegen , ten einde dit door hevig geschreeuw op te jagen. Zoodra een 
hunner iets bijzonders ontdekt, is spoedig het geheele woud in rep en roer; 
want onmiddellijk komen dan zijne makkers, steeds tot plagen bereid, uit hunne 



schuilhoeken te voorschijn, en schreeuwen en tieren zoolang totdat het door hen 
aangerande dier of voorwerp de vlugt neemt of verwijderd wordt. Een staaltje 
hiervan verhaalt een vogelverzamelaar uit Jamaica. Op zekeren avond had hij 
toevallig zijn stroohoed op eene heg langs de plantage laten liggen; den daarop 
volgenden ochtend was het geheele terrein rondom zijn huis door Troepialen in 
beslag genomen; zij vlogen rondom den hoed, bleven er boven fladderen, en 
maakten zulk een getier, dat de geheele zwarte bewoning der plantage kwam 
toeloopen, om te zien wat er gaande was. Bij nader onderzoek bleek nu, dat een 
der vogels toevallig eenige zijner staartveêren in eene scheur van den hoed, ('t was 
een oude) tusschen het stroovlechtsel had laten steken, hetgeen bewees, dat 
de nieuwsgierige bezoekers het verdachte voorwerp reeds van zeer nabij onder- 
zocht hadden. Toen de hoed weer op het hoofd zijns eigenaars geplaatst werd , 
schenen de vogels zich te herinneren, dat zij zoo iets wel eens meer hadden 
gezien, en er eigenlijk niets bijzonders aan was; althans binnen eenige minuten 
was de geheele vlugt verdwenen. 

Men brengt deze vogels dikwijls levend naar Europa, en men ziet ze dan 
ook geregeld in de groote steden van Portugal en Engeland. Zelden echter ziet 
men de wijfjes in gevangen staat. De gemiddelde prijs is f 20 voor het mannetje 
van alle bekende soorten. Eenige maanden geleden kocht ik er een voor een 
bagatel, maar het dier verkeerde ook in zoo erbarmelijken toestand, dat de 
verkooper bij slot van rekening nog goede zaken had gedaan. Het arme dier 
was nagenoeg geheel kaal geruid en bibberde van kou , ofschoon het nog zomer 
was; zijne oogen stonden echter goed, en daarom verwachtte ik eene spoedige 
beterschap. Langzaam aan kwamen kan ook de veeren weer te voorschijn; de 
vogel werd mak en begon te fluiten, at vreeselijk veel gedurende de eerste twee 
weken, maar was na ongeveer twee maanden zoo goed als iedere andere kooi- 
vogel. Ik voerde hem met kruimels brood en gehakt ei, gekookte krenten of 
rozijnen, kersen, peren en allerlei bezien; brood met vruchtengelei of een stukje 
gekookte aardappel at hij gaarne; ook meelwormen en miereneijeren kreeg hij nu 
en dan onder zijn ander voedsel; de eerste pikte hij meestal uit de hand, of hij 
speelde er meê door ze in zijn drinkwater te doen verdrinken. Daar de vogel 
echter weder aanleg tot kaalworden vertoonde, plaatste ik hem in de zonnewarmte 
in eene ruime volière, groot genoeg om er in te kunnen vliegen (hetgeen steeds 
het ruijen en aangroeijen der veeren bevordert) ; doch ongelukkig was die kooi 



in lang niet in gebruik geweest, zoodat ik de absentie van eenige traliën eerst 
ontdekte toen de vogel ontsnapt was en hoog in de lucht door de straatinusschen 
vervolgd en uitgejouwd werd. Eenigen tijd daarna werd mijn ontvlugte vogel 
door zeker schietlustig persoon in de nabuurschap van Londen neergeschoten, 
en daarop in de nieuwsbladen vermeld als een «zeldzaam Amerikaansch bezoeker". 




P/W.ltt.Tr p,so 



DE BALTIMOKEVOGfEL. 

ICTERUS BALTIMORE. 



Deze vogel is in zijn vaderland onder verschillende namen bekend. Men noemt 
hem daar Baltimore Hangnest, omdat zijne kleuren, zwart en oranje, ook de 
kleuren zijn of waren van het wapen van lord Baltimore, den voormaligen eigenaar 
van Maryland. Men noemt hem ook Golden Starling, American Oriole en Mississippi 
Hangnest. De vogelhandelaren hier te lande noemen hem Baltimore, Troepiaal, 
Gele Spreeuw; in Frankrijk, Baltimore commandeur ; in Engeland, American Starling 
of Oriole. 

Deze vogelsoort bewoont Noord-Amerika, van Canada tot Mexico; in de meer 
zuidelijke streken is zij gewoonlijk iets donkerder van kleur, meer naar het 
oranje trekkende. Er bestaat bij deze vogels ook een zeer kennelijk verschil in 
grootte, zoowel tusschen de seksen als tusschen de mannelijke individuen onder- 
ling; gewoonlijk zijn de wijfjes een duim korter en, even als die van den vroeger 
beschreven Troepiaal, fletser van kleur. Sommige mannetjes hebben den staart 
bijna geheel wit en de pennen slechts aan den wortel zwart; bij anderen daaren- 
tegen is alleen de buitenhelft der buitenste staartpennen wit. 

Volgens Audubon vindt men deze vogels tot op 55° Noorder-breedte, 
waar zij broeijen en van waar zij later zuidwaarts trekken, terwijl de meer zuide- 
lijk wonende voorwerpen standvogels zijn. In het Zuiden, zegt dezelfde schrijver, 
bouwen zij nesten aan de noord- of schaduwzijde van den boom, en maken zij een 
dun, ligt en los geweven nest, opdat de wind er door zou kunnen spelen; in het 
Noorden daarentegen ligt het nest zooveel mogelijk aan de zuidzijde, in het meest 
door de zon beschenen gedeelte, en zijn de nesten groot, digt en warm gevoerd. 
Gewoonlijk lijdt de katoenplantage, vooral de reeds geplukte wol die ter bleeking 
ligt, door hunne drukke bezoeken eenige schade, daar de ouden veel meer weg- 



slepen, dan voor den nestbouw noodig is. De nesten zien er daardoor bijzonder 
net uit; want katoen is zeer handelbaar en laat zich gemakkelijk pluizen, verwer- 
ken en tot draden maken. Het wijfje legt 4 a 6 lichtblaauwe, donker gevlekte 
eijeren. De jongen komen na veertien dagen broeijens te voorschijn en, zoodra 
zij drie weken oud zijn, kruipen zij naar buiten, hangen aan het nest en koeste- 
ren zich in den zonneschijn. Volgens latere schrijvers, broeijen deze vogels in de 
meer noordelijke streken slechts eenmaal, doordien daar de zomer korter is, ter- 
wijl hunne zuidelijker wonende soortverwanten door den langeren duur van den 
zomer in staat gesteld worden, twee broeisels groot te brengen. Daar de eerstge- 
noemden, door koude gedwongen, zuidwaarts trekken, ontmoeten zij gedurende 
hunne overwintering de zuidelijke voorwerpen, en vliegen met dezen bij geheele 
scholen over vlakte en berg, in het bosch en ook in den omtrek der steden, 
waar zij dan dikwijls de tuinen bezoeken. 

Even als de reeds vroeger beschreven Icterus jamaicci, voeden zij zich 
met vruchten en insecten, en zij leiden ook nagenoeg dezelfde levenswijze, als 
deze vogel. 

In de volière bieden zij veel genoegen aan, daar zij zeer schrander, oplet- 
tend en vertrouwelijk zijn, even speelziek en grappig als de Troepiaal, doch, 
naar het mij voorkomt, verstandiger dan deze. Bij gebrek aan eene volière, houde 
men hen liefst in een warm vertrek, in eene ruime en zooveel mogelijk verlichte 
kooi ; in duistere vertrekken toch raken deze vogels al zeer spoedig aan 't kwijnen 
en verbleekt hun gevederte, terwijl de warmte der zon hun niet alleen aangenaam, 
maar ook zeer noodzakelijk is. Zij zijn zeer levendig van aard en springen, flui- 
tende, op den duur van den eenen rüststok op den anderen; ook nemen zij gaarne 
een bad, waarbij zij zich gewoonlijk doornat maken. Is de Baltimore eenmaal met 
de hem omringende personen bekend, dan bijt hij naar alle vreemdelingen, die 
zijne kooi naderen of aanraken; soms echter brengt hij ook zijn meester beten toe 
als deze. zijne ledige vingers voor de traliën houdt of den vogel spijs toedient, 
welke niet in zijn smaak valt. 

Ruim twee jaar geleden had ik er een, die bijzonder twistziek, doch zeer ver- 
standig was. Hij pikte alleen naar vreemdelingen of naar andere vogels die, vrij- 
gelaten, soms op zijne kooi kwamen rusten. Eens had hij een lastigen bezoeker 
te verdrijven, doch behaalde na langen strijd de overwinning. Het was een aller- 
aardigst schouwspel, vooral doordien de beide partijen elkander naauwelijks raken 



konden. Een Appel vink, namelijk, was uit zijne kooi ontvlugt en, na de kamer te 
hebben rondgevlogen, op den voederbak van den Baltimore neergevallen; het gla- 
zen schuifje belette hem iets van het voedsel weg te pikken, maar aan den ande- 
ren kant belette het ook den bewoner der kooi, den vreemden indringer te verja- 
gen. Een tijd lang deden beiden al hun best om naar elkander te bijten, natuurlijk 
echter te vergeefs, daar het glas telkens hunne snavels deed afglijden. Eindelijk 
vloog de Appelvink tegen de traliën, en nu nam het gevecht een aanvang. De 
Baltimore kon met zijn langen bek gemakkelijk zijn tegenstander, door de traliën 
heen, eenige pikken toebrengen, doch de Appelvink was door zijn dikken snavel 
geheel buiten staat zijn vijand te bereiken. Ten slotte echter gelukte het den laatst- 
genoemde, de juist naar buiten stekende vleugelpunt zijner tegenpartij vast te 
grijpen en naar buiten te trekken, doch op hetzelfde oogenblik haalde de Baltimore 
hem de poot naar binnen. Dit alles gebeurde in slechts weinige seconden, en ik 
kwam juist bij tijds om hen te scheiden; doch steeds zijn die twee vogels kwade 
vrienden gebleven. 

De koopprijs van den Baltimore is gewoonlijk een dollar in Canada, 15 shil- 
lings bij zijne aankomst in Liverpool of Londen, en, al naar het uiterlijk of de 
qualiteit van den kooper, 25 a 45 shillings bij den vogelhandelaar. De wijfjes 
worden echter zelden herwaarts overgevoerd, misschien wel omdat zij, in tegen- 
stelling van hare echtgenooten , zoo eenvoudig' gekleurd zijn. 







V /'//■;//>'/'// A' 



P. T O.T 



DE BIJSTGOKS. 

DOLIGHOUYX ORYZIVORUS. 



Terwijl het oostelijk gedeelte der oude wereld een vogel bezit, die hoofdza- 
kelijk de rijstvelden bezoekt, zich dit graan tot voedsel kiest en onder den naam 
van Rijstvogel bekend is, vinden wij ook in Amerika eene zeer zonderling 
gevormde, evenzeer als schadelijk te boek staande vogelsoort, welke nagenoeg 
dezelfde levenswijze leidt en met denzelfden naam wordt aangeduid. De rijstvel- 
den van Noord-Amerika worden namelijk door talrijke zwermen dezer vogels 
bewoond, die daar even ongaarne gezien worden, als de Padda of Rijstvogel in 
Oost-Indië. Niet alleen toch berooven zij de halmen van hunne korrels , maar zij 
eten ook de jonge scheuten, zoodra die slechts eenige duimen boven den grond 
gekomen zijn ; daarbij hebben zij de gewoonte om rijpe korrels naar buiten te 
drijven en den aldus geledigden halm verder onaangeroerd te laten, zoodat de 
aangerigte schade niet onmiddellijk zigtbaar wordt. 

De planters noemen dezen vogel Rice-bird, Rice-bunting en, naar zijn geluid, 
Roblink of Robbelink. Ik heb hem Rijstgorst genoemd , omdat zijn snavel vrij wel 
op dien der Gorzen gelijkt. Eigenlijk is hij een geheel op zich zelf staande vogel, 
en, zoo we hem al met andere vogelsoorten vergelijken wilden, dan heeft hij 
evenveel van de Gorzen of Muschgorzen als van de Troepialen; inzonderheid heeft 
het mannetje nagenoeg dezelfde kleuren als dat van de laatstgenoemde vogelsoort, 
terwijl de jongen en de wijfjes dermate op die der Gorzen gelijken, dat men ze 
moeijelijk van elkaêr kan onderscheiden. 

Des zomers draagt het mannetje een vederkleed, geheel van dat zijner weder- 
helft verschillende; doch die fraaije kleuren moet hij reeds na drie of vier maan- 
den verliezen, iets dat bij de Troepialen nimmer, bij de Gorzen slechts ten op- 
zigte van eenige soorten het geval is. In zijn winterkleed is hij, even als de wijf- 



jes en jongen, zeer eenvoudig gekleurd en heeft dan veel overeenkomst met 
de wijfjes der verschillende Vuurwevers (Euplectes), alsook, vooral de jongen, 
met de Graauwe Gors (Emberiza miliaria), hoewel de jongen een geler bek 
hebben; de wijfjes en mannetjes onderscheiden zich echter in hun winter- 
kleed van alle in kleur verwante vogels door de lange schachten hunner staart- 
pennen, waarom men ze in de wetenschap ook als Dol. agripennis beschreven 
vindt. 

Deze vogels vliegen zeer snel, en hunne vlugt is geheel gelijk aan die onzer 
Spreeuwen, waarmede zij dan ook, wat vleugelbeweging betreft, het best te 
vergelijken zijn. Op den grond huppelen zij met fiksche sprongen, doch loopen 
ook, even als de Leeuwerik. Terstond na den oogsttijd verlaten zij hun vaderland 
en trekken zuidwaarts tot West-Indië en Brazilië, alwaar zij dan weder verschen 
voorraad op de bloeijende rijst- en maïsvelden vinden. Tegen het einde van Mei 
zijn zij echter weder in hun vaderland teruggekeerd, waar men ze dan, even 
als op den najaarstrek, ten einde de door hen aan te rigten schade zooveel 
mogelijk te voorkomen, op allerlei wijze tracht te vangen en te verdelgen. Men 
brengt ze vervolgens te New-York ter markt en verkoopt ze tegen 3 cents per 
dozijn, waarop zij, even als ten onzent de Vinken en Leeuwerikken, voor de 
keuken bestemd worden. 

Intusschen dienen we, ter wille der regtvaardigheid, wél te doen uitkomen, 
dat ook deze vogels — trouwens gelijk zoo velen hunner miskende natuurgenoo- 
ten — de door hen aangerigte schade ruimschoots vergoeden door het vernielen 
eener menigte insecten, als sprinkhanen, slakken en rupsen, waarmede zij hunne 
jongen voeren en die zij zelven gedurende het warme seizoen mede gaarne 
nuttigen. De Amerikaansche planter echter — en is in ons werelddeel overal 
de landman in dit opzigt veel wijzer? — wil dit niet inzien en blijft den vogel 
vijandig; want, zoo redeneert hij, de aangerigte schade laat duidelijke sporen 
na, maar van al dat goed, dat die vogels zouden doen, neen, daarvan hebben 
we nog nimmer de bewijzen gezien, 't Is ook waar: van een eenmaal verslonden 
insect blijft niets ter nagedachtenis over! Toch mogten èn planter èn landman 
wel eens bedenken — we zeggen «bedenken": want te berekenen, op millioenen 
na, is het niet — welk eene verbazende graan en groente en vruchten verte- 
rende nakomelingschap er van zoo'n paar insecten kan groeijen . . . zoo er geen 
vogels waren, die ze verslonden! 



Keeren we echter na deze korte uitweiding — die, naar we hopen, waar het 
te pas mogt komen, als een welgemeende wenk zal ter harte genomen worden — 
tot onze Rijstgorzen terug. Zij leggen hunne nesten, tusschen de halmen, op den 
grond aan, en stellen die inderdaad zeer kunstmatig zamen. Daar zij de noodige 
bouwmaterialen in hunne onmiddellijke nabijheid vinden, en voor het nestelen 
het digtst begroeide gedeelte van het rijstveld kiezen, worden hunne nesten, 
ofschoon er soms een twintigtal naast elkander liggen, niet gemakkelijk ontdekt. 
De mannetjes stijgen soms zingende van het nest omhoog, en sjirpen en kwet- 
teren van 's morgens vroeg tot laat in den avond ; zij bemoeijen zich trouwens 
weinig met hun kroost; wél daarentegen houden zij elkander scherp in 't oog, 
daar het wel eens gebeurt, dat er bij die heeren abuizen voorvallen, zoodat de 
heer gemaal zich genoodzaakt ziet, vreemde indringers van het nest of uit de 
nabijheid van zijn wijfje te verdrijven. 

De Rijstgors broeit jaarlijks slechts éénmaal; elk broeisel bevat gewoonlijk 
een zestal eijeren, die alleen door het wijfje worden uitgebroeid; ze zijn vuil 
blaauwachtig wit of lichtblaauw, met donker purperbruine en zwarte vlekken, 
en hebben eenige overeenkomst met die van onzen Leeuwerik , doch zijn spitser 
aan de punt, terwijl de vlekken minder talrijk en grooter zijn. 

Men ziet de Rijstgorzen dikwijls bij de vogelhandelaren in de zeesteden; 
maar gewoonlijk brengen zij weinig voordeel aan, althans wanneer zij niet juist 
in hun zomergewaad arriveren. De koopprijs is gewoonlijk /' 6 het paar; te 
Londen iets minder; te New-York kan men de mannetjes in het najaar tegen 1 
cent, doch, als zij zingen en in hun prachtkleed gedost zijn, niet beneden 20 
a 30 cent bekomen. Scheepslui verzekeren, dat er jaarlijks duizenden naar 
Europa verzonden worden, doch dat de meesten reeds na eenige dagen weder 
in vrijheid worden gesteld, omdat zij niet slechts een vervaarlijk geraas maken, 
maar ook hunne geheele waarde aan voer opeten, zoodat zij bij slot van reke- 
ning meer aan onderhoud kosten, dan zij opbrengen. 

Het zijn niettemin alleraardigste kooivogels, altijd vrolijk, levendig en schier 
op den duur fluitende. Het mannetje zingt een vrij helder en zuiver klinkend 
liedje , in den toonaard van den Leeuwerik , doch op de wijze van de Geelgors ; 
evenwel zingt hij minder aanhoudend dan de eerstgenoemde; in het volle van 
zijn zang laat hij dikwijls eene geheele reeks klimmende toonen hooren, een 
geluid dat men het best kan nabootsen door met den vinger schielijk langs de 



hoogste toetsen eener piano te strijken. Daar zij meestal paarsgewijze worden 
verkocht en, zoo als ik waarnam, gaarne pluizen en tusschen de traliën weven, 
is het zeer wel mogelijk dat zij ook in gevangenschap kunnen broeijen, hetgeen 
echter, voor zooverre mij bekend is, nog nimmer bij eenig vogelliefhebber het 
geval is geweest. 







■ 



■ 



'e f/r/r A-r/ /^/f //sss/, 






DE GELE KABDOAAL 

GUBERNAÏRIX CRISTATELLA. 



De Gele Kardinaal bewoont een groot gedeelte van Brazilië en Paraguay, 
alwaar hij zich in hel lage hout der prairiën en langs de bosschen ophoudt. Ook 
in de kleine en met laag hout begroeide vlakten der tropische wouden wordt hij, 
steeds in troepjes of paarsgewijze , aangetroffen. 

Hij behoort tot eene der fraaiste vogelsoorten, welke men in die streken 
ontmoet; daarbij komt, dat hij hoofdzakelijk op of nabij die plaatsen 
leeft, waar thans plantages zijn aangelegd, zoodat hij meer dan andere 
kleine vogelsoorten wordt opgemerkt. Ten opzigte van levenswijze en kleur nadert 
hij eenigzins de Veldgorzen of, juister gezegd, staat hij tusschen dezen en de 
Dikbekken in, terwijl zijne bewegingen meer met die der Wevers overeenkomen. 
Onophoudelijk in de weer, doorvliegt hij echter slechts korte afstanden; hij blijft 
liefst in 't groen, springt, vliegt en dartelt daar op en neer, nestelt in de hees- 
ters der plantages, en is zoodoende de voornaamste bezoeker der bebouwde 
gronden. 

De Brazilianen kennen dezen vogel onder den naam van Cardinalo amarello 
en Gobernador. Laatstgenoemde titel wordt hem door de meer beschaafde bewo- 
ners gegeven, en waarschijnlijk is deze, even als de wetenschappelijke geslachts- 
naam Gubernatrix (gouvernante of opzigtster), afgeleid van zijne gewoonte om 
zich met de jongen van andere vogelsoorten te bemoeijen en ze, zoodra zij uit- 
gevlogen zijn, met voeder te vervolgen: eene gewoonte trouwens, waarin onze 
Leeuwerikken hem evenaren. 

Aangaande de wijze van broeijen, het nest en de eijeren van dezen vogel in 
den vrijen staat, is men nog weinig zekers te weten gekomen, naardien de hier- 
omtrent ontvangen berigten steeds zeer tegenstrijdig luidden. Daar echter de Kar- 



dinalen, als zij in groote volières worden gehouden, ook in gevangenschap 
hroeijen en, vooral door Duitsche vogellief hebbers, zeer gezocht en breedvoerig 
beschreven zijn, is men in de laatste jaren toch geheel en al met de bijzonder- 
heden hunner voortteling bekend geworden. In verschillende zoölogische tuinen, 
zooals te Londen, en volgens dr. Brehm ook te Frankfort, Keulen en Berlijn, 
heeft men in den laatsten tijd jaarlijks eenige jongen dezer vogelsoort aange- 
kweekt. De nesten waren, al naar omstandigheden, tusschen takken, of in een 
hoek langs of op het houtwerk, bevestigd en uit plantenvezels, zooals het haar- 
achlige pluis der cocosnoot, gebouwd. Een drietal eijeren, door Brehm in den 
zoölogischen tuin te Berlijn waargenomen, hadden eene graauwe tint met don- 
kere vlekken; andere eijeren, gedeeltelijk in tammen, gedeeltelijk in vrijen staat 
gelegd, zijn door den welbekenden Duitschen oöloog , dr. Baldamus, als blaauw- 
groenachtig wit, met enkele zwarte punten en vlekken, beschreven. Brehm schat 
den tijd der bebroeijing op 12 a 13 dagen; hij vermeldt voorts, dat beide ouden 
aan het broeijen deelnamen, waarbij het mannetje trouw zijn wijfje afloste en 
even vlijtig in het voeren der jongen was. Doch ook Brehm had, even als 
gewoonlijk ieder vogelliefhebber, met moeijelijkheden te kampen, wilde hij de 
vogels behouden; want »de ouden", zegt hij, «werden na eenigen tijd traag in 
het verzorgen van hun kroost, zoodat ik de jongen in eene kooi moest over- 
brengen en ze zelf voeden. Toen kwamen echter de ouden tot inkeer en fladderden 
met voeder rondom de kooi. Daar nu het wijfje te tweeden male tot. eijerleggen 
bereid scheen, trokken beide ouden weder naar hun vorigen broeikorf, waarin 
de eerste, nog niet volwassen jongen geboren waren. Terwijl het wijfje zich met 
het tweede broeisel bezig hield, waren intusschen de jongen van het eerste groot 
genoeg om te kunnen vliegen en zich bij hunne ouders te scharen ; zij stelden 
zich dan ook weder onder hunne bescherming en zaten, uren lang, naast hunne 
moeder op het nest". 

De jongen worden, zooals door verschillende vogelkweekers is opgemerkt, 
hoofdzakelijk met insecten (miereneijeren en meelwormen) grootgebragt, terwijl 
de ouden zich met allerlei granen, zaden, versch groen, gekookte rijst, aardap- 
pelen, kastanjes en ook brood voeden. Meelwormen eten zij bijzonder gaarne, 
even als de meeste Vink- en Gorsachlige vogels, wanneer zij in volières worden 
gehouden; doch de meeste dezer vogelsoorten verhezen langzamerhand de natuur- 
lijke zucht naar het zoeken van insecten, en gelijktijdig daarmede ook den bijzon- 



deren smaak voor zulk voedsel, vooral wanneer zij uit hunne ruime woningen 
in kleine, bekrompen kooijen worden overgebragt en steeds den »zaadbak" voor 
den neus hebben ; daarom dienen de Gele en ook de andere soorten van Kardi- 
nalen eene minstens even groote kooi te hebben als die, welke men gewoonlijk 
voor Lijsters of Leeuwerikken bezigt. Daar de Kardinalen zich bijzonder gaarne 
baden en zeer net op hun gevederte zijn, plaatse men dagelijks, lielst 's ochtends, 
een aarden of zinken bakje vol versch water in hunne kooi ; de steenen bakjes , 
die in het huishouden zeepbakjes worden genoemd en uit een schoteltje met 
daarop passend bakje en dekseltje bestaan, zijn (het onderste schoteltje namelijk) 
daarvoor bijzonder geschikt, daar ze voor vogels van gelijke grootte juist den 
vorm en de diepte, dus de vereischte hoedanigheden van een badkuipje, bezitten. 

Een hoofdvereischte is ook, dat men den Gelen Kardinaal afzonderlijk houde, 
aangezien de mannetjes, zoodra zij in elkanders gezelschap zijn, elkaar onmid- 
dellijk den oorlog verklaren, en dan zoo lang vechten, tot een van beiden er het 
leven bij inschiet. 

De Gele Kardinaal is geen groot zangkunstenaar, maar een vrolijke snapper. 
Zijn geluid is helder en hoog van toon, weinig gevarieerd en min oi meer stot- 
terend. In gezonden toestand zingt hij gedurende het grootst gedeelte van den 
dag, behalve in den ruitijd, die van Augustus tot October, soms iets vroeger 
of later, intreedt. Alleen het mannetje zingt, en de jonge mannetjes beginnen reeds 
vóór hun eersten rui te kwelen. 

De seksen zijn gemakkelijk te herkennen, daar het wijfje veel fletser gekleurd 
is; in plaats van geel en zwart, de zoo sierlijke kleuren van het mannetje, is 
het wijfje flets en witachtig op den buik, rondom het oog en op de vleugels; 
in plaats van het zwart aan keel en kuif, heeft zij donkergrijs of graauw; de zijden 
der borst en verdere onderdeelen zijn bij haar vuil grijsachtig groen, met 
duidelijker dwarsstrepen, dan bij het mannetje. De jongen hebben nagenoeg 
dezelfde kleuren als het oude wijfje, doch de borst is bij hen over de geheele 
breedte, even als de nek en de zijden, duidelijk donker en overlangs gestreept. 

Het is een zeer opmerkelijk verschijnsel in de wetten der kleurverdeeling en 
kleurwijziging in vogelvederen, dat bij de meeste vogelsoorten (onverschillig tot 
welk geslacht of welke orde zij behooren ol gerangschikt worden), waarvan het 
mannetje geel, groen en zwart, of geel en zwart gekleurd zijn, de wijfjes steeds 
een meer gestreept, een lichter of graauwer zwart en vooral een veel fletser 



groen of geel vederkleed hebben, terwijl bij allen de jongen aan hunne vlekken 
of meer duidelijk overlangsche strepen te herkennen zijn. Men herinnere zich 
slechts den Wielewaal, of den Wilden Kanarie, het Sijsje, de Geelgors, den Gelen 
Kwikstaart, den Amerikaanschen Baltimore-vogel en nog vele anderen. 

De koopprijs voor een paar is gewoonlijk 30 shillings in Engeland, 12 a 15 
thaler in Duitschland, en 15 a 25 gulden in Nederland. Zij worden nooit in ruime 
mate, althans steeds in minder aantal dan de Roode of Grijze Kardinaal, aangevoerd, 
evenwel zijn zij geenszins zeldzaam maar als kooivogels schier overal bekend. 
Eene poging, onlangs aangewend, om ze in Nieuw-Zeeland te acclimatiseren , is 
nogtans geheel en al mislukt. 




Glftsül 



P¥ M.TWexc. 



/ v ^ -ci6 /f'6(/ { c u//r/ff< 



DE KOODE KAKDINAAL. 

CARDINALIS VIRGINIANUS. 



De Roode Kardinaal bewoont de zuidelijke en gematigde streken van Noord- 
Amerika. Hij is aldaar, even als bij ons, als kooivogel zeer gezocht. 

Van de drie bij ons onder den naam van Kardinaal bekende vogelsoorten, is 
hij de grootste en krachtigste ; door zijn dikken snavel heeft hij eenige overeenkomst 
met sommige tot het geslacht der Wevers behoorende vogels , hoewel dezen in vele 
opzigten, wat den bek betreft, van de Amerikaansche Dikbekken verschillen, 
gelijk op nevensgaande afbeelding zoo duidelijk mogelijk is aangeduid. Het ver- 
schil tusschen beide seksen bestaat daarin, dat het wijfje geen zwart, maar een 
roodachtig bruin aan den kop heeft. Over het algemeen hellen hare kleuren 
meer naar het donker roestroode over, en is zij kleiner. De jongen hebben nage- 
noeg de kleur van het oude wijfje, doch over het geheele ligchaam meer naar 
het olijfbruin trekkende. 

De Roode Kardinaal bouwt zijn nest in struiken. Elk broeisel bevat vier licht- 
blaauwe of witachtige, met "bruine vlekjes bedekte eijeren. De jongen worden door 
beide ouden met zaden, uit den krop, gevoerd. Het voedsel der ouden bestaat 
uit zaden, hoofdzakelijk uit maïs, ook uit pitten en vruchten; insecten echter 
schijnen zij weinig te eten. In den natuurstaat leven deze vogels in struiken, 
meestal nabij het water, en houden zich lang in eene en dezelfde streek op. 

In gevangenschap zijn het alleraardigste vogels. In hunne geaardheid komen 
zij in bijna alle opzigten met den Goudvink overeen; zij zijn bijzonder mak, zeer 
vertrouwelijk, nieuwsgierig en leerzaam.' De mannetjes zijn, vooral tegen het 
voorjaar, allerzotst verliefd, niet alleen op hunne wijfjes, maar ook op andere 
vogelsoorten, waarmede zij in gezelschap zijn; soms ook trachten zij met de man- 
netjes van andere vogels liefdesbetrekkingen aan te knoopen, en sommigen maken 



zelfs tegen opgezette vogels allerpotsierlijkste bewegingen. Het mannetje pronkt 
bij dergelijke gelegenheden: hij ligt namelijk een der vleugels op en buigt zich 
bijna geheel op zijde , namelijk in de tegenovergestelde rigting van den vogel , 
waarvoor hij dit doet. Als men hem voor een spiegel plaatst, maakt hij voor zijn 
eigen beeld allerlei vreemdsoortige gebaren. 

Het mannetje heeft een bijzonder welluidenden zang , welke in sommige opzigten 
aan dien van den Boschleeuwerik herinnert; bij het zingen zit hij meestal rustig 
met den kop in den nek. Zijn lokgeluid komt met dat van den Rijstvogel overeen. 
Sommige voorwerpen zingen in gevangenschap den geheelen dag door , en bootsen 
ook de geluiden van andere vogels na. Indien men ze in groote volières of in de 
kamer laat rondvliegen, broeijen zij weldra, en slepen dan allerlei zachte zelf- 
standigheden naar den daartoe uitgekozen hoek. 

Men voert hen met hennep-, wit- of kanariezaad, pitten van appelen of peren, 
en geeft hun voor versnapering nu en dan een stukje suiker ; zij eten ook 
gekookte rijst, en, bij gebrek van zaden, kan men hun gemalen maïs en boek- 
weit geven. Zij kunnen het in de gevangenschap lang uithouden, en, als men 
hun overvloedig schoon water geeft, waarin zij zich kunnen baden, behouden zij 
ook hunne frissche kleuren, welke anders spoedig vervuilen. 

In sommige streken van Noord-Amerika noemt men ze ook Dominicans, 
terwijl de vogelhandelaren in Engeland hen meestal met den naam van Virginian 
Nightingale bestempelen. De koopprijs verschilt, naar mate van den aanvoer, van 
10 a 20 gulden het paar of van 12 a 15 gulden voor een mannetje. 




X 

X 

^ 

^ 
X 



X 



* 






DE INDIGO-VINK. 

FRINGILLA CYANEA. 



Deze sierlijke vogel werd vroeger, wegens zijne helderblaauwe kleur, als 
eene tot de familie der Tanagra's behoorende soort beschouwd, te meer daar hij 
in nagenoeg dezelfde loealiteiten als deze voorkomt. Latere ornithologen echter 
hebben, nadat de in de Amerikaanscbe ornithologie beroemde Wilson hem reeds 
tot een Vink verheven had, den Indigo-Vogel van de zoo fraai gekleurde Tana- 
gra's afgezonderd; men had namelijk, ofschoon er weinig uiterlijk verschil in' 
vorm tusschen beide typen bestaat, toch ontdekt, dat bij al de Taflagra-soorten 
de maag ontbreekt, en dat zij de vruchten, waarmede zij zich voeden, reeds in 
den slokdarm verteren. 

Wilson vermeldt, dat de Indigo-Vogel omstreeks de tweede week van Mei in 
Pennsylvanië verschijnt, vanwaar hij in het midden van September weder vertrekt, 
en dat hij in Zuid- en Noord-Carolina en Georgia zeer menigvuldig voorkomt en 
tot zeer nabij de steden, zelfs in de tuinen van New-York, wordt gezien. Hij trekt 
zuidwaarts tot Mexico, waar men gedurende het koude seizoen in de heesters 
der vlakten en plantages dikwijls geheele vlugten dezer vogels opmerkL. 

Voorts maakt Wilson de opmerking, dat, ofschoon deze vogel een algemeene 
en zeer fraaije zanger is, en gemakkelijk in kooijen kan gehouden worden, men 
hem toch zeer zelden in gevangen staat aantreft. Dit moge in Wilson 's tijd het 
geval zijn geweest, thans echter is het anders; men vangt ze nu in de Vereenigde 
Staten met netten en knipkooijen, en de prijs, dien men er in Europa voor 
betaalt (4 a 5 gulden), bewijst genoeg, dat zij talrijk genoeg ter markt worden 
aangebragt. 

Het mannetje in zijn volkomen gevederte is helder kobaltblaauw, met lich- 
teren of, naarmate er het licht op valt, groenblaauwen weerschijn. Indigoblaauw 



is hij echter niet; waarschijnlijk werd hij slechts daarom met den naam van 
Indigo-Vogel bestempeld, doordien deze kleur en kleurstof aan de Amerikanen 
meer bekend is, dan de fijnere kunstmatig blaauwe tinten, die wij bij schilders 
of modisten hooren noemen en welke aan de meeste ornithologen in den regel 
geheel onbekend zijn. Gelijk wij reeds zeiden, is deze vogel kobaltblaauw, welke 
kleur in eene ultramijnblaauwe reflectie een obtuse licht of schaduw- en een coe- 
ruleum of coelineblaauw in het hoogste of scherp licht vertoont. Het jonge man- 
netje is in zijn eerste vederkleed flets graauvv en wordt door ruijing eerst grijs- 
achtig, met lichte, onregelmatige randen aan de veeren, en in het daarop volgende 
seizoen, door verkleuring, helderblaauw. Vele mannetjes krijgen na den rui een 
fletser vederkleed, dat eenigzins naar dat van het wijfje gelijkt, doch tegen den 
zomer weder helder wordt. Het wijfje is echter gemakkelijk te herkennen aan 
hare graauwe, leikleurige, doodsche tinten, en slechts eene zeer geringe aandui- 
ding van het fraaije mannelijke kleed is, onder een sterk licht, aan hare boven- 
deelen op te merken. Wel hebben soms zeer oude, vooral de in gevangenschap 
levende wijfjes, een vederkleed, op dat van het mannetje gelijkende; doch zelden 
worden er wijfjes in kooijen gehouden, daar zij, reeds wegens hare kleuren weinig 
aantrekkelijks bezittende, ook geen geluid voortbrengen, dan een zacht vtsip- 
tsip". Het mannetje daarentegen heeft een helder luidenden, langgerekten zang, 
die eenigzins naar het liefelijk gekweel der Kneu zweemt, doch krachtiger is. 

Het nest van den Indigo-Vogel wordt in lage boomen aangelegd en meestal 
tusschen takjes bevestigd. Het ligt soms zeer nabij den grond, en heeft veel over- 
eenkomst met dat van onzen Vink, ofschoon de bouwstoffen eenvoudiger zijn, en 
er zelden mos bij wordt gebruikt. Van binnen is het met zacht gras, vlas of 
haar belegd, terwijl het buitenwerk hoofdzakelijk uit hooi en worteltjes bestaat. 
De eijeren gelijken ook zeer veel op die van den Vink, doch zijn iets kleiner, en 
de bruinroode vlekken meer tot de stompe zijde beperkt. 

Het voedsel dezer vogels bestaat hoofdzakelijk uit zaden en insecten; vruchten 
of bezien eten zij zelden. In de volière zijn het allerliefste vogeltjes en kunnen, 
wat bewegingen en gewoonten betreft, met onze Barmen (Acanthis) op ééne lijn 
gesteld worden. Het mannetje zingt van April tot September, en, als hij met 
andere, vroegere of latere, zangers in gezelschap is, hoort men hem zelfs nog 
in den winter. Voor zooverre bekend is, broeijen deze Vinken niet in gevangen- 
schap. Men voede ze met kanariezaad en jong groen. 






Er worden soms vogels aangevoerd, die in kleur zeer veel met den Indigo- 
Vink overeenstemmen en meestal met denzelfden titel aangeduid worden. Men noemt 
deze ook Blaauwe Kardinalen of Blaauwe Dikbekken. Zij overtreffen den Indigo- 
Vink in grootte, en hun snavel is ook veel krachtiger. Deze vogels bewonen 
Guyana tot Virginië, en zijn in de wetenschap als Dikbekken (Loxia of Cocco- 
thraustes coerulea) beschreven. 

Een andere blaauwe vogel, die wederom met de laatstbedoelde wordt ver- 
ward, bewoont Angola en Mossamedes in West-Afrika. Deze soort heeft een nog 
krachtiger snavel, maar wordt zelden levend naar Europa verzonden. 




j '' ".. ', I ■ 



O/) / / 



P.W.lïi Fi ; axc 



DE PAKADIJSWEÊUW 

VIDUA PARAD1SEA. 



Van al onze kamervogels is de Paradijs- of Koningsweêuw ongetwijfeld de 
meest in 't oog vallende soort. Het is een vogel der salons; in prachtige, gedeco- 
reerde huizen, onder welriekende bloemen en tropische gewassen, te midden van 
rijkdom en weelde, en in eene groote, kostbare volière, daar behoort hij t'huis. 
In een onaanzienlijk kooitje, in een koud, tochtig of slecht gemeubileerd vertrek 
is zulk een vogel volstrekt niet op zijne plaats: hij is er niet in harmonie met 
de omgeving en maakt er ongeveer hetzelfde effect, als een windhond in het 
voorhuis van den melkboer. 

De Paradijsweêuw is, zoolang zijn prachtkleed duurt, een ware aristocraat, 
een bedaarde, deftige vogel, die zich tegenover minder aanzienlijke kooigenooten 
aanstelt, alsof hij ze volstrekt niet kent. Niet dat hij inderdaad van nature zoo 
trotsch is: een vogel is dit nooit; alleen wij verbeelden ons dit, of liever, de 
eigenaardige houdingen, welke een dier soms aanneemt, herinneren ons aan de 
bespottelijke, aanmatigende poses, welke sommige lui in hun onverstand meenen 
te moeten aannemen: zóó vinden we maar al te vaak de gebreken of eigen- 
schappen der menschen bij de dieren terug. Hierbij dient echter wèl in 't oog 
gehouden te worden, dat de houding van het dier, vooral van den vogel, steeds 
aan zijne vormen of aan eene of andere verklaarbare bijzonderheid van zijn kleed 
of gevederte is toe te schrijven. Zoo ook, om ons bij den thans beschreven 
vogel te bepalen, houdt de Paradijsweêuw zich alleen daarom zoo bedaard en zoo 
trotsch overeind, om haar langen staart voor beschadiging te vrijwaren. Zoodra 
echter dit lange sieraad is afgeworpen, wordt zij weder even wild, dartel en 
gezellig, als al hare minder sierlijke natuurgenooten. 

Het vaderland der Pardijsweêuw is Afrika, inzonderheid het Noord-Oosten 



van dit werelddeel. De van daar aangevoerde voorwerpen zijn dan ook in 
den regel grooter en fraaijer gekleurd, dan die, welke men uit West- of Zuid- 
Afrika verkrijgt. Vooral in de bergachtige landen, minder op zeer uitgestrekte 
grasvelden, is deze vogel algemeen, en op de kleine bergvlakten van Abyssinië 
ontmoet men hem tot op 1000 a 2000 meters boven de oppervlakte der zee. 

In West-Afrika zag ik dikwijls dergelijke vogels, vooral mannetjes in hun 
prachtkleed, vliegen; ik weet echter niet, of deze door mij waargenomen voor- 
werpen tot dezelfde soort behoorden, daar ik ze nooit anders dan in de vlugt 
heb gezien. Ik merkte op, dat zij gedurende den broeitijd door hun langen staart 
zeer in hunne vlugt werden belemmerd, en dat, van eene vlugt of van een vlie- 
gend paar, het mannetje altoos achteraank wam. Steeds vlogen deze vogels zeer 
hoog, veel hooger, dan ik ooit van Wevers en kleine Grasvinken heb waar- 
genomen. 

Volgens Layard, leeft en broeit deze soort in het Zuiden van Afrika in de 
maïsvelden , en maakt zij een nest , naar dat van den Vuurwever (Euplectes oryx) 
gelijkende. Andere reizigers, die Afrika bezocht hebben, beschrijven de nesten 
dezer vogelsoort als groot en diep, uit plant- en bladstengels gevlochten en aan 
dunne boomtakken hangende. 

Ik heb nergens eenige beschrijving van de eijeren dezer vogels aangetroffen. 
Daar die eijeren bij de eene soort gevlekt en wit, bij de andere, even als bij alle 
bekende Wevers, lichtblaauw of blaauwachtig wit zijn, is het uiterst moeijelijk te 
bepalen, oi de uit eene of andere broeistreek aangevoerde eijeren van eene Para- 
dijsweêuw, dan wel van eene andere Wev-ersoort, afkomstig zijn, te meer daar 
de nesten dezer verschillende soorten zoo sterk op elkaêr gelijken. Op het eiland 
St. Thomas zag ik een Wever met lichte onderdeelen en langen zwarten staart 
(waarschijnlijk Vidua serena) nabij een nest, dat nagenoeg 'geheel tusschen de 
dunne bladeren van een Pandanus ol Mangrove verscholen hing. Later vernam ik, 
dat daar twee soorten gevonden werden, de eene met een rooden, de andere met 
een zwarten bek. De laatste kwam mij voor, de hier afgebeelde te zijn. Beide 
soorten broeijen (althans volgens de mij daar verstrekte mededeelingen) in boomen 
langs de rivieren en vlakten, en leggen een viertal soms gevlekte, soms een- 
kleurig lichtblaauwe eijeren. 

Het wijfje is licht zandkleurig aan de onderdeelen, met fletse streepjes aan 
de zijden en langs de borst, en met eene lichte streep boven het oog en midden 






over den overigens donkerbruinen bovenkop ; rug, vleugels en bovenstaartdek- 
veêren donkerbruin, in het midden zwart, en elke veder licht gerand; staart- en 
vleugelpennen bruingraauw. Dezelfde kleuren heeft ook het jong, dat echter iets 
duidelijker gestreept is, en ook het mannetje in het onvolkomen kleed. Het jonge 
mannetje onderscheidt zich echter door zijn zwarteren bek en steeds bruinere nek- 
veêren. 

Van al de soorten (7 of 8) zijn de wijfjes en mannetjes in hun onvolkomen 
gevederte zeer gelijk gekleurd, zoodat het dikwijls zeer moeijelijk valt, de soorten 
te bepalen. Er bestaat niettemin eenig verschil in grootte tusschen de wijfjes van 
sommige soorten. De reeds beschreven V. serena, zoo groot als een Ringmusch, is de 
kleinste; de hier afgebeelde heeft de grootte van een Geelgors, of is nog iets 
grooter. 

De eigenlijke Koningsweêuw (V. regio) die in kleur met de hier afgebeelde 
zeer veel overeenkomt, is steeds te herkennen aan het roode van bek en poolen, 
terwijl eene vierde zeldzaam bij ons ingevoerde soort, de V. cheraoï Chera progne , 
de grootte van een Leeuwerik heeft. 

Voor zooverre bekend is, broeijen de Weêuwtjes niet in gevangenschap, 
althans zijn de pogingen, door vele vogelliefhebbers daartoe aangewend, steeds 
mislukt. Dit is des te meer te betreuren, daar we ten opzigte der nesten en 
eijeren van deze vogels weinig of niets weten; de informatiën toch van jagers en 
verzamelaars zijn maar al te dikwijls of geheel uit de lucht gegrepen, óf althans 
zeer onjuist en onvolledig. De Bonte Weêuw heeft wel bij vele vogelliefheb- 
bers neiging tot nestbouw getoond, en zelfs in groote volières een nest vervaar- 
digd, doch het daarbij nimmer tot eijerleggen gebragt. 

Men koopt de Paradijsweèuw voor ongeveer 5 a 12 gulden het paar, zoolang 
beiden hun winterkleed dragen. Gedurende de drie a vier maanden, waarin het 
mannetje zijn prachtcostuum vertoont, zijn ze natuurlijk duurder. Soms ook 
bevindt men, dat een in het graauwe kleed gekocht paar uit twee wijfjes bestaat: 
trouwens zien de meeste vogelhandelaars geen verschil tusschen de seksen , en 
sommigen weten zelfs niet eens, dat het zoo fraai gevederde mannetje vroeger 
zulk een eenvoudig pakje droeg. Daarbij komt ook nog, dat niet alle mannetjes 
even volkomen en even geregeld verkleuren of veranderen; reeds in hun natuur- 
staat is de rui- en kleurtijd zeer ongelijk, zoodat dikwijls het eene voorwerp 
vroeg in den winter, het andere daarentegen vroeg in den zomer zijne lange 



zwarte veeren krijgt. Als men ze echter eenige jaren in hetzelfde vertrek of in 
een gelijken atmospheer gehouden heeft, geschiedt dit geregelder. 

Zij eten allerlei zaden en jong groen, en ook gaarne meelwormen. Voor 
't overige hebben zij , behalve de kleuren van het mannetje , weinig aanbevelens- 
waardigs. Zij worden zelden geheel mak, sjirpen al niet mooijer dan eene 
Musch, en brengen geen anderen zang voort, dan een zacht, klagend geslijp. 










A 



^/(VV/V// 



- 



DE GEELYINK. 

SERINUS HORTULANUS. 



Geelvinken zijn, vooral wegens hunne kleuren, als eene op zichzelf staande 
groep of afdeeling onder de vinkachtige vogels te beschouwen. Zij naderen, wat 
hun vorm betreft, de Kneuen (Linota); doch sommigen hebben, door hun zwaar- 
deren snavel, meer overeenkomst met de Goudvinken (Pyrrhula); bij anderen, 
zoo als de in warme gewesten levende soorten, is de snavel spitser en zijn de 
kleuren fraaijer en meer duidelijk afgezet. Tot deze groep behoort ook de alge- 
meen bekende Kanarievogel, die in den natuurstaat de hier afgebeelde Europesche 
soort zeer nabijkomt. 

De Europesche Geelvink wordt in Duitschland gewoonlijk Girlitz, ook Kana- 
rienzeisig genoemd. In Italië kent men hem als Serina, in Frankrijk als Ie Serin. 
Bij ons wordt hij meestal onder den naam van Europeschen Kanarie of Citroen- 
vink ingevoerd. 

Hij bewoont Midden- en Zuid-Europa, vooral Spanje, voorts Klein-Azië en het 
noordelijkst gedeelte van Afrika, namelijk de kuststreken der Middellandsche zee. 
In Nederland en België is hij nog niet waargenomen ; daar men hem echter 
herhaaldelijk in Engeland gevangen en geschoten heeft, is het zeer wel mogelijk, 
dat hij ook ons land bezoekt, maar hier voor een Sijsje wordt aangezien: eene 
vergissing, welke trouwens, wegens zijne kleuren, allezins verklaarbaar is. 

Bijgaande afbeelding stelt het mannetje voor. Het wijfje heeft fletser kleuren 
en is, even als het wijfje van het Sijsje, over het geheele ligchaam gestreept; 
ook is zij een weinig kleiner. De jongen zijn veel lichter van kleur, doch hebben 
donkerder strepen. 

De Geelvink bouwt een zeer kunstig, half kogelvormig nestje in de bovenste 
takken van lage boomen of in de heesters der groote tuinen; in Spanje vooral 



in de oranjeboomgaarden; in Frankrijk echter meestal in appel- of pereboomen. 
Het is zeer klein en reeds daardoor wél verborgen, te meer daar het in het 
lommerrijkst gedeelte van den boom wordt aangelegd. De bouwstoffen beslaan 
hoofdzakelijk uit worteltjes, grasbloemen, groene mos en, voor het binnenwerk, 
uit fijne grasstengels, paardenhaar en zacht plantenpluis of veeren. Het bevat in 
den regel een vier- of vijftal eijeren; deze zijn groenachtig wit, met kleine 
donker- en lichtroode stipjes en haaltjes, en eenige grootere vlekken aan de 
stompe zijde; ze zijn zeer klein, niet zeer puntig, en worden alleen door het 
wijfje uitgebroeid. In warme gewesten broeijen deze vogeltjes driemaal, in gema- 
tigd Europa echter zelden meer dan tweemaal 'sjaars. 

De Geelvink is een allerlevendigst diertje, steeds dartelend en zingend, en 
op den duur met zijn wijfje of met de geheele familie te zamen. In de tuinen 
zijn het de liefste vogeltjes, die men maar wenschen kan; hebben zij er een- 
maal gebroeid, dan blijven al de leden der kleine familie er tot in het najaar 
ronddolen, en kiezen een rustplaatsje in de rozenstruiken, terwijl het man- 
netje van 's ochtends af tot laat in den namiddag zijn zacht kwelend liedje te 
hooren geeft. 

In het voorjaar vertoont het mannetje allerlei vreemde gebaren, ten einde 
een wijfje te lokken: hij begint dan zeer luid te zingen, vliegt regtop omhoog 
en fladdert, gelijk een vleermuis, eenige malen rondom het wijfje, hetwelk met 
schijnbaar welbehagen zijne liefdesverklaringen aanschouwt. Soms ook vliegen er 
twee of drie mannetjes op die wijze rondom den boom, even als spelende vlin- 
ders om een bloem fladderen; zoodra dan het wijfje zich verwijdert, vervolgen 
de verliefden haar van boom tot boom en glijden, met het ligchaam sterk voor- 
overgebogen, (rillende vleugels en den staart omhoog, van tak tot tak, om weer 
van voren af aan hunne luchtbuitelingen uit te voeren, zoodra de aangebeden 
bruid zich op een takje heeft neergezet. Gedurende deze bewegingen laten zij om 
het hardst hunne fraaije stemmen hooren, en zij bedreigen elkaèr ook met een 
sterk vloeijend geluid, dat misschien voor hen erg woedend klinkt, doch voor 
ons gehoor niettemin allerstreelendst is. 

De Geelvink moge wel is waar geen talentvol zanger genoemd worden, toch 
heeft zijn liedje iels zachts en liefelijks, iels bijzonders; men hoort uit zijn geluid 
het welgemoede, het zachtaardige, de teedere gehechtheid, welke aan alle Geel- 
vinken eigen is, en waarom zij dan ook als kooivogels overal zoo zeer bemind 






en gezocht zijn. Het geluid van het mannetje klinkt wel een weinig schel, doch 
niet zoo luid als dat van den tammen Kanarie; overigens komt het den zang van 
jonge Kanarievogels het meest nabij. 

In Spanje ziet men deze vogeltjes zeer talrijk in kooijen en op de vogel- 
markten. Men vangt ze daar met de liparts, eene soort van lang, dik, sten- 
gelig gras, dat met vogellijm besmeerd en rondom lokvogels, in de nabijheid der 
boomgaarden geplaatst wordt. Gedurende het najaar brengt de vogelaar zulke 
lijmtakjes in den top der op vlakten slaande boomen aan, doch zonder lokvogels; 
daar namelijk alle vogels, als zij zich ter ruste zetten, boven in den boom neer- 
strijken, worden er op die wijze eene groote menigte kleine vogels gevangen, 
inzonderheid Geelvinken, Kneuen en Putters. Even als in Italië, vindt men ook 
daar menschen, die er in hunne buitensporige smulzucht behagen in scheppen, 
deze kleine diertjes te eten. In Duüschland vangt men vele jongen, zoodra zij 
vliegen kunnen, met knipkooitjes, en zoekt men de eijeren, om ze door Kanaries 
te laten uitbroeijen. Ook kan men des zomers met een Kanarie als lokvogel 
mannetjes-Geel vinken vangen. 

De Geelvink broeit ook in de kooi. Het mannetje paart in gevangenschap 
soms met het wijfje van den Kanarie, en de bastaarden, uit Groene Kanaries 
verkregen, zijn bijzonder goede zangers en zeer fraaije vogels. 

De Geelvink leeft gaarne in gezelschap van andere vogels, hetzij in dezelfde 
kooi of in dezelfde kamer. Hij wordt zeer mak en is gaarne aangesproken en 
geliefkoosd. In groote volières schijnt hij echter minder op zijn gemak, dan in 
eene middelmatig groote kooi; ook is hij liefst binnenshuis, tegen het venster of 
tusschen bloempotten in den zonneschijn. 

Als voedsel geve men hem wit, gekneusd, hennep-, lijn- en maanzaad, en 
wat jong groen of eenige meelwormen. Elzenproppen pluist hij behendig uit, en 
hij eet ook gaarne distel- en zonnebloemzaad, stukjes noot en gekookte rijst. 

Men zorge vooral, dat de kooijen goed schoon blijven, daar anders de Geel- 
vink spoedig zijn gevederte bemorst, en dan stil en treurig wordt. Voor 't overige 
vereischt hij eene zeer zorgvuldige oppassing, daar het een zeer zwak en uiterst 
gevoelig vogeltje is, dat bij de minste onoplettendheid of gebrek in de noodige 
verpleging zijn kopje in de veeren steekt en sterft. 




i 



'e A'^oy/^r//r f/fr//>s//A' 



. 



DE KAAPSCHE GEELVINK. 

SERINÜS BUTYRACEA. 



De Geelvinken, waaronder onze Kanarievogel is gerangschikt, worden in twee 
groepen afgedeeld. Bij de eerste, de eigenlijke Serinus, is de hoofdkleur geel en 
groen; bij de tweede groep, Buserinus, is de hoofdkleur geelbruin of graauw en 
zwart gestreept. Sommige ornithologen verdeelen de eerste groep wederom in 
Geelvinken en Dikbek-Geelvinken (Feldgimpel in het Duitsch, Crithagra in de 
wetenschappelijke classificatie). Er bestaat echter tusschen de twee laatstgenoemden 
geen kenmerkend verschil, dan alleen in de kleurteekening , welke bij de Critha- 
#ra-groep meer in groote vlekken is verdeeld, terwijl de Serinus meer over het 
geheele ligchaam gestreept is. 

Van de Afrikaansche Geelvinken zijn twee soorten zeer algemeen bekend en 
verspreid : denken wij slechts aan den Kanarievogel. De tweede , hier afgebeelde 
soort wordt mede druk naar Europa aangevoerd, doch zal nimmer zoo algemeen 
als de Kanarie worden, omdat zij de koude niet verdragen kan. De Kanarie is 
over het geheele noordelijk halfrond verspreid geworden, de Kaapsche Geelvink 
daarentegen in het geheele Zuiden geacclimatiseerd. Zijn eigenlijk vaderland is 
Midden- en Zuid-Afrika, tot aan de Kaap de Goede Hoop; doch men vindt er 
tegenwoordig velen, zoowel in verwilderden als in tammen staat, op het eiland 
Madagascar, alsmede op Mauritius, Bourbon en St. Helena. 

De vogelhandelaren aan de Kaap noemen deze soort Mosambick en Gele Sijs. 
In Engeland kent men haar als Cape Siskin en Butterfinch. Met deze laatste bena- 
ming, van den wetenschappelijken soortnaam butyracea (boterachtig , boterkleurig) 
afgeleid, wordt zij ook ten onzent aangeduid. 

Eene eenigzins verwante soort, S. canicollis, de »Fluiter" der handelaren aan 
de Kaap, wordt in het Engelsch Cape Canarie genoemd, en we zouden haar, 



als Kaapsche Kanarie, eene afzonderlijke beschrijving en afbeelding waardig 
keuren, indien zij slechts meer geregeld werd aangevoerd en meer algemeen be- 
kend ware. 

De Groote Geelvink (Serinus sulfurata), de Gele Fluiter en Kanarie der Kape- 
naars, de Sulpherfinch der Engelschen, de Goldkehle der Duitschers, is almede 
een weinig bekende vogel; wel vindt men hem nu en dan in het bezit van enkele 
vogellief hebbers, doch nimmer wordt hij geregeld ter markt aangevoerd. Hij is 
even groot als de Geelgors; zijne kleuren komen met die van den Europeschen 
Geelvink of Girlitz (Serinus hortulanus) overeen, behalve dat hij aan keel en borst 
meer geelkleurig is. Eigenlijk staat hij, wat kleur betreft, tusschen den Girlitz 
en de hier afgebeelde soort in. Een zeldzame vogel is S. flaviventris , die dezelfde 
kleuren heeft, doch iets kleiner is, en aan de Kaap Goudvogel en Goudvink 
genoem d wordt. 

Bij al deze soorten zijn de wijfjes te herkennen aan de minder heldere tinten ; 
het geel, dat bij de mannetjes aan keel en borst aanwezig is, wordt bij de wijfjes 
door geelachtig wit of vuilwit vervangen. De jongen zijn duidelijker gestreept 
en hebben witte keelveêren. 

Bij de hier afgebeelde soort zijn de wijfjes veel eentooniger van kleur en 
aan de zijden van het ligchaam duidelijk gestreept; haar bovenkop is flets olijf- 
groen met overdwarsche streepjes, en hare staartpennen zijn licht gerand. De 
jongen hebben de geheele borst, evenals de bovendeelen, duidelijk donker gestreept; 
de streep boven het oog en aan de onderkaak, alsmede de keel- en buikveêren, 
wit. Hunne veeren zijn bijzonder zacht en los. 

Deze Geelvink houdt zich in heesters en in afzonderlijk staande hooge hoo- 
rnen op. Hij komt ook in de bosschen voor, doch nimmer op zoodanige plaatsen, 
waar de boomen dikke stammen of een digt gebladerte hebben. In zulke sombere 
streken wordt zijne plaats door de graauwkleurige soorten, de Bucerinus angolensis , 
B. musica en B. rufilata, vervangen. De kleuren der Geelvinken komen namelijk 
meer met het jonge heestergewas, meer met het zonnelicht overeen ; vandaar dat 
zij zich van nature tot vrolijke, zonnige oorden aangetrokken gevoelen; het jonge 
groen verbergt hen daar even goed voor den blik hunner vervolgers, als de 
graauwe bodem onzer bosschen de Houtsnip, of de met riet begroeide slootkant 
onze Watersnippen beveiligt. 

Ook het gezang en de loktoon der Geelvinken kenmerkt hun zachten en vro- 



lijken aard. Hun gezang is een zeer helder en zuivervloeijend geluid, als ware 
't de zang van de Kanarie geperfectioneerd, en hun loktoon klinkt allerliefelijkst, 
mijns inziens zelfs schooner dan die van eenigen anderen vogel ; hij bestaat uit 
eene zuivere, helderklinkende , dubbele noot, of uit eenige gerekte toonen met 
vóórslag, en kan niet beter dan door de syllaben y>pu-ploeie" worden uitgedrukt. 
De toonaard en maat van hun zang zijn nagenoeg gelijk aan die van den Distel- 
vink, doch minder schel; eigenlijk gezegd, is 't het liedje van dezen vogel, door 
eene Kanarie gezongen. 

Deze Geelvink bouwt zijn halfkogelvormig nest in de bovenste takken van hees- 
ters. Het is uit gras, wortelen en mos zamengesteld en meestal met het haar- 
achtig pluis of de bloesems der kokospalmen gevoerd. De 4 a 5 eijeren zijn 
blaauwachtig wit met purperkleurige, lichtroode vlekjes aan de stompe zijde. In 
kleur komen deze eijeren dus overeen met die der Kanarie, doch de vlekken zijn 
grooter en vormen soms een duidelijken cirkel. 

Het voedsel dezer vogeltjes bestaat uit zachte zaden en vooral bloesems. Zij 
eten ook bezien en insecten. De bloemen der kokospalmen en verschillende vijgen- 
soorten worden zeer gaarne door hen gegeten. 

In het Westen van Afrika, in Loanda, vangt men ze door in de heesters 
strikjes rondom een vastgebonden bloesemtak te bevestigen. In gevangen staat 
zijn het allerliefste diertjes, steeds vrolijk en opgeruimd en aan het gezelschap 
van andere kooigenooten zeer gehecht. Sedert eenige jaren houd ik er een man- 
nelijk voorwerp op na, dat, toen ik hem kocht, nog zijn jeugdig kleed droeg; 
het is mij echter tot dusver niet mogen gelukken, er een wijfje bij te vinden, 
hetgeen ik des te meer betreur, daar reeds vele vogellief hebbers jongen uit deze 
vogeltjes geteeld hebben. Gedurende het grootst gedeelte van den zomer, vooral 
's ochtends, zingt het lief en doet steeds zijn best om zich boven de andere zan- 
gers hoorbaar te maken. Het is even vriendelijk en minzaam als eene Kanarie, en 
nadert ook, wat zijne gewoonten betreft, het Sijsje; althans is het even mak en 
ook een even groot bedelaar, als laatstgenoemd vogeltje. Voor vreemde bezoekers, 
even als voor groote vogels, die toevallig voor zijne kooi geplaatst zijn, toont 
het groote vrees, en het laat dan onophoudelijk een y>'poemïet-'poeloeie" hooren; 
maar nog nimmer heeft het, zoo als de meeste angstige vogels gewoonlijk 
doen, tegen de traliën of als een wilde door de kooi gevlogen. Het was nimmer 
schuw, en toonde zelfs bij al zijne vrees toch nog veel verstand te bezitten; 



alleen door houding en blik verried het bij zulke gelegenheden zijne ongerustheid 
en angst. 

Kleine zaden, zoo als raap-, maan- en kanariezaad, jong groen en nu en 
dan een meelworm, zijn voor den Geelvink het meest geschikte voedsel. 

De koopprijs voor deze vogeltjes is zes a tien gulden per paar; doch meestal 
worden alleen de mannetjes tegen vier a zeven gulden te koop aangeboden. 



. 




( JA _ ' 



P/W KI Trap.exo 



DE ZEBKAVINK. 

AMADINA GASTANOTIS. 



De Zebravink bewoont een groot gedeelte van Australië, waar men hem in 
groote troepen vereenigd, in de uitgestrekte grasvelden van het binnenland, aantreft. 
Zijn naam is ontleend aan de fijne overdwarsche zwarte strepen aan den nek , 
krop en borst, doch men noemt hem ook Parelfazantje (ten gevolge der parel- 
achtig witte vlekjes aan de zijden); Australiesch-fazantje, Goudvogeltje en Porce- 
leinvogeltje. De Engelsche handelaren noemen hem Avadevat en Australian Waxbill. 

Deze fraaije vogelsoort werd het eerst door Gould beschreven en is sedert de 
laatste twaalf jaren vrij menigvuldig naar Europa overgebragt. Het schijnt echter 
dat men veel vroeger, toevalliger wijze, voorwerpen in bezit heeft gekregen, want 
eenigen tijd geleden ontdekte ik een paar dezer vogeltjes, in eene verzameling 
opgezette dieren, welke gemaakt was, lang vóór Gould deze soort beschreef. Dit 
is meermalen het geval en ik houd mij overtuigd dat er dikwijls gekooide 
vogels worden aangevoerd, die nog niet wetenschappelijk beschreven zijn. 
Ten tijde de Zebravink zeldzaam was, namelijk tien jaar geleden, betaalde men in 
Engeland, drie pond sterling voor een paar, terwijl men er tegenwoordig hoog- 
stens een derde van dien prijs voor overheeft. Daar ook deze vogeltjes, gereedelijk 
in gevangenschap voortteelen en zeer vruchtbaar zijn, kan men veronderstellen 
dat zij langzamerhand goedkooper en algemeener zullen worden. 

In hun vaderland leven zij in grasvelden en broeijen er, even als ten opzigte 
der Afrikaansche Amadina's is waargenomen, in de takken van heesters, namelijk 
tusschen het digtste gedeelte van den struik. In struiken, en in oude nesten van 
groote vogels , heeft men wel eens de nesten van eene verwante vogel uit dezelfde 
lokaliteit, namelijk de Diamantvogel, aangetroffen doch het is nog niet bevestigd 
of ook de kleine Zebravink deze gewoonte heeft. Gould en andere reizigers melden 



dat de Diamantvogel zich in het nest van den Arend binnendringt er voor zich 
zelf een hoekje uitzoekt, en dit met vederen, pluis en haar, tot een warm ver- 
trek , in den woning van dien grooten heer , weet in te rigten. Daar ook de Zebra- 
vink, in gevangenschap het liefst in mandjes of tusschen takkebossen nestelt, is het 
niet onwaarschijnlijk dat hij in den natuurstaat eveneens in arendsnesten kruipt. 
Het nest van dit vogeltje is echter nooit hangend, of in opene plaatsen aangelegd, 
doch steeds verborgen. 

Het mannetje is door zijne heldere kleuren, geringe gróótte en natuurlijke 
tamheid, een onzer liefste kooivogeltjes. Bijgaande afbeelding stelt hem op natuur- 
lijke grootte voor. Het wijfje is fletser gekleurd en de geelroode oorvlek ontbreekt. 
De jongen in het eerste vederkleed zijn geheel muisvaal op de bovendeden, met 
licht grijzen borst, geelachtig witten buik en vuil rosse zijden, zonder de witte 
vlekjes. De oorstreek is roodachtig grijs, de zwarte vlek langs het oog slechts 
onduidelijk vertegenwoordigd; de pooten zijn licht vleeschkleur, de snavel donker 
hoornbruin. 

Het is een zeer opmerkenswaardig verschijnsel dat bij deze vogeltjes een zoo 
kennelijk verschil tusschen de seksen bestaat, daar bij bijna alle overige aan haar 
verwante vogelsoorten dierzelfde luchtstreek de seksen niet verschillen. 

De Zebravink voedt zich met graszaad, bloesems en insecten; harde zaden 
eet hij niet, zelfs in gevangenschap is het noodig dat men harde zaden, zooals 
hennipzaad, eerst kneust alvorens men ze toediene. 

Het broeijen dezer vogeltjes in de volière, gaat met weinig moeijelijkheden 
gepaard. De kooi behoeft slechts groot genoeg te zijn, om bij hen de lust tot nest- 
bouw aan te wakkeren. Het is echter noodig hen hierin verder ter hulp te komen, 
daar anders het broeisel ligt verloren zou gaan. De volière moet in eene voor 
den wind beschutte plaats worden aangerigt en zooveel mogelijk met het front 
naar het zuiden gekeerd zijn. Eene groote kooi, ongeveer vier voet hoog en 
breed en twee tot drie diep , die buiten het huis geplaatst en 's nachts overdekt 
wordt, is reeds voldoende. Tegen de wanden of langs het geheele traliewerk, 
bevestige men kleine mandjes , met eene zijdelingsche opening ; kleine houten 
kastjes of sleenen kruikjes (mits daartoe expresselijk vervaardigd) zijn even doel- 
matig; alleen zorge men dat er eene ruimte in overblijft, groot genoeg om een 
nest in te kunnen aanleggen. De bouwstoffen moeten in een bak of mand geplaatst 
of anders op den bodem neêrgestrooid worden; hooi, haar, vooral koehaar, 



veeren en katoen zijn daartoe het meest geschikt, en koehaar wordt door deze 
vogeltjes boven al gewaardeerd. Omstreeks Mei, of als het weder warm is iets 
vroeger, begint de paartijd en dan zorge men dat de bouwstoffen in de kooi 
worden gebragt; de broeihokjes moeten dan reeds eenigen tijd gehangen hebben 
en door de vogels zijn opgemerkt. Voor vijf of zes paar vogels, beveslige men 
een dubbel aantal broeihoekjes, want behalve de eijernesten bouwen ze ook 
gaarne speelnesten en worden daarenboven nog aangemoedigd om onmiddelijk 
een ander nest in betrekking te nemen en een tweede broeisel voort te brengen. 
Zoodra de bouwstoffen in het bereik der vogels gebragt worden, beginnen de 
mannetjes reeds bekjes vol weg te slepen en binnen een dag of tien zijn de 
nesten gereed. Het gedartel en gejubel der kleine echtelingen houdt dan langza- 
merhand op en de wijfjes beginnen zich reeds te verschuilen; er beeft eene in 
't oog vallende verandering plaats in de kooi ; de mannetjes zien er ook ernstiger 
uit; ze zijn gejaagd, onrustig, ze hebben iets in het hoofd. Dit zijn de kentee- 
kenen dat het wijfje reeds een eitje heelt gelegd. Gewoonlijk legt ieder wijfje er 
zes of zeven. Na dertien dagen (te rekenen van het laatste ei) komen de jongen 
uit en de nesten, die met zulk een zegen zijn bedeeld, kan men al dadelijk ont- 
dekken aan de rustelooze houding en beweging van het mannetje en ook later 
van zijne wederhelft. Ieder paar heeft zijn eigen nest en de jongen der verschil- 
lende ouderparen komen gewoonlijk in dezelfde week uit, zelden verschilt dit, 
meer dan drie of vier dagen. Doch het gebeurt dikwijls dat de ouden der eerst 
uitgekomen jongen door de verpleeglustige kooimakkers, in het voeden hunner 
jongen worden bijgestaan, of liever dat de andere mannetjes hunne diensten vrij- 
willig aanbieden. Dan hebben er meestal oneenigheden plaats, want de gelukkige 
ouden verzetten zich vastberaden tegen bakers en kraamvisites. Het grootbrengen 
der jongen is in drie weken afgeloopen en na zeven of tien dagen (soms vroeger) 
legt het wijfje een tweede aantal eijeren. Het weder en andere omstandigheden 
hebben natuurlijk veel invloed op het geregeld broeijen der ouden en de ontwik- 
keling der jongen, doch meestal broeit toch ieder paar twee maal gedurende den 
zomer. Als het hevig regent, of bij onweder, moet men de kooi overdekken. Het 
voedsel moet gedurende den broeitijd uit gierst , in water geweekte en gemalen maïs, 
beschuitkruimels en gehakt ei bestaan, men houde de gierst afzonderlijk. Eenige 
stukgeknipte meelwormen menge men onder het gehakte ei. 

In de Zoölogische tuin te Antwerpen, broeijen er jaarlijks honderden. De 



eijeren dezer vogeltjes zijn licht blaauwachtig wit, met eenige zachtroode vlekjes 
aan de stompe zijde. Zij zijn bijzonder klein en uiterst dun van schaal, waarom 
het raadzaam is ze nimmer aan te raken-. 

Zang, in den eigenlijken zin des woords, bezitten deze vogeltjes niet, doch 
hun stemgeluid, eenvoudig als het is, is zeer liefelijk en helderluidend. Het is 
meer een gevarieerd gors-achtig gesjirp en niet dat eentoonige holle geroep 
(gekalfater als de zeelieden het noemen) dat men van Rijstvogels, Nonnetjes en 
de meest overige Oost-Indische dikbekken verneemt. 

Het mannetje maakt uit zijne eenvoudige toonen, nog een heel aardig liedje 
en kweelt dikwijls uren lang voor het nest zijner broeijende wederhelft. 




/ 



PTIO '; 



DE SENEGAL!. 

ESTRELDA C1NEREA. 



Dit algemeen bekende vogeltje heeft in alle opzigten zoo veel overeenkomst 
met het reeds vroeger beschreven St. Helena-Fazantje, dat het slechts bij een 
meer gezet onderzoek daarvan kan onderscheiden worden. Het is echter kleiner, 
heeft de onderste staartdekveêren wit, in plaats van zwart, en is minder gestreept 
en iets lichter van kleur, dan het verwante Fazantje. 

In geheel Midden-Afrika behoort de Senegali tot de meer algemeene vogels; 
hij leeft daar op de vlakten, in het hooge gras ol in kleine heesters, bij groote 
vlugten vereenigd, en meestal in gezelschap van andere kleine Grasvinken. Het 
schijnt echter, dat de Senegali's zich niet met de St. Helena-Fazantjes mengen, 
doch, even als deze laatste soort, zich op bepaalde plaatsen ophouden, zonder 
echter uitsluitend tot deze of gene streek beperkt te zijn. Op het eiland St. Tho- 
mas, aan de Westkust van Afrika, leeft het Fazantje, doch niet de Senegali. In 
Gaboon leven beiden, doch komen niet gelijktijdig in dezelfde streken voor. Ik 
heb kooijen vol Senegali's uit Mossamedes en uit Senegal gezien, zonder echter 
daaronder een enkel Fazantje te kunnen ontdekken. Aan de Kaap de Goede Hoop 
daarentegen worden vele Fazantjes, doch uiterst zelden Senegali's gezien, hetgeen 
echter nog volstrekt niet bewijst, dat het Fazantje een Zuid-, de Senegali een 
Noord-Afrikaansche vogel zou zijn; want zelfs op eene zoo zuidelijke streek als 
Benguela is de Senegali zeer menigvuldig, terwijl het Fazantje noordelijk tot aan 
de Kaap-Verdische eilanden (namelijk tot aan Santiago, het zuidelijkste dier eilanden) 
wordt aangetroffen. 

Beide vogels broeijen op het grasveld of in de doornen der Euphorbia 
splendens en andere op het veld of in het moeras groeijende heesters. Beider 
nesten gelijken zeer veel op elkaêr, doch dat van den Senegali is meestal een 



weinig meer ovaal en heeft de opening steeds op zijde. In vele gevallen echter is 
het nest zoo luchtig gebouwd, dat de ouden door het harde gras heen in alle 
rigtingen naar binnen kunnen sluipen, zonder daardoor het nest uit elkaêr te 
schuiven. Dit is vooral het geval als het nest tusschen perpendiculaire takken is 
geplaatst; want dan blijft de groote hoeveelheid los gras, die er bovenop aan- 
gebragt wordt, tusschen de takken liggen. De eijeren — het aantal daarvan in 
één broeisel wisselt van 5 tot 9 af — zijn meestal ongevlekt en wit, soms met 
eenige lichtroode stipjes aan de stompe zijde. Beide ouden broeijen, en het 
mannetje kruipt 's nachts mede naar binnen. 

Het uiterlijk verschil tusschen de beide seksen is zeer gering: het wijfje onder- 
scheidt zich van het mannetje alleen door de iets lichtere nuance van het rood, 
en door het meer blanke van hare onderdeden. De jongen zijn nagenoeg aan de 
ouden gelijk, doch zijn te herkennen aan hun bruinen snavel, aan de nog ondui- 
delijke streep boven de oogen, ~ en aan de lichte randen hunner stuitveêren, 
welke bij de ouden geheel bruinzwart zijn. 

Even als het Fazantje, broeijen deze vogels ook in de volière, in houten 
bakjes, in teenen korfjes of in hunne eigen nesten, welke zij uit allerlei planten- 
vezels en zachte stoffen tusschen de takken der heesters bouwen. Kleine zaden, 
muur- en kruiskruid, meelwormen en kleine kevers zijn voor hen het meest 
geschikte voedsel. 

Behalve de Fazantjes, komen er nog verschillende vogels uit Afrika tot ons 
over, welke, ofschoon op zeer ongeregelde tijden, toch nu en dan verkrijgbaar 
zijn en, even als beide hier genoemde soorten, met den naam van Fazantjes be- 
stempeld worden. Onder dezen vinden we het Kaapsche Fazantje, soms ook, om 
zijn half zwarten, half rooden snavel, «Amsterdamsen weeskind" genoemd (even 
als wij zekeren nachtvlinder, de Nodua nupta, wegens dezelfde kleuren aan de 
ondervleugels, «weeskinderen" noemen). Dit vogeltje bewoont Natal, Kafferland 
en Mosambique, komt ook in Benguela, Mossamedes en het binnenland van 
Afrika voor, en is in de wetenschap als Estrelda melanola, Estr. Dufresneï, Eslr. 
melanogenys en Amadina neisna beschreven. Het komt in vele opzigten met hef 
Goudborstje (Pythelia subflava) overeen en is, welbeschouwd, meer aan dit 
vogeltje verwant, dan aan de Fazantjes. Het mannetje heeft den bovenbek zwart, 
de onderkaak helderrood, bovenkop en achternek graauw, wangen en kin zwart, 
rug en schouderveêren olijlbruin of groenbruin, achterrug, stuit en bovenstaart- 



'dekveêren gloeijend scharlakenrood, kin en de zijden van den nek vuil geelachtig 
wit, krop graauw, verdere onderdeden citroengeel, staart bruinzwart, iris don- 
kerrood, en pooten donkergraauw. Het wijfje heeft dezelfde kleuren, doch fletser. 

Eene andere soort is het Roode Fazantje, ook Duizendschoon en Amarant 
genoemd. Dit vogeltje bewoont Benguela, Mossamedes en Angola lot zeer diep in 
het binnenland. Zijne kleur is, zoo als zijn naam aanduidt, donker purperrood 
(karmozijnrood), nagenoeg de kleur eener welbekende plant, der zoogenaamde 
roode duizendschoon (Dianthus); voorts heeft hij de zijden van het ligchaam 
zeer duidelijk met eenige kleine witte vlekjes versierd, vleugels en staart rood- 
bruin, iris bruin, en pooten donkerrood. Het wijfje heeft diezelfde kleuren fletser, 
buik roodachtig okergeel, onderste staartdekveêren vuilwit. Dit is de Amadina, 
Estrella of Pythelia minima der ornithologen. Zij is vrij zeldzaam en wordt door 
de handelaren in Engeland King , s crown en Blood Astrild, door de Duitschers 
Blutfink genoemd. 

Het zoogenaamde Guinea-Fazanlje is niet, zoo als de naam schijnt aan te 
duiden, van de Kust van Guinea afkomstig, maar uit Benguela, Mossamedes, 
Angola en Loanda; in de weienschap is het als Estrelda granatina bekend. De 
Portugezen noemen dit vogeltje Granatino en Flore di campo. Het is een zeld- 
zaam en prachtig vogeltje. Zijne hoofdkleur is roodachtig aschgraauw, nagenoeg 
de kleur van melkchocolade; voorts heelt het de wangen licht violet met lila 
weerschijn, de onderste staartdekveêren helder ultramarijnblaauw, staart en 
vleugelpennen donker chocolaadbruin. Het is iels grooter dan het St. Helena- 
Fazantje. 

Het meer algemeene Goude Fazantje, Estrelda melpoda, zal in eene volgende 
aflevering afgebeeld en beschreven worden. 




I !.?TÜSTlS,a>JlWl/'^7ï 




O^C&^i 




T. Y. T TVF.T 



-zcfrru 



&e/ 



pap esc 




HET OBANJE-FAZANTJE. 

ESTRELDA MELPODA. 



Men noemt het. hier afgebeelde vogeltje ook Goudwangetje en Oranje-Senegali , 
terwijl het bij de Duitsche vogelhandelaren als Orangenbackofen, bij de Engelsche 
als Golden astrlld en Aurora bird bekend is. 

Het is een der meest algemeene Fazantjes, en wordt over geheel West- en 
Midden-Afrika menigvuldig aangetroffen. Gewoonlijk leeft het in 't gezelschap van 
andere verwante vogeltjes, hoewel het, wat zijne levenswijze betreft, meer bijzon- 
der met het St. Helena-Fazantje overeenkomt. Zoo als wij echter reeds vroeger 
aanmerkten, bestaat er onder deze vogeltjes zooveel onderlinge overeenkomst in 
zeden en gewoonten, dat de beschrijving eener enkele soort voor de geheele 
familie zou kunnen dienen; de karakteristieke eigenaardigheden der verschillende 
soorten van Fazantjes, Amadina's en Munia's liggen dan ook hoofdzakelijk in 
hare kleuren en grootte, en ook eenigermate in hare verschillende bewegingen en 
in den nestbouw. Voedsel, algemeene levenswijze en zang zijn bij allen, zoo niet 
geheel, dan toch zeker grootendeels gelijk. 

Het Oranje-Fazantje houdt zich bij voorkeur in digte doornstruiken op, en 
nestelt in de zaamgevlochten slingerplanten en hel hooge gras der moerassen en 
vlakten. Evenwel vindt men het nest ook in openingen of reten tusschen het 
hout, of wel nabij den grond of tusschen de hoog uitschietende wortelen der 
Pandanas- of zoogenaamde Mangrove-boomen. De bouwstoffen bestaan uit gras en 
dunne plantenvezels, en voor het binnenwerk uit dunne worteltjes of grasbloemen. 
De 5 a 9 witte eijeren worden door beide ouden bebroeid. Behalve in den regen- 
tijd, broeijen deze vogeltjes het geheele jaar door, en brengt het ouderpaar elke 
twee maanden een broeisel voort. Daar de regentijd twee maanden aanhoudt en 
er dus nog twee maanden van het jaar overblijven, kan men wel rekenen, dat 



de Fazanljes tot vijfmaal 's jaars broeijen, waaraan dan ook hunne menigvul- 
digheid is toe te schrijven. Daarbij dient men in aanmerking te nemen, dat de 
hen omringende natuur, het klimaat en de spoedige groei der jongen de verme- 
nigvuldiging bijzonder begunstigen en dus ook tot hunne vruchtbaarheid bijdragen. 

Beide seksen zijn gelijk van kleuren ; de jongen echter zijn bruiner en hebben 
de oranjeveêren der wangen met bruine randen afgezet. 

Ook in gevangenschap broeijen deze Fazantjes gereedelijk, en, bij gebreke 
van hunne eigen soortverwanten, vermengen zij zich ook met andere soorten, 
zoodat er zeer fraaije bastaarden van het Oranje- met het St. iïelena-Fazantje of 
met andere soorten kunnen geteeld worden. 

Men behandele deze vogeltjes op gelijke wijze, als de reeds beschreven soorten. 




,'-.';■ : man ' r.st. 




<£ 




IS [f! 1 ip ■:. 



^awtétzfawty 




HET GOUDBOKSTJE. 

PYTELIA SUBFLAVA. 



Het Goudborstje, ook Goud- en Auroravogeltje genaamd, heeft, wat de algemeene 
vormen betreft, veel overeenkomst met de Bengali's of Astrilden; zijn snavel is 
echter langer en zijn staart korter. Er zijn van de tot deze groep behoor^nde 
soorten een half dozijn bekend, allen in Afrika te huis behoorende, en waarvan de 
hier beschrevene de meest algemeen bekende is ; terwijl men toch de overige 
soorten hier zelden anders aantreft, dan onder de in musea en collectiën opge- 
zette vogels, wordt de hier afgebeelde menigvuldig en gepaard in kooijen gehouden. 

De hierbijgaande afbeelding stelt het mannetje en het wijfje op natuurlijke 
grootte voor. Zeer jonge voorwerpen zijn, voor zooverre bekend is, nimmer 
gezien, althans niet beschreven. Onder eene bezending, welke ik eenigen tijd 
geleden in eene volière bij een vogelhandelaar aantrof, waren twee voorwerpen, 
die de geheele onderdeelen bruin gevlekt hadden; dit moeten jonge mannetjes 
geweest zijn; althans na den ruitijd waren zij aan de overigen gelijk, zoodat ik 
ze niet meer van hunne soortgenooten kon onderscheiden. 

De Goudborstjes leven bij troepen van hunne eigen soort, of met andere 
vogels vereenigd; bij voorkeur toeven zij op grasvelden, bouwgronden en met 
heesters en laag hout begroeide vlakten. In Oost-Afrika komen zij in de hoogge- 
legen valleijen voor, terwijl zij in Senegal meestal nabij moerassen en vooral langs 
de beekjes of waterplassen gezien worden. In de laatstgenoemde landstreek 
worden vele dezer vogeltjes, te gelijk met andere Grasvinken, nabij de stad 
St. Louis, door Fransche soldaten gevangen. Ook komt daar een vogelhandelaar 
uit Bordeaux jaarlijks een bezoek brengen, die de reeds voor hem door spahis 
gevangen vogeltjes opkoopt, en dikwijls met duizenden kleine en groote vogels, 
apen, gazellen enz. terugkeert. 



Men heeft waargenomen, dat deze vogeltjes gezellig broeijen, zich meestal 
met andere reeds broeijende vogels vereenigen, en hunne 'nesten zoo digt mogelijk 
•bij die van andere vogels bouwen. 

Het nest van het Goudborstje is uit gras en dunne plantendraden zaamgesteld 
en van binnen met grasbloemen belegd. Het ligt tusschen takken van heesters , 
soms ook aan en over grasstengels, en bevat ongeveer 15 witte eijeren, welke 
aan de stompe zijde nu eens duidelijk, dan weder zeer onmerkbaar, rood 
gevlekt zijn. 

Even als alle Grasvinken en de meeste Wevers en Amadinen, broeijen ook 
de Goudborstjes in gevangenschap, namelijk in de ruime volière, waar zij kunnen 
rondvliegen en eigenlijk evenzeer op hun gemak zijn als in de vrije natuur. 
Zulke volières moeten, althans wanneer men er kleine uitheemsche vogels 
wil doen voorttelen, minstens vijf kubieke voeten groot zijn, en overigens hoe 
grooter hoe beter; en daarbij is het zeer doelmatig, er eenig laag hout, wild 
groeijend klimop, hoog gras, stukken met mos bedekt wilgenhout en stroomend 
of althans een ruimen voorraad schoon water in aan te brengen. Hoe grooter het 
aantal daarin levende vogels is, des te gereedelijker zullen zij broeijen; en, is de 
menigte eenmaal tot honderden aangegroeid, dan telen ze als muizen. Het is 
bijna ongeloofelijk, en toch een algemeen waargenomen feit, dat een paar kleine 
Grasvinken jaarlijks ongeveer een honderdtal jongen voortbrengen. In Brehms 
Gefangene Vogel leest men eene merkwaardige mededeeling van den heer Rey, 
aangaande de vruchtbaarheid van een paar Goudborstjes, dat in de volière 
nestelde: in één jaar tijds had dit paartje niet slechts 54 jongen ter wereld en 
grootgebragt, maar daarenboven nog 67 eijeren gelegd, welke echter waren 
weggenomen. Rey berekende (en geeft hiervan naauwkeurig de bijzonderheden in 
cijfers), dat het gewigt dezer in één jaar gelegde eijeren ruim zestienmaal dat 
van zoo'n vogelenpaar zelf bedraagt. Hij vergelijkt verder dezelfde verhoudingen 
bij de Huishen, en toont aan, dat deze slechts vijfmaal haar eigen gewigt aan 
eijeren produceert. Hij maakt ook nog de opmerking, dat Hoendereijeren steeds 
worden weggenomen, en dat, als dit ook bij de Goudborstjes ware gedaan, het 
aantal door hen gelegde eijeren nog veel grooter zou geweest zijn. 

Het Goudborstje is, wel is waar, zeer levendig in zijne bewegingen, doch 
het kan ook soms uren lang stilzitten. Onder een troep in de volière ziet men 
dan ook dikwijls eene geheele reeks rustende vogeltjes , stil en digt aaneenge- 



sloten, maar altijd wakker en alles nagaande, wat er in den omtrek voorvalt. 
Zij plukken en pluizen elkanders veeren, en hebben soms oneenigheden of 
betwisten elkander eene zitplaats, doch geraken uiterst zelden tot vechten. Hunne 
zucht tot gezelligheid neemt ook toe naar mate van het aantal bij elkaêr levende 
voorwerpen, en, zoodra er eenigen stilletjes naast elkander zijn gekropen, volgen 
al spoedig de overige kooigenooten en kruipen zoo digt mogelijk bijeen; schiet 
er dan voor later aankomenden geen plaats meer over, dan zetten dezen zich 
heel eenvoudig op de ruggen hunner makkers neer, zonder dat dit eenige aan- 
leiding tot ongenoegen geeft. 

Hun zang is zeer eenvoudig en slechts sjirpend. Zij voeden zich met allerlei 
zaden, jong groen, alsook met kleine of vliegende insecten. Hun koopprijs 
verschilt naar gelang van den aanvoer, doch is gemiddeld 8 a 10 gulden het paar. 




JCKeokmans,ad.Tiat ^ V/"" 



P.W.ICTsap, exc. 



HET ZILVEKFAZANTJE. 

MUNIA MAL ABA RICA. 



Er komen onder de bij ons ingevoerde Grasvinken drieërlei vogels voor, 
welke allen onder denzelfden naam (Zilverbekje of Zilverfazantje) worden aangeduid, 
en niettemin zeer verschillende soorten zijn, waarvan er twee in Indië, en een 
in Afrika te huis behooren. 

De eerste dezer drie soorten, het hier afgebeelde Zilverfazantje, is de meest 
algemeen bekende, en duidelijk herkenbaar aan de zilverwitte stuitveêren. Het 
bewoont geheel Indië en Ceylon, waar het bij vlugten de vlakten bezoekt; het 
broeit er ook gezellig, bouwt zijn van gras vervaardigd nest in de onderste 
takken van heesters, en legt een tiental kleine, witte eijeren. Volgens Jerdow, is 
het zeer algemeen in Sindh en Punjaub, en wordt in Indië Piddari Sar-munia 
en in Bengalen Jinuivaiji genoemd. 

De tweede Indische soort, Munia acuticauda , is thans minder algemeen 
dan de eerstgenoemde, daar de aanvoer dezer vogeltjes sedert eenige jaren zeer 
is verminderd. Zij heeft borst en keel zwart, met breede witte schachtliniën, 
bek zilvergrijs, staart lang en spits.. Zij broeit ook in gevangenschap, en de 
jongen nemen niet zelden allerlei lichtere en onregelmatig gevlekte kleuren aan. 

De derde soort, meer algemeen onder den naam Zilverbek bekend, bewoont 
Afrika. Zij heeft veel van de hier afgebeelde soort, doch is op den kop, den nek 
en de zijden donker gevlekt. De jongen dezer soort hebben, oppervlakkig beschouwd, 
zeer veel overeenkomst met zeer jonge Kneutjes, doch zijn veel kleiner en blanker. 
Deze soort is, meer dan de twee vorige, een zanger, en wordt daarom Munia of 
Amadina cantans genoemd. Even als Munia acuticauda, is zij tegenwoordig zeer 
zeldzaam; hoogstwaarschijnlijk is zij (en dit kan ook van de meeste overige 
graauwgekleurde uitheemsche zangers worden gezegd) door fraaijer gekleurde 



soorten verdrongen ; immers over het algemeen worden eenvoudig gekleurde 
vogels weinig gezocht, en, daar zij even kostbaar zijn als onze Vuurwevers, 
Amadinen of andere pracht- Vinken, kiest de vogelhandelaar natuurlijk de fraaiste 
voor zijn geld. 

Het vogeltje, dat we Zilverfazantje noemen, is niettemin even talrijk als 
vroeger, waarschijnlijk doordien er zulk eene menigte, tegelijk met andere vogels, 
uit Engelsch-Indië worden aangevoerd, en de handelaars zulke bezendingen in den 
regel per kooi (d. w. z., zooveel als er vogels in ééne kooi kunnen gepakt worden) 
of per aantal stuks waarderen, terwijl eerst later de verschillende soorten, en 
daarna de soorten in paren, verdeeld en in betere kooijen overgebragt worden. Van- 
daar dat soms zeldzame , maar ook dikwijls zeer onbeduidende vogeltjes eene plaats 
bij den vogelliefhebber vinden. In Engeland treft men dan ook veelal zeer vreemde 
vogels aan, welke bijna niemand kent (altijd met uitzondering van den koopman, 
die uit zijn vindingrijk brein terstond een naam weet te putten, en op die 
wijze «Pekingsche Nachtegalen", »Noordsche Kanarievogels" of »Afrikaansche 
Kolibri's" te voorschijn roept). Dikwijls komen er onder de Grasvinken soorten 
voor, die, reeds lang vóórdat zij door de wetenschap gerangschikt werden, in 
volières werden gezien. Ik zelf heb in Lissabon vogeltjes uit Benguela en Angola 
in rieten kooitjes op de fruitmarkt te koop gezien, en werd eerst later gewaar, 
dat die soorten in musea zeer zeldzaam waren. Ook ontdekte ik eens in de kajuit 
van eene der Portugesche mailbooten, te midden van andere vogels, eene zeer 
fraaije, groote Amadina-soort, welk ik later nimmermeer, hetzij levend, hetzij in 
verzamelingen, heb kunnen terugvinden. Deze vogel was zoo groot als een 
Sijsje, geheel glimmend zwart, met een rood voorhoofd, gele oogen, roode 
pooten, en een staart ter grootte van dien der St. Helena-Fazantjes. 




O". G ïe ui onans , a cl n at 



V / " 



DE JAKOBIJN. 

MUNIA MALAGGA. 



De hier afgebeelde vogel wordt ook Ekstervink, Groote Domino en Bisschop 
genoemd. De Engelsche handelaren kennen hein als Bishop en Parsonfinch, de 
Fransche als Gros-bec-chinois. Ten opzigte van levenswijze en verdere hoedanigheden 
komt hij geheel en al met den Mongool overeen, van wien hij zich alleen door 
het wit aan zijne onderdeelen onderscheidt. Ook zijn vaderland is Indië tot Cey- 
lon, doch men vindt hem niet zoo verre westwaarts, als den Mongool, die tot 
aan het Himalaya-gebergte voorkomt. Het menigvuldigst treft men hem aan de 
kust van Malabar aan, waar er velen gevangen en naar Europa gezonden worden. 
De Indianen vangen hen tegen den broeitijd met knipkooitjes en slagnetjes, die 
zij in het hooge gras of in de door deze vogels bewoonde rijstvelden neerzetten. 
Dikwijls vangen zij er zooveel, dat de kooijen, waarin de gevangenen gestopt 
worden, al spoedig vol geraken, en, als dan daar geen ruimte voor een enkel 
voorwerp meer overschiet, bindt de vogelaar de pooten der nog overgebleven 
gevangenen met een biesje vast, en bevestigt dit met een lusje aan een langen 
stok, dien hij over den schouder draagt. Met het oog op eene zoo overvloedige 
vangst, begrijpt men gereedelijk, dat de waarde dezer vogels in hun geboorteland 
slechts zeer gering kan zijn; men koopt ze dan ook daar voor ongeveer 6 pence 
(30 cents) het paar. 

De oude vogels vertoonen geen uiterlijk verschil in kleur, doch de jongen 
zijn steeds lichter gekleurd; zij hebben het bruin der bovendeden kaneelkleurig 
en den kop grijs, en missen den zwarten band onderaan het ligchaam nage- 
noeg geheel. 

Men heeft ook bastaards van Jakobijn en Mongool gevangen, en het is dan 
ook zeer waarschijnlijk, dat deze beide soorten ook in gevangen staat onderling 
zullen voorttelen, als men ze in daartoe geschikte volières bijeenbrengt. 




J &.KeuLenian.s,a&ïiat 



"^ 



e- /s?f s/t/c r\ 



EW.M.Trap.exc. 



DE MONGOOL. 

MUNIA RUBRONIGM. 



Men noemt den hier afgebeelden vogel ook Monnik, even als Munia maja ook 
onder den naam van Non of Nonnetje, en de verwante Munia malacca ook onder 
dien van Jakobijn bekend is. De handelaren in Engeland en Duitschland noemen 
hem Chinees; evenwel ten onregte, daar toch Munia sinensis (de Chineesche 
Dikbek) wel met den zoogenaamden Chinees naauw verwant, doch niettemin een 
andere soort van vogel is. 

Het woongebied van den Mongool strekt zich uit van den Himalaya, door Indië 
en Cochinchina, tot Ceylon. Bijna overal zijn zij zeer talrijk en leven in rijst- en 
suikerrietvelden gezellig bijeen, waar zij trouwens, even als in onze koloniën de 
Rijstvogel, veel schade aanrigten. 

Er bestaat bij deze soort geen uiterlijk zigtbaar verschil tusschen de seksen. 
De jongen zijn in hun eerste vederkleed graauw aan den kop en kaneelbruin over 
het ligchaam, en hebben den snavel donkerbruin. 

De Mongool bouwt zijn groot, bolvormig nest tusschen de takken van 
heesters; het heeft de opening ter zijde en is uit gras, wortelen en plantenstengels 
zaamgesteld. In Indië paren deze vogels omstreeks October; doch men vindt ook 
jongen in Januarij, en hoogstwaarschijnlijk broeijen zij, even als de meeste ver- 
wante vogelsoorten, drie- a viermaal 'sjaars. Het aantal eijeren, die geheel wit 
zijn, verschilt van 6 tot 10; ze worden door beide ouden bebroeid. 

Wat hunne levenswijze in de vrije natuur betreft, kan men ze met den 
Rijstvogel op ééne lijn stellen; zij zijn even wild en levendig van aard, en 
vertoeven in dezelfde soort van woonplaats, waar zij bij groote vlugten van het 
eene veld naar het andere trekken. 

Zangtalent bezitten zij niet; het eenig geluid, dat zij voortbrengen, is een 



hol luidend »pink" of y>tjunk" en hun gewoon geratel, naar dat der Musch 
gelijkende. 

In gevangenschap zijn het bijzonder aardige vogels. Wel zijn zij niet zeer vrolijk 
van aard, maar toch vliegen zij onophoudelijk heen en weer, ratelen of sjirpen, 
hangen aan de traliën, slepen hooi tusschen de takken, en maken soms groote 
nesten; zij broeijen echter zelden. In kleine kooijen vereenigd, zijn zij uiterst 
bedaard, en zitten den geheelen dag op hun ruststokje. Als men er velen bij 
elkaêr heeft, kruipen zij digt aaneen, en zelfs veroorloven zij dan hunnen mak- 
kers, zich op hunne ruggen neer te zetten, als er op den algemeenen zitstok 
geen plaats meer open is. Zij twisten zelden en stellen een onbeperkt vertrouwen 
in andere vogels, waarmede zij in gezelschap zijn. Zoo, b. v., zag ik onlangs 
een paar dezer vogels met nog een paar Jakobijnen in eene groote kooi in 
't gezelschap van eenige Tortelduiven; wel verre echter van zich voor deze 
grootere buren bevreesd te maken, plaatsten al die kleine gasten zich naast de 
Duiven, kropen en drongen allengs digter tegen dezen aan, en verborgen zich 
onder en tusschen de veeren dezer groote kooigenooten. 's Avonds was er niets 
van hen te zien: bij voorzigtig onderzoek vond ik ze geheel onder de vleugels 
der Duiven verscholen. 

Deze vogels eten gaarne rijst en gierst en kunnen, even als de Rijstvogel, 
met allerlei zaden in 't leven gehouden worden. De koopprijs is in Engeland 
gewoonlijk 12 shillings het paar. 




r."Keü 



y 



yy //r // //r // r 



i 



HET NONNETJE. 

MUNIA MAJA. 



Na den Rijstvogel, is het Nonnetje de algemeenste der bij ons ingevoerde 
Oost-Indische Dikbekken. Gewoonlijk treffen wij bij de vogelhandelaren in onze 
zeesteden zulke Nonnetjes, hetzij gepaard, hetzij eenige voorwerpen bij elkander, 
aan; zij zijn hier dan ook menigvuldiger, omdat zij uit Nederlandsch-Indië, inzon- 
derheid uit Java, afkomstig zijn. 

Men vindt deze vogeltjes verder nog in Sumatra en op de Sunda-eilanden. 
Zij leven op groote vlakten, vooral op rijstvelden, waar zij door hun talrijkheid 
den landbouwer groote schade veroorzaken. Even als de Rijstvogel, komen zij zeer 
vertrouwelijk in de nabijheid der menschelijke woningen en bezoeken geregeld de 
tuinen, in welker heesters zij dikwijls hun nest bouwen. 

Er bestaat bij deze vogels geen merkbaar verschil in kleur tusschen de 
seksen, dan alleen dat bij het oude mannetje de stuitveèren 1'raaijer bruinrood zijn. 
De jongen zijn in hun eerste vederkleed geheel bruinzwart, doch hunne kopveêren 
zijn licht aan den wortel en alleen aan den buitenrand donkerkleurig, zoodat hun 
kop er grof gemarmerd uitziet. Na vier of vijf weken echter beginnen zij te ver- 
kleuren, en op den leeftijd van drie a vier maanden zijn zij aan de ouden gelijk. 

Hun nest is, in verhouding tot de grootte van dit vogeltje, zeer groot en 
heeft den vorm van een meloen , namelijk van den zoogenaamden watermeloen ; 
de ingang tot het nest is op zijde, doch de opening is door het overhangend 
gras naauwelijks zigtbaar. Meestal is het aan de onderste takken van heesters, over 
of langs het water of het rijstveld groeijende, bevestigd, soms ook in het riet 
langs stroomen of in het rijstveld aan de halmen. Het wijfje broeit hare 4 a 7 
witte eijeren in dertien dagen uit. Het mannetje neemt deel in het broeijen, en zit 
ook dikwijls nevens het wijfje. 



Op zangtalent kunnen deze vogels niet bogen; zij zijn misschien de minst ont- 
wikkelde onder al de Dikbekken en Amadinen. Hun geluid is een eenvoudig : ))pink 
pink", en onder het opvliegen laten zij een scherp geratel hooren, luidende als: 
Dhrrrrrik, krik-tik, tik". Een dergelijk geluid brengt ook de Sluiper (Troglodytes 
europaeus) voort, doch het Nonnetje laat het eenigzins holler klinken. 

In gevangenschap zijn zij wel is waar, ter wille van hunne zachte kleuren, zeer 
gezochte vogeltjes, doch, wanneer zij in eene kleine kooi zijn opgesloten, worden 
zij al spoedig vervelend voor hun eigenaar ; want. zij zitten dan op den duur rustig 
tegen elkaèr, droomende, als waren zij van hun eigen bestaan onbewust. Al 
hunne beweging' bestaat dan in het wippen van hun stokje naar hun voederbak, en 
vice versa, of zij pluizen zich een weinig, en daarmede is hunne geheele dage- 
lijksche bezigheid afgeloopen. Alleen zulke menschen, wier levenswijze even rustig 
en eentoonig is, kunnen in het houden van zulke vogels in de kooi behagen 
scheppen. In eene groote volière daarentegen voeren de Nonnetjes een vrolijker 
leven; daar vliegen, klauteren, hangen, ratelen en sjirpen zij, als leefden zij nog 
in hun rijstveld. Wel nemen zij ook daar hun middagslaapje, maar toch zijn zij 
vrolijk en opgeruimd, en zij beginnen dan ook spoedig nesten te bouwen, overal 
waar zich slechts daartoe eene geschikte plaats voordoet. Is er genoeg materiaal 
voorhanden, dan brengen zij dit in alle hoeken of tusschen verschillende takken 
aan. en maken zoodoende niet zelden een zestal nesten, zonder echter tot broeijen 
over te gaan. Men heeft evenwel jonge vogeltjes in gevangenschap aangekweekt, 
doch dit is alleen mogelijk in groote, ruime volières, zooals wij die gewoonlijk in 
diergaarden aantreffen. 

Zij eten gaarne rijst en gierst. Als zij gelegenheid tot vliegen hebben, vangen 
zij ook insecten, terwijl zij in kleine kooitjes eenvoudig met kanariezaad tevreden zijn. 

Naarmate van den aanvoer, koopt men een paar voor 5 a 9 gulden. 




1 



^ 



.WN 



' 



Hü 



DE HUISMUSCH 

PASSER D0MEST1CUS. 



Iedereen weet wat Musschen zijn ; althans mogen we als zeker stellen , dat 
verreweg het grootst gedeelte van het menschdom de Huismusch en hare ge- 
woonten heeft opgemerkt. Toch blijft er nog veel van haar te zeggen, en daarbij 
bezit zij, al naar de omstandigheden waaronder zij zich bevindt, nog zooveel 
bijzonders en eigenaardigs, dat eene breedvoerige beschrijving der Huismusch in 
dit werk, zoo al niet als noodzakelijk, dan toch zeker niet als ongepast zal worden 
aangemerkt. 

Musschen zijn vinkachtige vogels en komen ten opzigte van hun vorm het 
meest de Roodvinken (Carpodacus) nabij. Haar vleugel is gelijk aan dien van den 
Wever en onderscheidt zich daardoor van de vleugels der meeste overige Vinken, 
dat de eerste pen in lengte aan de tweede gelijk en niét aanzienlijk korter is. 
De bek is tamelijk krachtig, niet scherp konisch, doch eenigzins gebogen of afge- 
rond, zooals bij de Goudvinken en Roodvinken. De pooten zijn krachtig en 
vooral tot springen of liever tot huppelen geschikt. Hare vlugt is vrij schielijk, 
doch zwaar; zelden doorvliegen zij dan ook groote afstanden in eens, en, wan- 
neer zij zich van de eene streek naar de andere moeten begeven, rusten zij 
telkenmale nagenoeg even lang als zij gevlogen hebben. 

Haar stemgeluid is scherp, kort en zeer weinig ontwikkeld, en hierdoor 
vooral naderen zij weder de Wevers (Ploceus). Alle Musschensoorten kenmerken 
zich door een onaangenaam luidend, steeds onveranderlijk geroep: vtsièp-tsièp" ; 
uit deze syllaben wordt dan ook de zang (als men het zang noemen mag) zaam- 
gesteld. Haar lokgeluid, dat zij ook laten hooren wanneer zij elkaêr een naderend 
gevaar of »iets bijzonders" meê te deelen hebben, is eene zeer snelle opvolging 
dezer syllaben en klinkt als een scherp geratel. Als dit geluid met het gewone 



vtsièp" vergezeld gaat, kan men er zeker van zijn, dat er iets bijzonders in haar 
gemoed omgaat. 

De meeste Musschensoorten dragen een zeer eenvoudig vederkleed, terwijl 
de wijfjes en de jongen zich door nog eentooniger kleuren kenmerken. Ofschoon 
zich vele overgangen tot andere vogelsoorten bij haar voordoen, bezitten zij toch 
dit eigenaardige, dat zij allen, de eigenlijke Musschen (Passer) namelijk, nimmer 
heldere, doch steeds graauwe, bruine of grijze tinten vertoonen; dat bij alle 
bekende soorten de mannet|es een min of meer aanzienlijk prachtkleed bezitten; 
dat zij gezellig leven, en zich steeds nabij de menschelijke woningen, hetzij in 
bebouwde streken of in de straten der steden of dorpen, ophouden. 

In bijna alle door het blanke menschenras bewoonde streken vindt men 
Musschen, die, ten opzigte van hare kleuren en hare levenswijze, óf geheel, óf 
slechts met geringe afwijkingen, met onze Huismusch overeenkomen. Het is eigenlijk 
moeijelijk te bepalen, of de bij ons algemeen voorkomende soort werkelijk een 
Europeaan, dan wel een toevallig ingevoerde vogel is; immers vinden wij haar 
ook in het iNoorden van Azië. De Noord-Amerikaansche Musch is natuurlijk uit 
Europa overgebragt, even als dit van de Musschen, die thans Australië, Nieuw- 
Zeeland en Oost-Indië bewonen, met zekerheid bekend is. In vele streken is de 
Musch langzamerhand menigvuldiger geworden, welke uitbreiding gelijken tred 
hield met de landverhuizingen van den mensch, inzonderheid van den landbouwer, 
die meer dan de stedeling tot de verspreiding dezer vogelsoorten heeft bijgedragen. 
Zoo, b. v., is dan ook de Musch eerst met de invoering van het graan in Siberië 
gekomen, en in Oost-Soedan eerst met de tarwe. 

Daar de Chinezen reeds eeuwen vóór onze tijdrekening brood bakten en 
graan bouwden, en er van oudsher (zoo als uit afbeeldingen op oud porselein, 
oude waaijers, vuur- en zonneschermen blijkt) Musschen in China en Japan voor- 
kwamen, is het zeer wel mogelijk, dat onze Musch eeuwen geleden door toedoen 
der Chinezen, of door de uitbreiding der graanteelt, over Rusland naar Europa 
gekomen is en zich in dit werelddeel gevestigd heeft. In vele landen echter is de 
Musch door den mensch opzettelijk overgebragt, vooral in die streken waar de 
graanteelt door de menigvuldigheid van vernielende insecten belemmerd werd; 
want, ofschoon de Musch zich ook met granen voedt, vernielt zij zooveel onge- 
dierte, dat hare tegenwoordigheid in bebouwde streken veeleer als nuttig dan als 
schadelijk moet beschouwd worden. Men heeft haar dan ook om die reden in 



Nieuw-Zeeland overgebragt. Op Madagascar, aan de Kaap de Goede Hoop, op 
St. Helena en in bijna geheel Noord-Amerika is de Musch eerst later ingevoerd. 
Een opmerkelijk verschijnsel is, dat, ofschoon deze vogels zoowel in warme als 
in koude, in drooge en in moerassige, in vlakke en in bergachtige streken leven, 
zij bijna niet aan kleurs- of klimaatsverscheidenheden onderworpen zijn, terwijl 
men reeds in het Zuiden van Europa twee zeer verschillend gekleurde Musschen 
aantreft, namelijk, eene met een geheel bruinen kop, en eene grootere soort met 
geheel zwarte keel en borst. Het is zeer zonderling', dat deze beide laatsten zich 
meer, dan de aan haar verwante Huismusch, aan bepaalde localiteiten gehouden 
hebben, ofschoon toch hare levenswijze nagenoeg geheel met die onzer Musch 
overeenkomt. Misschien (we zullen het waarschijnlijk niet beleven) zullen ook de 
overige Musschen den een of anderen tijd dergelijke landverhuizingen ondernemen, 
zoodra haar meest geliefkoosd voedsel door menschenhanden naar andere oorden 
vervoerd wordt, of wanneer andere oorzaken, zoo als aardbeving of overstroomina:, 
ze uit hare tegenwoordige woonplaatsen verdrijven. In het Zuiden van Europa 
echter vinden wij, vooral in den winter, ook onze Musch, en wel in de steden 
en dorpen, in gezelschap van hare eigen soort. Dit zijn meestal jonge voorwerpen, 
hetgeen bewijst, dat sommigen bij troepen wegtrekken en dat niet alle individuen 
in hun geboorteland blijven. 

De in het Zuiden of eigenlijk in het Zuid-Oosten van Europa levende Musch 
(Passer Italiae) verschilt van de onze door haar geheel bruinen bovenkop en is 
over het algemeen sterker gekleurd. Men vindt haar hezuiden de Alpen tot Azia- 
tisch-Turkije. De andere, grootere soort komt vooral in Spanje voor, zeldzamer 
in Italië, doch menigvuldig in Noord-Afrika, oostelijk in Barbarije en Abyssinië, 
westelijk in Senegal, de Kaap-Verdische en Ganarische eilanden, alsook in Madera. 
Deze Musch is zeer kennelijk door hare geheel zwarte keel en borst, waarvan 
elke veder met een duidelijk witten rand is versierd ; haar bovenkop is 
bruin, haar rug met zwart gevlekt, en aan de zijden van het ligchaam heelt zij 
groole zwarte vlekken aan den wortel der veeren. De wijfjes zijn bijna niet van 
die der Huismusch te onderscheiden; alleen is de borst meer in het oog vallend 
gestreept. 

Men vindt nog andere soorten van Musschen, doch deze zijn meer in het 
wild levende vogels, die zelden in of nabij de steden komen en in levenswijze 
meer de Ringmusch (P montanus) naderen. Sommigen dezer bewonen zelfs de 



drooge vlakten der bergachtige landen, verre van de menschelijke woningen of 
bouwlanden. 

Gelijk algemeen bekend is, bouwt de Musch haar nest in de menschelijke 
woningen, hetzij onder de daken, hetzij in holten van ornamentwerken, zoö als 
pilaren, balkons, veranda's en schoorsteenen. Natuurlijk wordt nu en dan haar 
nest in zeer zonderlinge hoeken of gaten of in vreemde plaatsen ontdekt; want, 
daar het haar bij den nestbouw slechts om een veilig oord te doen is, nestelt zij 
in verlaten woningen, binnen in de vertrekken, of in een ouden ketel, in een 
bloemvaas enz. In vele streken van ons werelddeel, waar de daken der huizen 
niet met pannen, doch met lei of zink bedekt of zoodanig gebouwd zijn, dat. de 
Musch er geen geschikt plekje voor haar nest kan vinden, daar zien we in de 
boomen der grachten en tuinen groote van stroo vervaardigde nesten, meestal in 
de bovenste takken aangelegd en er als kraaijen- of lijsternesten uitziende. Dikwijls 
zijn daar een aantal dezer nesten bij elkaêr gebouwd, zoodat soms de geheele 
kroon des booms met hooi en stroo bedekt is. Dit zijn musschennesten. Ieder 
paar heeft zijn eigen vertrek en weet den ingang zeer goed te vinden, ofschoon 
die onder het stroo verborgen ligt. De ingang is steeds ter zijde of onderaan 
aangebragt, en leidt soms naar twee of meer bewoonde vertrekken. Na den 
broeitijd keeren de Musschen naar de vroeger door haar bewoonde nesten terug, 
en, daar deze meestal in dien tusschentijd door het gure najaarsweder veel 
geleden hebben, herstellen zij de aangerigte schade en bouwen er eene laag stroo 
overheen. Zoodra nu de vorst invalt, kruipen zij, ouden en jongeren, weder naar 
binnen, vertoeven er een groot gedeelte van den dag en slapen geregeld in haar 
warm winterverblijf. Ook de in gaten of onder daken nestelende Musschen keeren 
's nachts en gedurende de strenge koude naar hare warme woning terug, of 
bouwen nieuwe winternesten in stallen of schuren. 

De Huismusch broeit tweemaal gedurende den zomer; in warme luchtstreken 
reeds in Maart ot , naar mate van de ligging der landen, omstreeks den tijd dat 
het weder daar nagenoeg even zacht is, als hier te lande in Mei. De naar Indië 
overgebragte Musschen houden zich, ten gevolge van de daar heerschende gelijk- 
matige temperatuur, aan geen bepaalden broeitijd, doch ieder paar brengt, onver- 
schillig in welk klimaat, nooit meer dan drie broeisels jaarlijks voort. 

Hier te lande zien we reeds in Maart de Musschen toebereidselen voor den 
nestbouw maken. Als de gure voorjaars-, of liever, nawinters-buijen nog verre 



van voorbij zijn, en de zon maar even door de wolken komt kijken, terwijl het 
weder nog koud en bar is, hooren we reeds het scherp geratel en geslijp dezer 
vogels, en zien we reeds verliefde mannetjes om een wijfje strijden, waarbij we 
vaak om hunne zotte bewegingen moeten lagchen: met den staart omhoog, de 
vleugels omlaag en den kop in den nek, springt het mannetje rondom het voor- 
werp zijner aanbidding; maar al te dikwijls krijgt hij mededingers, en dan eindigt 
de liefdesverklaring met eene vechtpartij, waarbij de strijdende medeminnaars 
gewoonlijk verre van hun weg geraken, terwijl een derde vrijer met de bruid 
eene andere straat inschiet. Evenwel houden de Musschen zich bij de door haar 
bewoonde buurt, en de wijfjes paren dan ook in den regel slechts met de 
mannetjes uit die buurt; vreemde Musschen worden zelden in hunne omgeving 
toegelaten. Daarenboven kennen zij elkander even goed, als straatjongens uil 
dezelfde buurt malkaêr kennen, en, ofschoon zij 's winters elkander gaarne ont- 
moeten, blijven zij in den paartijd ieder op een afstand. 

De eigenlijke paartijd begint echter eerst in April; dan wordt er hard aan 
de nesten gewerkt, en het wijfje zit gewoonlijk reeds tegen het einde dier maand 
op hare eijeren. Het mannetje komt zelden op hef nest, doch kruipt 's nachts 
stilletjes naast zijn wijfje. De eijeren — elk broeisel bevat er 4 a 7 — verschillen, 
naar mate van de landstreek, eenigzins van grondkleur, doch zijn steeds te her- 
kennen aan hun verlengd-ovalen vorm, en aan de menigvuldige vlekjes en over- 
langsche haaltjes, die de geheele schaal bedekken. De grondkleur is blaauvv-grijs- 
achtig wit. of lichtgrijs met eene rosse tint; de vlekjes zijn bruin of donkergrijs, 
bij sommige, vooral bij die met de rosse grondkleur, roodbruin en donker 
purperzwart. De jongen worden door beide ouden met insecten, vooral rupsen 
en spinnen, en ook met zaad, jong groen, brood en ander afval van de tafel 
gevoerd. Zij blijven 17 a 22 dagen in het nest, doch worden nog lang daarna 
door de ouden van voedsel voorzien. Meestal zitten de hongerige kinderen ieder 
in een afzonderlijken hoek of boom, waardoor het gevaar, om gezamenlijk door 
katten overvallen en verslonden te worden, althans eenii>ermate wordt voorkomen. 

De jongen zijn, bij die van andere vinkachtige vogels vergeleken, zeer klein; 
hun gevederte is nagenoeg aan dat hunner moeder gelijk, behalve dat zij de 
donkere vlekken op den rug minder duidelijk hebben. Bij de jonge mannetjes 
komen de kleuren door langzame ruijing van lieverlede te voorschijn; zij zijn 
echter in hun eerste levensjaar iels lichler van kleur, dan de ouden, die trouwens 



gewoonlijk min of meer bevuild zijn en zich ook daardoor donkerder voordoen. 
In hun winterkleed bepaalt, zich het zwart tot aan de keel, en hebben de krop- 
veèren lichte randen; in den zomer daarentegen hebben zij de uoorhelft der 
borst, keel en krop zwart, en alleen de borstveêren licht gerand. Musschen, die 
de vlakten in moerasstreken of nabij de veenen bewonen, hebben meestal den 
kop iets lichter bruin en den buik blanker. 

Onze Musch heeft door haar omgang met den mensch veel geleerd, en is 
dus zeer voorzigtig en wantrouwend. Zij is steeds op hare veiligheid bedacht en 
dan ook uiterst, moeijelijk te verschalken; zij kent ons en ziet aan onze bewe- 
gingen en handelingen, of wij haar al clan niet gunstig gezind zijn. Heelt dan 
ook eene eenmaal gevangen Musch hare vrijheid herkregen, dan kan men er wel 
zeker van zijn, dat zij zich nooit weder zal laten beetnemen, en dat vallen, netten 
en knippen zelfs met het lekkerste lokaas niet meer in staat zijn, haar te ver- 
leiden, ook al werd zij nog zoo erg door den honger gekweld; wel beziet zij ze 
van een afstand, en pikt ook wel het zaad weg, dat bij toeval in den omtrek 
van val of strik mogt gevallen zijn; maar zij zal wel deugdelijk oppassen, het 
voorgehouden aas niet aan te raken. 

Eene gevangen Musch schijnt ook haar toestand dieper te gevoelen, dan 
andere vogels onder dergelijke omstandigheden. Zij neemt den schijn aan alsof 
zij zich over hare onervarenheid beschaamd gevoelt. Met een blik van zelfverwijt 
zit zij dagen, ja weken lang in een hoek, verstomd en bewegingloos, om dan 
eensklaps als een wilde tegen de traliën of het houtwerk op te vliegen, zoodra 
haar grootste vijand, de mensch, die haar in het ongeluk stortte, zich voor haar 
plaatst. Zij eet alleen als er niemand in de kamer is, en geeft door haar gedrag- 
te kennen, dat men toch niets goeds van haar te verwachten heeft. Inderdaad, 
eene gevangen Musch ziet u aan, als wilde zij zeggen: laat me maar weer dadelijk 
los; ik ben toch volstrekt niet voornemens, je ooit te behagen! 

Voor zijn vermaak behoeft men dus waarlijk geen moeite te doen om Mus- 
schen te vangen; wil men ze echter meester worden, b. v., om ze naar andere 
oorden te verzenden, dan ga men volgenderwijs te werk om ze te verschalken. 
Eerst plaatse men eenige takjes op den grond, en werpe daar brood tusschen; 
hebben de Musschen zich van de schadeloosheid dier takjes behoorlijk overtuigd, 
dan besmere men die met vogellijm, waar dan de voorzigtige, maar toch nog 
niet genoeg voorzigtige Musschen aan blijven vastkleven. De gevangen voorwerpen 



moeten, zooveel mogelijk bij elkander, in lage kooijen geplaatst worden, waarvan 
de bodem met aarde, zand of doode bladeren bedekt moet zijn, terwijl men ook 
het voer op den bodem der kooi dient te werpen. In nette kooijen en bij te 
goede verzorging willen de Musschen niet tieren; hoe ongegê neerder men met 
haar leeft, des te beter kunnen zij het uithouden. 

Variëteiten, zoo als geheel of gedeeltelijk albino's, zandkleurige, zwarte of 
bonte Musschen, zijn zeer menigvuldig. Eene zeldzame verscheidenheid echter is 
de witte Musch met kanariegelen rug en stuit. Ook vindt men, doch uiterst 
zelden, bastaarden van het mannetje der Musch met het wijfje van den Groenling, 
alsook van den Vink, den Goudvink, en van het wijfje der Huismusch met het 
mannetje der Ringmusch. 



DE EINGMUSCH. 

PASSER MONTANUS. 



De Ringmusch wordt nergens zoo menigvuldig' aangetroffen, als in Neder- 
land. Zij is hier de straatmusch der dorpen, en op vele plaatsen nestelt zij zelfs 
onder de daken der huizen, vooral tusschen de rieten daken der boerenwoningen. 
Even als de Huismusch, is zij over een groot gedeelte der oude wereld verspreid 
en in sommige streken toevallig overgebragt. Men wil zelfs weten, dat de Ring- 
musch uit Oost-Indië afkomstig is van een paar, dat door een koopvaardijschip 
uit de Nederlanden werd meegevoerd, en wel, naar vrij algemeen beweerd wordt, 
op de volgende zonderlinge wijze : Een paar dezer Musschen hadden in het 
bovengedeelte van een der masten hun nest gebouwd, terwijl het schip ten anker 
lag. Bij het vertrek van het vaartuig waren de jongen nog niet uitgevlogen, en, 
toen dezen genoegzaam ontwikkeld waren om het nest te kunnen verlaten, was 
het schip reeds in volle zee. Bij aankomst te Batavia vlogen de Musschen natuur- 
lijk weg, en vestigden zich in het nieuwe land. In hoeverre dit verhaal juist is, 
weet ik niet. Het is mogelijk; doch met dezelfde waarschijnlijkheid zou men 
kunnen beweren, dat de Ringmusschen uit onze koloniën in Oost-Indië, of uit 
China en Japan zijn ingevoerd, of wel van eiland tot eiland herwaarts zijn over- 
gevlogen. 

Volgens professor Schlegel, legt de Ringmusch, die op Java broeit, telkens 
slechts 2 eijeren, doch broeit zij gedurende alle jaargetijden, die trouwens op dat 
eiland, wat de temperatuur betreft, al zeer weinig van elkander verschillen. 

Men vindt de Ringmusch ook in Noord-Afrika, in gematigd Siberië en in 
nagenoeg geheel Noord-Europa tot op den St. Bernardsberg, nabij het aldaar 
gelegen wereldberoemde klooster. 

Ten opzigte van algemeenen vorm, kleur en levenswijze, komt de Ringmusch 



met de grootere soorten, waaronder onze Huismusch, al zeer wel overeen, met 
deze uitzondering echter, dat bij haar de seksen en jongen geen verschil in kleur 
van gevederte vertoonen. 

In Engeland vindt men haar zelden nabij de steden; zij leeft daar meer in de 
vlakten en bosschen , en trekt 's winters met Vinken en andere vogels naar het 
Zuiden of blijft bij troepen rondzwerven. Ook in ons vaderland ziet men er velen 
gedurende het najaar met Vinken en Gorzen rondvliegen; doch, daar zij alle 
soort van weder kunnen verduren, blijven zij meestal in hare eigen landstreek, 
terwijl hare vroegere reismakkers ons reeds sedert lang verlaten hebben. 

Moerassige streken, boerderijen en laag hout nabij weilanden schijnen hare 
lievelingsplekjes te zijn; daar vinden wij ze dan ook vooral gedurende den 
paartijd. Zij bouwen hare nesten, die er in den regel vrij slordig uitzien, in 
holten van boomen, meestal van knotwilgen, tusschen steenen, in gaten van 
muren en onder de daken der buitenhuizen, dikwijls ook in molens. De eijeren 
zijn als die van de Huismusch, doch kleiner ; gewoonlijk bevat het eerste broeisel 
6 of 7, het tweede 4 of 5 eijeren. Beide ouden broeijen, doch het mannetje 
houdt zich daarmede slechts weinige oogenblikken op. 

Zoodra de Ringmusschen jongen hebben, vernielen zij eene menigte insecten, 
en zijn dus zeer nuttige diertjes. Wel hebben daarentegen de hennep- en boek- 
weitvelden in het najaar veel door haar bezoek te lijden, zoodat zij, even als haar 
bloedverwant, de Huismusch, nu eens nuttig, dan weder schadelijk zijn; doch 
men is het algemeen eens, dat zij meer goed dan kwaad aanrigten, en de land- 
bouwer zou dan ook even ongaarne zijne Ringmusch, als de stedeling zijne Huis- 
musch willen missen. Wij zijn eenmaal aan die vogels gewend, en mogen hen 
dan ook vrij wel lijden, zelfs al veroorzaken zij ons eenig nadeel, als zij 't ten 
minste niet al te bont maken. 

Het stemgeluid dezer Musschen is een weinig zwakker, doch helderder dan 
dat der Huismusch. De mannetjes maken uit hun gesjilp eene soort van zang, die 
misschien voor hunne wijfjes zeer bekoorlijk klinkt, doch voor onze ooren weinig 
aantrekkelijks heeft. 

Men kan deze vogels zeer gemakkelijk vangen en beter dan de Huismusschen 
in kooijen houden, daar zij niet zoo koppig zijn als de laatstgenoemden; zij zijn 
ook de moeite van het vangen meer waard, daar zij fraaijer kleuren bezitten. Op 
het vinkennet vallen er velen, welke meestal gedood en aan de »rist" gebonden 



worden. De boerenjongens vangen ze met papiertjes, die bij wijze van peperhuis 
opgerold en in de sneeuw gestoken worden, met de opening naar boven. In die 
peperhuisjes leggen de knapen stukjes brood of aardappelen, en besmeren den 
binnenrand van boven met vogellijm. Als nu de Musschen naar het voer pikken, 
blijft het papier als een steek of muts op haar kop zitten; wel vliegen zij dan 
terstond weg, doch, daar dit vreemde hoofdtooisel haar het zien belet, worden 
zij spoedig ingehaald en gevangen. 

Op hare beurt betoont het wijfje der Ringmusch goede diensten als lokvogel, 
wanneer het er om te doen is om in de knipkooi spoedig de mannetjes van 
Vinken, Groenlingen en Geelgorzen te vangen. 

Behalve door hare fraaije, zachte kleuren, en door hare geringe grootte, 
biedt de Ringmusch in gevangenschap weinig aanlokkelijks aan. In groote kooijen 
is zij het meest op haar gemak; en als men ze in eene volière buitenshuis houdt, 
broeit zij even druk als in vrijheid, vooral wanneer men haar daar voorziet van 
een dooden boom met gaten of van een knotwilg, alsmede van wat stroo en 
veeren, als bouwstoffen voor haar nest. Hennepzaad, havergort en brood is voor 
haar het meest geschikte voedsel. 



I 







HET KOEHOEN. 

TETRAO TETRIX. 



De toenemende bevolking en het meer in geregelde kuituur brengen van 
heidevelden en boschachtige streken, heeft het aantal in ons land levende Korhoenen 
doen verminderen, zoodat hij slechts nog voorkomt in Overijssel en Drenthe en 
hier en daar in Groningen. Ook daar dreigt hij te verdwijnen, zoowel ten gevolge 
van het moordende lood van den jager, als door de vervolgingen van vossen en 
andere natuurlijke vijanden. 

Het Korhoen is een der fraaiste Hoendersoorten en onderscheidt zich kenne- 
lijk door zijn staart, die bij den haan zeer sterk en bij de hen minder gevorkt en 
omgekruld is. Hij loopt en vliegt met zooveel gemak, dat een aangeschoten Kor- 
hoen nog niet zoo ligt te vangen is. 

In den winter voedt hij zich bijna uitsluitend met de zachte bloemkatjes van 
Wilgen en de zaden van Berkenboomen. In streken waar zij menigvuldig voor- 
komen, verzamelen zij zich in troepjes en soms nemen zij plaats op een berken- 
boom en zijn zoo bedrijvig in het afplukken der bloemkatjes , dat men met 
eenige voorzigtigheid ze ligtelijk kan naderen en zich verlustigen in het. gezigt 
dezer vogels, die als ze op de takken, met sneeuw of rijp beladen, bij zonne- 
schijn als met diamanten omgeven zijn. 

Opmerkelijk is het dat het Korhoen bij sneeuwjagt of groote koude, zich in den 
sneeuw begraaft, daar ellenlange loopgraven maakt en slechts te voorschijn komt 
wanneer de honger hem drijft of de storm over is. 

Het Korhoen leeft in polygamie, de mannetjes komen gedurende den paartijd 
op eene bepaalde plaats te zamen, waar de wijtjes zich ook vertoonen, die naar 
het schijnt de manneijes in dit jaargetijde opzoeken — de paartijd is gewoonlijk 
in April, maar verschilt naar gelang van het seizoen. Een van de zonderlingste 



tooneelen die ik ooit heb bijgewoond was dat wat de Zweden een »orrlek" noe- 
men, een zamenkomst van Korhoenen gedurende den paartijd, wanneer de man- 
netjes vechten om het bezit van de wijfjes. De plaats die voor de »lek" gekozen 
wordt, is gewoonlijk een open plek in een bosch, of een moeras dat met boomen 
omgeven is, waar de vertooning vóór het aanbreken van den dag begint. Een van 
de beste leks die ik ooit zag was niet ver van Wyborg. Een jonge Rus vertelde 
mij dat hij de »lek"plaats wist en stelde mij voor er heen te gaan. Een vol uur 
voor zonsopgang waren we reeds op weg en nog voor de eerste zonnestralen 
boven de kimmen waren, was ik verscholen in een kleine hut van takken, midden 
in een opene plek, mijn togtgenoot even zoo in een andere. Reeds lang waren 
er eenige Korhoenders in de hooge boomen nabij de plaats; en na een korten 
tijd kwam een prachtige volwassen haan nabij mijne hut en begon terstond heen en 
weer te stappen. ïrotsch loopende, de vleugels uitstrekkende, de staart als een 
waaijer uitspreidende, en terwijl hij met uitgestrekte hals bijzondere en buiten- 
gewone geluiden maakte, geleek hij veel op een jongen Kalkoensche haan. Deze 
geluiden worden koeren en blazen genoemd. Ieder oogenblik sprong de vogel op 
en gedurende de »lek" zag ik meermalen een der vogels een soort van salto 
mortale maken. Het boven vermelde mannetje was er nog niet lang geweest of 
meerdere kwamen uit de boomen op den grond, totdat ongeveer een half dozijn, 
die alle dezelfde kunsten maakten , bij elkaar waren. De eerste twee , die elkaar 
ontmoetten vielen terstond aan; en een hevigen strijd begon, waarbij de 
vogels op elkaar aanvlogen als volbloed vechthanen. Ik had gehoopt een konings- 
slag te zien, zooals ik geloof dat meerdere malen plaats heeft, maar noch bij deze 
gelegenheid noch bij eenige andere zag ik meer dan drie stuks met elkaar vechten, 
en dit gaf een soort van driehoekig duel, waarbij ze elkaar met den bek en de 
pooten duchtig havenden zoodat de veeren er om heenvlogen. Terwijl de mannetjes 
dus bezig waren, kwamen de hennen, die zich niet terstond vertoonden, naderbij 
de plaats van den strijd en schenen hun ongeduld te toonen om den overwinnaar 
te verwelkomen; want hoe meer de »lek" vorderde, zoo veel te digter kwamen 
zij bij de strijdenden, ontwijfelbaar belust om hun deel in de voorstelling te 
geven. Mr. Collett, die in Noorwegen en andere deelen van Skandinavië meer 
»leks" bijwoonde dan ik, deelt mij mede dat de oudste en sterkste hanen hel, bal 
openen, hetgeen wel waarschijnlijk is met het oog op de hevige gevechten die 
voorvallen. Het lokgeluid is helder en luid en kan in de zuivere atmospheer van 



een noorder lentemorgen op een grooten afstand gehoord worden. Terwijl de oude 
vogels vechten en blazen, blijven de jongere mannetjes op een eerbiedigen af- 
stand van het strijdperk , terwijl ze de ouderen zoo goed mogelijk nabootsen. Ter- 
wijl de Korhaan heen en weer loopt laat hij hetgeen rondom hem voorvalt niet 
onopgemerkt, maar is integendeel zeer goed op zijne hoede; alleen in het 
heetst van den strijd vergeet hij zich zelf. De »lek" wordt in October en Novem- 
ber herhaald, als het helder weer is, en enkele malen kan men dezelve gedu- 
rende het geheele jaar hooren : herhaaldelijk hoorde ik hen in het late najaar op 
de bergen bij Christiania als het zacht of regenachtig weer was. Het wijfje be- 
zoekt gedurende den paartijd 8 of 14 dagen, iedere morgen de »lek" om de lief- 
kozingen van het mannetje te ontvangen, en legt dan hare eijeren. 

Het nest bestaat slechts uit eene in den grond gekrabde uitholling. De eijeren 
vindt men in Mei, ten getale van 7 tot 10, zij zijn vaal geel met roestbruine 
vlekjes. De jongen verlaten het nest, zoodra zij uit het ei gekomen en droog zijn; 
hun eerste voedsel bestaat, zooals dat der meeste overige Hoendersoorten, in 
miereneijeren. 




^cf 



DE SOEMMERINGSFAZANT. 

PHASIANUS SOEMMERINGI. 



Deze fraaije vogel, ook Roode Fazant genoemd, werd het eerst door Fem- 
minck beschreven , waaruit blijkt dat hij tot eene betrekkelijk nieuwe soort behoort. 
Het individu , dat genoemden ornitholoog bij zijne beschrijving diende , was door 
dr. von Siebold uit Decima (Japan) gezonden, en bleek later een slechts onvol- 
komen gekleurd mannetje te zijn. 

Sedert de laatste jaren heeft men uit het genoemde, op ornithologisch gebied 
slechts weinig bekende rijk vele voorwerpen naar Engeland overgebragt, en het 
is dan ook hieraan te danken, dat de Fazantsoort nu reeds zoo algemeen en 
verre van kostbaar geworden is. 

In de groote grasvlakten van Japan komt deze Fazant zeer talrijk voor; 
vooral in den omtrek van Yokohama en Nagasaki, waar hij door de inwoners 
Kid-ji wordt genoemd, wordt hij menigvuldig gevangen en aan ondernemende 
zeelieden verkocht. Het grootste gedeelte der verzonden vogels sterft echter gedu- 
rende de reis , daar zij zich gewoonlijk doodvechten. Zelfs de reeds gepaarde 
voorwerpen, en ook de Hennen onderling, vechten zoo hardnekkig, dat zij maar 
zeer zelden onbeschadigd naar Europa overkomen, terwijl de meesten bij hunne 
aankomst gedeeltelijk kaalgeplukt of gewond zijn. Ieder fazantkweeker zal dan 
ook dezen hun eigen strijdlust hebben opgemerkt, en daarom zorg dragen, dat 
deze vogels zich in eene zoo groot mogelijke ruimte kunnen bewegen , opdat zij 
de aanvallen hunner strijdlustige makkers beter zouden kunnen ontwijken. 

De Haan is zeer kennelijk aan zijn fraai vederkleed en zeer langen staart. 
Bij de Hen is de kleurteekening nagenoeg als die der meeste Hennen van andere 
soorten; zij onderscheidt zich echter van alle door de lichtroode tint over het 
geheele gevederte. De jongen zijn in hun donskleed geel met bruine bovendeden. 



De eijeren variëren van eene lichtgele schaal met roestroode stipjes tot eene 
graauwwitte grondkleur met groote, donkere, ongelijke vlekken. 

Eene variëteit, met een minder helder rood en met wit gezoomd gevederte, 
bewoont dezelfde streken. Zij onderscheidt zich vooral door de witte zoomen aan 
de schouder-, stuit- en zijdeveêren. Het wijfje dezer variëteit vertoont in haar 
vederkleed geenerlei afwijking van den type. De wetenschappelijke naam van dit 
ras is Ph. soemmeringi , var. scantillans. 

Ten opzigte van voeding en verdere behandeling der hier afgebeelde soort 
geldt hetzelfde, dat reeds bij de vroeger beschreven soorten is opgegeven. 




g-l 



\ 






^ 








LADY AMHEKST'S FAZANT 

THAUMALEA AMHERSTI. 



Zoolang natuurkundige reizigers geen nieuwere en fraaijere Fazantensoort 
ontdekken, blijft zonder twijfel de hier afgebeelde vogel de schoonste en sierlijkste 
van al de bij ons ingevoerde Hoenders. Lang was deze vogel het «ideaal" der 
verzamelaars en vogelhouders; slechts weinig individuen dezer soort waren er 
levend gezien, en alleen in collectiën van opgezette dieren vond men er een of 
hoogstens twee. Niemand kon dan ook verwachten, dat eenmaal deze zoo prachtige 
vogel niet alleen een zeer algemeene tuinfazant, maar ook de stamvader van tot 
in het oneindige variërende rassen zou worden. 

Alvorens echter tot de beschrijving dier verschillende rassen of soorten, of 
nog juister, dier «vruchtbare bastaards", over te gaan, willen we eerst den vogel 
zelven beschouwen. Hij is namelijk, even als de meeste overige bij ons bekende 
Fazanten, een Aziaat. Zijn woongebied is China, waar hij in de grasvelden bij 
troepjes wordt aangetroffen. Dat hij in zijn vaderland vrij algemeen is, blijkt uit 
de menigte afbeeldingen van dezen vogel, welke men op Chinesche lakvverken en 
schermen en in de tempels geschilderd ziet. Daar echter dit zijn vaderland lang 
voor Europeanen gesloten is gebleven en de exploratie van dat groote »Hemelsche 
rijk" door de bijgeloovige inwoners steeds en op alle mogelijke wijzen werd 
belemmerd en verhinderd, zoo verwondert het ons geenszins, dat de meeste 
Fazanten eerst sedert de laatste 25 jaren door Europeanen ontdekt en verzonden 
zijn. Sedert eenige jaren zijn er zeer kennelijke en prachtige soorten, welke aan 
de wetenschap geheel onbekend waren, uit haar ontoegankelijk vaderland naar 
verschillende musea overgebragt. Nog slechts eenige maanden geleden ontdekte 
mr. Swinhoe, Engelsch consul in Formosa, eene geheel nieuwe, wit- en bruin- 
bonte soort (Ph. Elliotti) i, welke echter in Europa nog niet levend is gezien en 
alleen uit twee opgezette voorwerpen bekend is. 



Eersi in 1869 is de Amherst-Fazant meer algemeen bekend geworden, 
en wel door de tusschenkomst van een in Engeland zeer bekenden fazantenkweeker, 
mr. J. J. Stone. Er waren er vroeger levend gezien, doch deze stierven spoedig na 
hunne aankomst en lieten geene nakomelingen achter. De in 1869 ingevoerde 
voorwerpen echter zijn — dank zij eener zorgvuldige en kundige kweeking, 
wel aangelegde broeiplaatsen en een goeden, belommerden grond — in 't leven 
gebleven en hebben de aan deze onderneming ten otter gebragte moeite en 
kosten met de meest onverwachte resultaten beloond. Al spoedig verkreeg men 
jongen, welke met nieuw ingevoerde voorwerpen werden gepaard, en zoodoende 
zijn deze tot op heden voortgeteeld, zoodat nagenoeg al de thans bij kweekers 
bestaande Amherst-Fazanten afstammelingen der door mr. J. J. Stone ingevoerde 
voorwerpen zijn. Eene zeer opmerkenswaardige bijzonderheid, ja, een feit van 
genoegzame belangrijkheid om het tegenwoordige algemeen aangenomen systeem 
van soortbepaling geheel en al omver te werpen, is, dat de Amherst-Fazant 
gereedelijk met den Goudlaken-Fazant paart, en dat de uit deze vereeniging 
voortspruitende jongen weder onderling ol met eene der beide oudersoorten voort- 
telen. Door de laatstgenoemde combinatie verkrijgt men dus voor 3 / 4 Amherst en 
7 4 Goudlaken, of omgekeerd evenveel Goudlaken en Amherst. Het zonderlingste 
verschijnsel is nu, dat bij alle individuen de kleuren standvastig zijn en niet, 
zoo als gewoonlijk met kunstproductiën het geval is, graadsgewijze, van generatie 
lot generatie, weder tot den oorspronkelijken vader- of moedertype terugkeeren. 
Eene even belangrijke bijzonderheid is, dat al de jongen van dezelfde qualiteit 
volkomen gelijk gekleed zijn. Men bezit thans drie standvastige, in kleur en 
teekening zeer verschillende rassen, namelijk: 1°. de tusschenkleuren van beide 
ouders , 2°. voor 3 / 4 de kleuren van den Amherst en V 4 Goudlaken ; 3°. het omge- 
keerde van deze verhouding. Binnen eenige zomers zullen we nog weder twee 
verschillende rassen verkregen hebben, namelijk, die uit de 3 / 4 variëteiten met 
een van beide hoofdtypen of volbloed-vogels geteeld. 

Natuurlijk trekt een zoo belangrijk verschijnsel de bijzondere aandacht van 
alle natuurkundigen, terwijl de prachtige kleuren der verkregen rassen een even 
sterken indruk op ieder toeschouwer moeten maken. Het is dan ook niet te ver- 
wonderen, dat zulke nieuwe scheppingen algemeene aandacht en bewondering 
hebben opgewekt, en dat men in zoölogische tuinen, waar deze vogels zijn ten- 
toongesteld, steeds een aantal bewonderaars rondom hunne volières geschaard 



ziet. En inderdaad, hoe fraai deze vogels er uitzien, kan men zich gemakkelijk 
voorstellen: nemen we, b. v., den Goudlaken, die reeds een allerpraehtigste vogel 
is, en brengen we daarin den witten kraag en de lichtere kleuren van den 
Amherst, dan volgt er natuurlijk iets betooverends; want de kleuren der beide 
ouders zijn in de bastaards niet onregelmatig door elkaêr, maar afzonderlijk en 
geheel volgens de regelen van smaak en koloriet geschikt. 

De vier jongen, welke in den zoölogischen tuin te Londen uit een Amherst- 
Haan met Goudlaken-Hen geteeld zijn, zien er als volgt uit: de kuif glanzig 
rood, en nog langer dan die van beide ouders; halskraag als van den Amherst, 
doch de donkere, schitterend bronsgroene vederranden liggen als schubben over 
elkaêr en zijn breeder dan die van den Amherst; de oogrand en de naakte wangen 
zacht stroogeel; het overige gedeelte van den kop en de keel metaalblaauw met 
groenen, weerschijn; borst en verdere onderdeelen, even als van den Goudlaken, 
helder scharlakenrood met een gelen band langs den donkeren nek ; voorrug of 
mantel helder bronsgroen met bruin purperen glans; de rug tot aan de stuit 
oranjegeel; stuit oranje; de bovendekveêren van den staart zeer lang, heller 
oranje en zwart gemarmerd en donkerrood aan de punt; de twee langste mid- 
delste staartpennen gelijk die van den Amherst, doch een weinig donkerder 
gekleurd en iets langer dan die der ouders; vleugels en schouderveêren staal- 
blaauw, en de groote slagpennen bruinzwart. Dergelijke bastaarden werden echter 
reeds vroeger door den heer Vekemans, directeur van den zoölogischen tuin te 
Antwerpen, geteeld, en hij den jaarlijkschen verkoop, die in deze inrigting 
gehouden wordt, bragt in 1872 een mannelijk voorwerp de som van 875 francs op. 

De 3 / 4 Amherst-bastaards hebben lichtgrijze wangen met zwart en blaauw 
geschubde rug en stuitveêren en gedeeltelijk witte bovenslaartdekveêren; het 
rood aan de onderdeelen met wit geschakeerd, en de geheele kleurverdeeling 
gelijkt overigens dermate op den vadertype, dat zij alleen aan de roode buikveèren 
als bastaards te herkennen zijn. De bastaard-Hanen, tusschen beide ouders met de 
Goudlaken-Hen gepaard, brengen echter meer de kleur van den oorspronkelijken 
vadertype voort, dan die van den Goudlaken; want tot nog toe zijn de meeste 
bastaarden oorspronkelijk uit Goudlaken-Hennen geteeld. Men heeft echter dezen 
zomer (omstandigheden beletten mij, naam en woonplaats van den kweeker op te 
geven) jongen geteeld uit den Goudlaken-Haan en de bastaard-Hen, en ook van 
den eerstgenoemde met de 3 / 4 Amherst-Hen. Natuurlijk zullen deze jongen voor- 



eerst niet worden tentoongesteld, doch eerst in den eerstvolgenden zomer (altoos 
zoo ze in 't leven blijven) hunne intrede bij de fazanthouders doen. Of er ook 
bastaarden van Goudlaken-Hanen met Amherst-Hennen zijn geteeld, is mij niet 
met zekerheid bekend; kweekers houden, met het uitzigt op grootere winst en 
zekerder succes, dergelijke nieuwigheden meestal geheim; toch meen ik te mogen 
onderstellen, dat zeker groot heer in Engeland er reeds eenige in verzekerde 
bewaring houdt. 

Eenigen tijd geleden las ik eene korte verhandeling over deze vogels in het 
Engelsch weekblad »The Field", van de hand van den welbekenden fazantenkweeker, 
mr. Tegetmeier, die daarin o. a. de meening verkondigt, dat deze voor een 
oppervlakkig beschouwer zoo zeer verschillende vogels slechts klimaatsverschei- 
denheden zijn, op grond waarvan hij zonder de minste terughouding durft voor- 
spellen, dat de half Amherst- en half Goudlaken-bastaarden voor altijd standvastig 
zullen blijven, even als beide stamouders standvastige kenmerken bezitten en als 
zoodanig zullen blijven bestaan. Genoemde schrijver vraagt eenvoudig: welke toch 
wel de kenmerken eener soort, en welke die van een ras zijn? en hij bekent 
gulweg, dit zelf niet te kunnen verklaren. Hoe dit ook zij, het blijft een opmer- 
kelijk verschijnsel, dat zulke zoo zeer in kleuren verschillende vogels onderling 
paren en nieuwe, vroeger in de schepping ontbrekende wezens, schooner dan zij 
zelven, te voorschijn brengen. 

Deze vogels, even als de Amherst- en de Goudlaken-Fazant, behoeven ruime 
volières of een geheel vrij terrein, een droogen grond, veel zonnewarmte, doch 
daarbij ook behoorlijk lommer en laag groen, om daaronder gedurende het 
warmst gedeelte van den dag te kunnen schuilen. 




. 



PY.MT-, 3X 



V /'v .;f'///yr/iï,n 



DE BOSCHHAAN. 

GALLUS BANKIVA. 



Bijgaande afbeelding stelt den Haan in zijn oorspronkelijk vederkleed voor, 
en is naar een uit Java afkomstig exemplaar geteekend. Uit deze soort zijn 
hoogstwaarschijnlijk, meer dan uit de andere wilde Hoenders, onze zoo zeer 
verschillende tamme rassen voortgesproten; zooveel is althans zeker, dat zij zich 
het spoedigst aan de meest verschillende luchtstreken gewent, even spoedig tam 
wordt, en ook geheel de kenteekenende kleuren onzer Hoenders vertoont. Bij de 
meeste onzer standvastige rassen vinden we dan ook de kleuren van dezen Haan 
in gelijke verdeeling vertegenwoordigd of slechts eenigzins gewijzigd ; en bij alle 
bonte rassen, Kriel, Goudlaken, Hamburger, Kampvechters of zoogenaamd wilde 
Hoenders (Duckwings in 't Engelsch), komen, zoo al niet zijne geheele kleurteekening, 
dan toch zijne bruin- en goudgele nek- en stuitveêren, zijne donkere onderdeelen 
en staart en de glanzige schouder- en vleugelveêren voor. Ook de hooge, dunne, 
gehakkelde kam, witte oorstreek en dubbele lellen zijn aan de meeste onzer 
Hoenders, met geringe afwijkingen, eigen. 

Er bestaat nogtans, bij al die overeenstemming van kleuren, een zeer 
kenmerkend verschil tusschen den wilden of Boschhaan en de tamme Hanen ; bij 
den eerstgenoemde namelijk hangt de staart steeds naar omlaag, terwijl die bij 
de Huishoenders overeind staat. De Boschhaan is ook kleiner dan de meeste 
tamme Hoenders, en hij houdt zijn nachtverblijf steeds in de boomen. 

In den natuurstaat is de Boschhaan uitermate schuw en bevreesd voor den 
mensch; daarom ook toeft hij bij voorkeur in het digtst begroeide hout, onder 
de uitstekende takken van lage boomen, op een droogen, doch geheel met groen 
bedekten bodem, en zoekt hij nog liever het gezelschap van den tijger dan van 
den mensch op. Het bekende sprookje, dat de Boschhaan, even als de Paauw, 



den tijger zouden vergezellen en den mensen voor de aankomst van dit roofdier 
waarschuwen, is onjuist en berust slechts op eene verkeerde opvatting van de 
werkelijkheid. De mensch kan de verschillende gemoedstoestanden des vogels 
duidelijk uit diens geluid vernemen, en dus zich wachten voor een gevaar, dat 
hem door zoodanig geluid wordt aangekondigd; doch hieruit volgt nog geenszins, 
dat de Haan, van de belangrijkheid zijner aankondiging bewust, deze bepaaldelijk 
ten nutte van den mensch zou doen hooren. Dat echter in Indië , zoowel als in de 
Oost-Indische eilanden, deze Hanen zich zeer digt bij den tijger of den luipaard 
wagen, is herhaaldelijk door jagers gezien; doch dat hij, bij het ontmoeten van 
zulke gevaarlijke gasten, een luid gekakel aanheft, behoeft toch waarlijk niet als iets 
bijzonders te worden aangemerkt; veeleer zou men dit verbazend kunnen noemen, 
dat een vogel, die zoo gebrekkig vliegt, den grootsten vijand aller dieren in de 
wildernis durft naderen. 

De tweede wilde Hoendersoort, uit dezelfde oorden afkomstjg, is de Gallus 
furcatus. Deze wordt nimmer tam, en zijne kleuren komen onder tamme Hoen- 
ders nimmer regelmatig of duidelijk voor. Hij heeft namelijk de onderdeelen 
geheel glimmend blaauwzwart, nek en lange stuitveêren donker purper met 
groenen metaalglans, de schouders goudgeel en den kam zeer hoog, afgerond 
en, even als de enkele, zeer verlengde keellel, met eene groote verscheidenheid 
van in elkander vloeijende kleuren versierd (rood en blaauw-purper, blaauw en 
geel, welke laatste kleuren weder het effect van groen vertoonen). Deze soort 
houdt zich gewoonlijk ook op een met laag hout begroeiden bodem op, doch 
bezoekt, meer dan de vorige soort, open velden en zandvlakten. Eene derde soort, 
uit Achter-Indië, is G. Sonneratü, met een geel en purper vederkleed. Deze 
Haan heelt nek en stuitveêren zeer verlengd, hard en glanzig, als stukjes geknipt 
stroo. Hij wordt zelden in gevangenschap aangetroffen; doch wij vinden onder onze 
tamme Hoenders rassen, welker kleurverdeeling nagenoeg met die van G. Sonne- 
ratü overeenstemt, en hoogstwaarschijnlijk heelt ook deze soort haar aandeel in 
het voortbrengen onzer tamme Hoenders; althans zijn hare kleuren, ofschoon 
gewijzigd, in de Dorking, Zilverbonte en Zilverpels en in nog andere vreemde 
rassen vertegenwoordigd. Gallus Lafayetti, mede uit Indië, heeft de bovendeden 
geheel oranjebruin en wordt door vele ornithologen voor eene variëteit van de 
gewone wilde soort gehouden. 

De Boschhaan is in zijn natuurstaat door vijf a zeven Hennen vergezeld, 



die afwisselend, op ongeregelde tijden, eijeren leggen. De kleur der Hennen is 
graauw of roestbruin, met bijna onzigtbare, marmerachtige streepjes op elke 
veder van de onderdeden, den rug en de vleugels; haar nek is donkerbruin en 
elke veder heeft een lichtgelen rand. 

De eijeren, door de wilde Hennen gelegd, zijn kleiner en donkerder van kleur, 
dan die onzer Goud- of Zilverpels- of, in het algemeen, onzer tamme Hoenders. 
De broeitijd duurt 19 a 21 dagen. 

Men heeft kort geleden waargenomen, dat de eijeren dezer soort (even als, 
hoogstwaarschijnlijk, alle vogeleijeren) zeer lang onbebroeid kunnen blijven, 
zonder dat dit aan de ontwikkelende kiem eenig nadeel veroorzaakt Een Indisch 
planter merkte op, dat de Hen precies 480 uren broeit, ook al verlaat zij hare 
eijeren soms een geheelen dag; zij haalt dan namelijk later den verzuimden tijd 
door langer zitten weer in; zoo, b. v., zal zij, wanneer zij dagelijks één uur 
haar nest alleen heelt gelalen, behalve de twintig dagen, nog twintig uren zitten, 
en zoodoende duurt de broeitijd dan 21 dagen; verlaat zij hare eijeren langer, 
dan wordt ook het aantal dagen verlengd. Men heelt ook waargenomen, dat 
hoendereijeren reeds na eenige dagen broeijens wel 15 uren aan weder, wind en 
regen kunnen worden blootgesteld, zonder dat daardoor de kiem gedood wordt; 
vele hoenderkweekers zijn dan ook van meening, dat afwisseling van temperatuur 
zelts voor het uilbroeijen nuttig is en de ontwikkeling der vrucht bespoedigt en 
bevordert. Inderdaad schijnt deze meening gegrond te zijn ; althans pleit daarvoor 
het feit, dat uit de kunstmatig in incubators uitgebroeide eijeren, welke onafge- 
broken aan dezelfde warmte zijn blootgesteld, niets dan ziekelijke, kleine vogels 
te voorschijn komen. Buitendien liggen de eijeren in zulke toestellen te droog, 
en hebben zij daar, in plaats van de natuurlijke uitwasemende warmte der 
moeder-Hen, alleen eene droogende hitte. 

De Boschhoenders kunnen binnen korten tijd geheel tam gemaakt worden, 
zonder echter gelijktijdig de kenmerkende kleuren der wilde soort te verliezen; 
men krijgt dit gedaan door de eijeren onder reeds tamme Hennen te leggen, en 
de kuikens met die van andere rassen te zamen te houden. Daarbij doet zich 
echter het merkwaardig verschijnsel op, dat reeds bij de tweede generatie de 
staart van ligging verandert en eene overeindstaande houding aanneemt. Wat 
daarvan de oorzaak is, weet men niet; het is dan ook een uiterst moeijelijk 
verklaarbaar feit. Langzamerhand, bij de derde, vierde of eene latere generatie, 



verdwijnt ook het rood van de wangen, welke meer bevederd en lichter worden, 
terwijl de kam en keellellen niet zelden allerlei afwijkende vormen aannemen. De 
kleurteekening echter blijft meestal onveranderd. 

Onze Goudpels-Krielen, die in kleur van vederen en vorm van kam en lellen 
de wilde of Boschhoenders zeer nabijkomen, blijven niettemin een zeer kennelijk 
standvastig ras; het schijnt dan ook, dat zij alleen in grootte zijn gedegradeerd, 
terwijl bij andere rassen, die dezelfde kleuren hebben behouden, doch in grootte 
zijn toegenomen , juist de kammen het meest in vorm veranderd , zoo niet 
ontaard zijn. Onder dezen vinden wij de Goudlaken-Hoenders, waarvan de Hanen 
uiterst breede , zoogenaamd dubbele kammen hebben ; de Kampvechters of Duck- 
wings met zeer kleine kammen, en eindelijk onze zoogenaamde «Gladkoppen" of 
kamlooze: een ras, waarin het natuurlijk hoofdsieraad geheel ontbreekt. Een 
ander ras, of liever, eene andere kunstproductie is het staartlooze of Patrijshoen; 
meestal 'vertoonen de daartoe behoorende Hanen een gevederte, dat aan de straks 
genoemde rassen herinnert; doch, voor zooverre bekend is, houden de kentee- 
kenen van dit ras (even als bij geverwde Hoenders) reeds bij de volgende gene- 
ratie op. 

De wilde of Boschhoenders worden nu en dan uit Indië aangevoerd en hier 
te lande onder den naam van Oost-Indische Hoenders (in Engeland onder dien 
van Jungle fowls) tegen 8 a 10 gulden het paar verkocht. In de zeesteden, 
zooals Botterdam en Amsterdam , ziet men de Hanen dikwijls onder het tamme 
gevogelte bij poeliers en handelaars ; meestal echter brengen de zeelieden alleen 
de Hanen over, zoodat het soms zeer moeijelijk valt, een paar te koopen. 




1 G K.i iilemahs ad nat. 



P W.M. Trap exc 



f AYVWW/ 



DE ROEEDOMP. 

ARDEA STELLARIS. 



Door geheel Europa en Azië, op de noordelijkste gedeelten na, alsmede in 
Afrika tot aan de Kaap de Goede Hoop verspreid, is de Roerdomp — ook Butoor, 
Pitoor, Putoor, Domphoorn en Reidomp genaamd — ook in ons vaderland niet 
zeldzaam; men kent hier echter meer zijn diep, ver klinkend geluid, dan zijn zon- 
derlinge gedaante, die, vooral wanneer de vogel in rust verkeert, niet ligt zou 
doen gissen, dat hij tot het geslacht der Reigers behoort. 

In zijn gewoonten heeft de Roerdomp iets bijzonders, iets geheimzinnigs. 
Zelden laat hij zich dan ook overdag zien, tenzij hij plotselings opgejaagd worde 
uit zijn schuilplaats, waarin hij den geheelen dag vertoeft, en welke hij eerst 
tegen schemeravond verlaat. Moerassige, met riet bewassen streken zoekt hij bij 
voorkeur op, vooral wanneer de met riet bedekte ruimte uitgebreid en moeijelijk 
toegankelijk is, zoodat hij het vooruitzigt heeft, daar den geheelen dag ongestoord 
te kunnen blijven. Uit eigen beweging trouwens vliegt hij bij dag nooit rond , 
en, zoo hij dit al moet doen, dan met iets zwaars en moeijelijks in zijn bewe- 
gingen, gelijk een Uil in zonneschijn; en al spoedig keert hij dan terug naar het 
digtst bewassen riet, waar men hem niet ligt meer ontdekken zal. Zendt men een 
hond op hem af, dan klautert hij in het hooge riet tot boven de oppervlakte 
van moeras of water, in de troostrijke meening, dat hij daar voor alle vervol- 
ging veilig is. Evenwel schijnt de Roerdomp den dag niet met slapen door te 
brengen; in elk geval is zijn slaap zeer ligt; althans van tijd tot tijd kan men, 
ook bij dag, zijn geroep vernemen, of aan het geritsel van het rietgewas opmer- 
ken, dat de vogel zich daar beweegt. Zoodra echter de zon is ondergegaan, komt 
er meer leven in den vogel, en gaat hij er op uit om zijn voedsel te zoeken. 
Zijn manier van zitten daar te midden van het riet is zeer eigenaardig, en meer 



dan eens heb ik er zoo een zien zitten, dien ik aanvankelijk voor een knoest van* 
een boom of voor een bosje gedroogde waterplanten hield. Soms houdt hij zijn 
vederen geheel binnenwaarts getrokken; en als hij dan daar zoo zit, met den 
kop vlak omhoog, dan kan men niet ligt gelooven, dat het een levende vogel is. 
Maar niet altoos ziet hij er zoo bijzonder schraal en als een staak uit; zit hij 
maar eerst rustig en gemakkelijk, dan slaat hij dikwijls de veeren uit, en, hoe- 
wel zijn hals gebogen is, zooals de meeste Reigers dien houden, zoo bedekt toch 
het zwaar gevederte op den hals die buiging, zoodat hij er dan als een korte, 
dikhalzige vogel uitziet. Steekt hij echter eensklaps zijn hals omhoog, dan schiet 
deze als uit een scheede te voorschijn, en men staat er werkelijk verbaasd over, 
hoe hij zoo plotselings zulk een lengte kan vertoonen. 

Wanneer de Roerdomp aangeschoten of gewond is, is het nog lang geen 
gemakkelijke taak, hem meester te worden; want hij stelt zich dan nog met de 
meeste verwoedheid te weer, werpt zich op den rug en weet zich van snavel 
en klaauwen als van geduchte wapenen te bedienen; zelfs heb ik eens een hond, 
die op zulk een gewonden vogel moest aanvallen, zeer slecht van de reis zien 
komen. 

Bij het vliegen beweegt hij zich zacht en zonder gerucht te maken, gelijk een 
groote Uil; hij houdt dan den hals ingetrokken, zoodat hij er zeer klein uitziet, 
en de pooten achter den staart uitgestrekt. Zijn vlugt is loom; de bewegingen 
zijner vleugels zijn zacht en afgemeten; alleen wanneer hij plotselings uit zijn 
schuilplaats opgejaagd wordt, rept hij zich tamelijk vlug omhoog, om echter al 
spoedig weer neer te strijken en zich in het riet te verbergen. Bij het loopen 
beweegt hij zich zeer rustig en bedaard, met afgemeten schreden, alsof elke 
stap vooraf zorgvuldig berekend en overwogen ware; hij schijnt dan ook nimmer 
te draven. Zijn lange teenen zijn uitmuntend geschikt om door het slijk te loopen 
en door het digte rietgewas te klauteren; vandaar dat hij op plaatsen, waar 
groote partijen ondiep, met rietgewas en planten begroeid water gevonden wor- 
den, aanzienlijke afstanden kan afleggen, zonder tot de oppervlakte van het water 
neer te dalen. 

Daar hij niet zeer lang van pooten is, kan hij slechts zeer ondiep water door- 
waden; want slechts zelden dompelt hij eenig deel van den tibia onder water. 

Wat zijn geaardheid betreft, is hij ongezellig en achterdochtig jegens alle 
vogels in zijn nabuurschap , zijn eigen soortgenooten niet uitgezonderd. Men vindt 



dan ook schaars meer dan één paar bijeen, tenzij op uitgestrekte vijvers of moe- 
rassen, waar overvloedig ruimte is om eenige paren te kunnen herbergen, zonder 
dat het eene het andere in den weg komt. 

Het gewone roepgeluid van den Roerdomp is een schelklinkend gekras, dat 
vrij wel naar dat van den Nacht-Reiger gelijkt en des nachts op geruimen afstand 
kan gehoord worden. Voorzoover ik het heb kunnen nagaan, schijnt hij dit geluid 
alleen onder het vliegen te laten hooren. De meest bekende kreet of loktoon 
van dezen vogel is echter het eigenaardig zwaar geluid van het mannetje gedu- 
rende den paartijd. Dit geluid zal ongetwijfeld in de ooren van het wijfje even 
zacht en zoet klinken, als het gekir van den Doffer in de ooren der Duif; 
alevenwel heeft het, althans voorzoover ik het kan beoordeelen, niets muzikaals of 
streelends, en zeker, als men zoo, 's avonds in den donker langs een moeras passe- 
rende, op eenigen afstand dien kreet van den Roerdomp verneemt, dan klinkt 
dat al heel naar in de ooren, en dan kan men zich best begrijpen, dat een min 
ontwikkeld landman, dien diepen toon van den Roerdomp hoorende, er op wil 
zweren, dat in dat moeras een huilende duivel of spook rondwaart. Ik heb dit 
zware geluid van den Roerdomp nooit van nabij gehoord; trouwens is het uiterst 
moeijelijk, tot op een niet al te verren afstand te naderen, zonder dat de vogel 
terstond zijn akelig geluid staakt. Het bestaat uit twee syllaben, waarvan het 
eerste kort, het andere langer en scheller is, en gelijkt vrij wel naar het gebulk 
van den stier, op eenigen afstand gehoord, doch klinkt zoo hard, dat men niet 
begrijpen kan hoe een vogel in staat is, dat voort te brengen. In de vroege 
lente, gedurende den paartijd, kan men het des nachts gestadig hooren; zoodra 
echter de jongen uitgebroeid zijn, houdt het van lieverlede op. 

De Roerdomp voedt zich met vischjes, watertorren, wormen, kleine schaal- 
dieren, kikvorschen, veldmuizen en dergelijke kleine zoogdieren. Visch schijnt 
echter zijn lievelingsgeregt te zijn ; althans wordt deze meer dan eenig ander 
voedsel in zijn maag gevonden. 

Voor den nestbouw zoekt hij een plaats op, die zoo min mogelijk door 
menschen bezocht wordt, en waar hij dus zooveel mogelijk ongestoord kan 
blijven. Heeft een paar eenmaal op zulk een plaats rustig en ongestoord genesteld f 
dan zal het in den regel de volgende lente op diezelfde plek weer zijn tente 
komen opslaan. In een digt rietbosch, te midden van een bijna ontoegankelijk 
moeras, nestelt hij dan ook, als wel van zelf spreekt, bij voorkeur. Op plaatsen 



echter, waar de Roerdomp nog al menigvuldig voorkomt, nestelt hij ook vaak 
in de met riet bezette gedeelten van afgesloten vijvers. 

Het nest zelf is vrij slordig gebouwd, kleiner of grooter al naar de beschik- 
bare ruimte. Gewoonlijk is het niet veel meer dan een opeenstapeling van bladeren 
van gedroogde waterplanten en riethalmen, juist even geschikt om als bed voor 
de eijeren te kunnen dienen. Meestal ligt het te midden van platgetrapte riet of 
waterplanten, soms ook op een klomp of kluit, die daar als een eilandje uit het 
water uitsteekt, maar schier altoos onder het digtste rietgewas verscholen. 

De eijeren — een broeisel heeft er 3 a 4, zelden 5 — zijn uniform bruin- 
achtig olijf kleurig; zoolang zij versch zijn, hebben zij een meer naar het olijfgroen 
zweemende tint, die echter van lieverlede meer en meer naar het bruine trekt. 



DE ZWAKTNEK-ZWAAN. 

CYGNUS NÏGRICOLLIS. 



De Zwartnek-Zwaan is eerst in het begin dezer eeuw in Europa aangebragt , 
en nog heden een zeldzame, hooggeprezen vogel. In tammen staat wordt zij 
echter slechts hier en daar aangetroffen; de meeste diergaarden bezitten een paar, 
en slechts enkele meer dan twee of drie paren, terwijl de vogellief hebbers over 
het algemeen, althans naar het schijnt, liever hun geld aan Fazanten besteden, 
dan aan zulke kostbare Zwanen, zoodat er onder hen maar weinigen zijn, die er 
Zwartnek-Zwanen op nahouden of laten voorttelen. Doch niet alleen door den 
hoogen prijs, dien men voor deze vogels vraagt, worden vele vogelliefhebbers 
van den aankoop teruggehouden, maar ook door de onkosten voor het aanleggen 
van vijvers, die tot. het kweeken van zulke vogels noodzakelijk zijn; want, even als 
de meeste overige groote watervogels, hebben de Zwartnek-Zwanen eene stille 
ruimte, veel water en een digtbegroeiden oever noodig; anders broeijen zij niet. 

Het vaderland dezer fraaije vogels is het Zuiden van Zuid-Amerika , hoofd- 
zakelijk Chili, waar zij zich in het digte groen langs de oevers der rivieren en 
in kleine, afgelegen vertakkingen dier stroomen ophouden. 

Er bestaat bij dezen vogel geen uiterlijk verschil in het vederkleed van beide 
seksen; gedurende den broeitijd echter is bij het mannetje de verhevenheid of 
washuid van den bovensnavel meer ontwikkeld; na dien tijd zijn de seksen alleen 
aan het zeer geringe verschil in grootte te herkennen, daar het wijfje steeds iets 
kleiner is. De pasgeboren jongen zijn grijsachtig wit, met zwarte bekjes en grijze 
pootjes; na eenige weken komen de zwarte nekveêren bij hen te voorschijn, 
welke in den beginne echter slechts hier en daar zigtbaar zijn en eerst langza- 
merhand den geheelen nek bekleeden; binnen drie a vijf maanden krijgen zij 
hun volkomen gevederte, en reeds in het tweede levensjaar, namelijk op 



een leeftijd van twaalf of dertien maanden, zijn zij tot voortteling geschikt. 

Elk broeisel bevat 4 of 5 eijeren, en de broeitijd duurt 34 a 36 dagen. 
Meestal broeijen deze vogels tweemaal, zoodat men jaarlijks van één paar onge- 
veer een tiental jongen verkrijgen kan. De eijeren zijn tamelijk groot en lang, 
licht grijs- en groenachtig van tint, iets lichter dan eendeneijeren , doch zij 
variëren dikwijls in kleur, zoodat men ook nagenoeg witte eijeren aantreft. 

De eerste Zwartnek-Zwanen, welke levend in Europa aankwamen, waren 
omstreeks 1848 door admiraal Hornby aan den Earl of Derby gezonden. Deze 
bezending bestond uit acht voorwerpen, waarvan een paar aan de koningin van 
Engeland ten geschenke werd aangeboden, terwijl voor den zoölogischen tuin te 
Londen twee paar werden aangekocht. Geen dezer paren wilde aanvankelijk 
broeijen; doch in 4856 bemerkte men, dat een der twee in den zoölogischen 
tuin aanwezige paren aan den oever van den grooten vijver een nest had ge- 
maakt; het was toen reeds laat in het seizoen, hetgeen waarschijnlijk de reden 
was, waarom er geene eijeren gelegd werden. Nu echter de vogels eenmaal nei- 
ging tot broeijen aan den dag gelegd hadden, werd natuurlijk alles aangewend, 
om tegen den volgenden zomer eene geschikte broeiplaats voor hen gereed te 
maken. Dit bekroonde de verwachting ten volle; want reeds vroeg in 1857 
bouwden zij weder een nest, waarin kort daarna vier eijeren werden ontdekt. ïn 
het begin van Julij zwommen er vier jongen nevens hunne ouders door den 
vijver; zij waren frisch en gezond, en plasten in het water, dat het een lust was 
om te zien. Zonder eenige moeijelijkheid groeiden zij in vier maanden tot 
volwassen Zwanen op, en konden naauwelijks van hunne ouders onderscheiden 
worden; doch, zoo als men later bemerkte, het waren allen mannetjes. Den vol- 
genden zomer broeide het ouderpaar weder even gereedelijk, en bragt nogmaals 
vier jongen groot, welke ditmaal, toevallig genoeg, alle vier wijfjes waren. 

Een welbekend vogelliefhebber te Rotterdam heeft later in één zomer twee 
broeisels verkregen, hetgeen bewijst, dat de Zwartnek-Zwanen nu geregeld voort- 
telen en als geacclimatiseerd kunnen beschouwd worden. 

Men voêre deze vogels even als alle andere Zwanen, en houde ze bij ge- 
strenge koude in hunne hokken, doch nimmer in kunstmatig verwarmde localen. 




-V 










DE SLOBEEND. 

ANAS CLYPEATA. 



De Slobeend wordt, wegens haar breeden en verlengden snavel, in de weten- 
schap als eene afzonderlijke groep, Spatula, beschouwd. Zij bewoont nagenoeg 
den geheelen aardbol en mag dan ook onder de vogelen een volmaakt wereldbur- 
ger genoemd worden. Het menigvuldigst echter komt zij in het Noorden van 
Europa en Azië voor; de meer zuidelijke landen bezoekt zij slechts op den trek. 
Op Nieuw-Zeeland leeft eene verwante soort, Spatula variegata, die een nog 
grooteren snavel en een grijzer vederkleed heeft. 

Onze Slobeend broeit in de gematigde streken en in het Noorden van Amerika, 
Europa, Azië en Australië. In de meren en langs de stille rivieren van ons vader- 
land kan men haar gedurende alle jaargetijden aantreffen. In het najaar trekken 
hier vele voorwerpen voorbij, die meer noordelijk gebroeid hebben, en het 
schijnt dat de meeslen dergenen, die hier den zomer doorbragten, bij strenge 
koude naar warmere streken verhuizen. In Spanje komen er gedurende de winter- 
maanden velen over, die tegen het voorjaar weder vandaar wegtrekken. In het 
Noorden van Afrika wordt zij van September tot Januarij aangetroffen, en in 
Amerika trekt zij omstreeks dezelfde maanden zuidelijk tot Guatemala. 

Zoo als met bijna alle soorten het geval is , heeft ook de Slobeend een veder- 
kleed, dat naar gelang van het seizoen zeer verschilt en in den zomer, namelijk 
kort na den broeitijd, dat der wijfjes nabijkomt. Het prachlkleed wordt bij de 
mannelijke Eenden (de Waarden) reeds afgeworpen omstreeks den tijd, waarop 
de meeste andere vogels dit naauwelijks hebben verkregen. Het schoone gevederte 
versiert hen alleen in het vroege voorjaar. Zoodra de Eend op hare eijeren zit, 
begint bij den Waard de kleur der veeren langzamerhand te veranderen, of liever, 
nieuwe, fletser gekleurde veeren vervangen de oude, welke ook, zoolang zij aan 



het ligchaam blijven, verbleeken, dof en flets worden. Omstreeks Augustus zijn 
de seksen nagenoeg gelijk van kleuren, ofschoon toch de mannetjes, door hunne 
donkere, glanzige vleugelpennen en goudgele oogen, duidelijk van de wijfjes te 
onderscheiden zijn. De wijfjes dragen, even als die der meeste Eendensoorten, 
een vaal-lichtbruin, donker gestreept gevederte, hebben minder helder roode poo- 
ten, een blaauwachtig olijfgroenen bek en bruine oogen. Gedurende den paartijd 
heeft het mannetje een zwarten bek; later, als zijne vederen verkleuren, is deze 
grijs. De jongen in hun donskleed komen met jonge tamme of wilde Eenden, of 
eigenlijk met de jongen der meeste overige Eendensoorten overeen, doch zijn 
witter van dons en hebben vleeschkleurige pootjes en kleine bekjes. Deze laatste 
hoedanigheid is wel opmerkelijk, daar de oude voorwerpen zulke bijzonder groote 
snavels bezitten. De bek groeit dan ook evenredig met de overige ligchaamsdeelen 
des vogels, doch is gedurende het eerste levensjaar nog zeer week en veel min- 
der breed dan die der oudere voorwerpen. 

De Slobeend bouwt haar nest in het gras langs het water of tusschen het 
riet aan den waterkant; soms vindt men het in heidevelden, doch dan is er 
zeker water in de nabijheid, daar deze Eendsoort in elk jaargetijde geheel drooge 
streken vermijdt. Wat neèrgetrapt gras of biezen, afgebroken stengels of eene 
oneffenheid in het grasveld dienen tot fundatie van het nest, waarin dan het 
dons, dat het wijfje zich uit het ligchaam rukt, wordt gelegd. De 11 of 12 eijeren 
zijn vuilwit, meestal met eene groenachtig grijze tint en ter grootte van een 
hoenderei. 

Langs de meren onzer kustprovinciën broeit de Slobeend vrij menigvuldig. 
Wel is het te vreezen, dat zij langzamerhand, ten gevolge van het uitmalen dier 
wateren, even als de meeste daar t'huis behoorende vogels, naar andere streken 
zal verhuizen; doch, daar zij ook langs kanalen, slooten en kleine moerassen 
nestelt, blijft ons toch nog eenige kans om deze fraaije Eend te behouden. In 
Engeland broeit zij ook vrij talrijk; doch in Scandinavië en Rusland, even als in 
Azië en een groot gedeelte van Engelsch-Indië, schijnt zij haar eigenlijk vader- 
land te hebben. In Engeland vindt men haar gedurende alle jaargetijden, en zij 
is daar zeer gezocht, zoowel door den vogellief hebber, als door den jager. Vele 
vogelliefhebbers laten hare eijeren opsporen en leggen ze dan onder tamme 
Eenden, om zoodoende getemde Slobeenden voor hunne vijvers te verkrijgen. 
Dezen zomer werd een paar wilde Slobeenden van niet minder dan 34 (tweemaal 



44 en daarna nog eens 12) eijeren beroofd, welke alle door eene gewone Eend 
werden uitgebroeid, en waarvan nu de jongen, op twee of drie na, in een groo- 
ten vijver zwemmen. Natuurlijk worden dergelijke halftamme voorwerpen, zoodra 
zij veeren en pennen krijgen, geleêwiekt (dat is, hun de vier eerste groote pen- 
pen van een of beide vleugels afgeknipt). 

De Engelsche wildhandelaars en gastronomen geven aan Hollandsche Slob- 
eenden boven allen de voorkeur. Vroeger werden er uit Zuid- en Noord-Holland 
vele aan de Leadenhall market te Londen aangebragt, doch, naar ik aldaar onlangs 
vernam, wordt, de bezending dezer Eenden telken jare minder, en laat men ze 
nu uit Zweden aanvoeren, die echter onder den naam van Dutch Scovelers wor- 
den verkocht. Het vleesch van eenjarige jongen overtreft dan ook dat van alle 
andere Eenden; en ofschoon de Slobeend, wat het gewigt betreft, voor vele 
andere soorten moet onderdoen, behaalt zij, zelfs op onze markten, een even 
hoogen prijs. De jagers noemen ze eenvoudig Slobbers en verkoopen ze meestal 
geplukt, misschien wel opdat zij door de zachte en heldere vleeschkleurige tint 
van haar huid er smakelijker zouden uitzien. 

In den vijver is de Slobeend mede een zeer fraaije vogel. Al heeft de Waard 
een wat grooten kop (waarom hij door sommigen met den bijnaam «duikelaar" 
wordt bestempeld), het blijft niettemin een fraai gekleurde vogel, die reeds te 
herkennen is op een afstand, waarop andere Eenden er allen eveneens uitzien. 
Zijne witte borst doet hem bijzonder uitkomen; en als hij zich in het water 
opheft en de vleugels droog schudt, dan vooral vertoonen zich al zijne kleuren 
in hare volle pracht. 

De Slobeend duikt nimmer, doch zoekt haar voedsel, dat uit planten en 
kleine weekdieren bestaat, langs den waterkant. Visch eet zij alleen als de nood 
haar dwingt, doch vischkuit en landslakken, namelijk die zonder huisje, zijn 
voor haar eene lekkernij. 

Voor een paar levende voorwerpen wordt van 3 tot 8 gulden, voor in het 
najaar en in den winter geschotene 75 a 90 cents per stuk betaald. Op de Lon- 
densche markt brengen zij nooit minder dan 3 shillings op , en omstreeks Kers- 
mis zelden beneden de 5 shillings per stuk. 



. 



-1C3 




S 
N 



V) 






.^J 



vV 



DE KKAKEEND. 

ANAS STREPERA. 



Deze Eendensoort is bij onze poeliers, bijzonder in Amsterdam, bekend onder 
den naam van Krust of Halve eendvogel en in Groningen als de Roepereend. 

Zij komt in de meeste gematigde en koude streken van het geheele Noorde- 
lijk halfrond voor; zoowel in het koude Noord-Amerika als op IJsland, zelden in 
Scandinavië , menigvuldig in Silezië waar zij veelal broeit , spaarzamer in Duitsch- 
land en bij ons. De voorwerpen die bij ons den zomer doorbrengen verhuizen 
in October en keeren in Maart terug ; doch bij open water en zacht weder brengen 
zij ook menigmalen den winter in ons vaderland door. 

De Krakeend houdt zich voornamelijk op aan meren, plassen, moerassen en 
rivieren , mits er veel riet groeit. Zij voedt zich daar hoofdzakelijk met plant- 
aardig voedsel , bladen, bladknoppen, plantenwortels en waterplanten, welke laatsten 
zij tot zich neemt, in het water gedoken, de staart regtstandig in de hoogte; in 
welke houding zij met het beste gevolg geschoten kan worden. Behalve planten 
eet de Krakeend ook allerlei waterinsecten, zoetwaterslakken, kikvorschjes en het 
jonge broed van dezen, evenals kleine vischjes. In het najaar, wanneer de zaden 
der waterplanten tot rijpheid komen, bestaat daarin haar hoofdvoedsel. 

In de nabijheid van den oever of ook in het weiland, bouwt zij haar nest 
van drooge bladen in eenige uitholling van den grond en bekleedt dit met eenige 
zachte pluimen en dons. 

De eijeren, die van 7 tot 9 stuks in het nest gevonden worden zijn ligt 
roomkleurig, soms groenachtig van tint. 

In gevangenschap voedt men ze met gerst, brood, gehakte koolbladen, 
knollen en aardappelen. 




! [{j lüemans.acl \ut 



>'ï« Trsp, 



^ At/U? 6CUWZ- ry//rY . 



DE PIJLSTAAKT-EEND. 

ANAS ACUTA. 



Men beschouwt tegenwoordig de Pijlstaart-Eenden als eene afzonderlijke groep 
of ondergeslacht (Dafila), met het oog op de verlengde staartpennen, waardoor 
men op 't eerste gezigt haar van alle overige bij ons levende Eenden kan onder- 
scheiden. In het Fransch heet deze soort Pilet; in het Portugeesch Rabo de 
jonco; in het Spaansch Pato caveto; in het Ilaliaansch Campigiana; in het Duitsch 
Spitzente; in het Zweedsch Stjertand, en in het Russisch Schüochwost. 

Bijgaande afbeelding stelt het mannetje in zijn prachtkleed voor, waarin hij 
zich van het wijfje onderscheidt door zijne duidelijk witte nekstreep en donker- 
bruinen voornek. Na den broeitijd zijn deze kenteekenen minder duidelijk, en is 
de nek en de geheele kop onregelmatig licht gezoomd en het geheele overige 
vederkleed doffer en graauwer. Het wijfje is, even als de meeste wijfjes-Eenden, 
over het geheele ligchaam gevlekt, doch gemakkelijk te herkennen aan haar 
langen, dunnen nek en puntigen staart, welke echter, ofschoon hij nimmer zoo 
lang wordt als die van het mannetje, toch veel spitser is, dan die van eenige 
andere Europesche Eendensoort. De jongen zijn in hun donskleed allerliefste 
diertjes, wier kleurteekening wel is waar met die der meeste jonge Eenden over- 
eenkomt, doch die, even als hunne ouders, reeds veel slanker en bijzonder klein, 
maar vlug en dartel zijn. De bovenkop is donkerbruin, even als de oogstreep, 
de achternek, de rug, stuit en staart; de wangen zijn bruinachtig wit; de keel, 
de geheele onderdeelen en eene zeer in 't oog vallende streep langs den rug , 
namelijk van langs den vleugel tot aan den staart, zijn wit. 

Men treft de Pijlstaart-Eend in geheel Europa aan, zoowel in het hooge 
Noorden als in de zuidelijke landen. In Azië komt zij tot Cevlon; voorts in Noord- 
Afrika en, zeer opmerkenswaardig, ook in Noord-Amerika tot aan Panama; ook 



Costa-Rica wordt door haar bezocht; ten minste men vindt daar deze soort in 

bepaalde jaargetijden. In het Westen van Europa is zij, vooral des winters, vrij 

algemeen, doch bezuiden Denemarken en Schotland schijnt zij niet of zeer zelden 

te broeijen. Men zegt dat zij in ons land op Borkum broeijen, doch dit heb ik 

nimmer bevestigd gevonden, ofschoon het zeer wel mogelijk is, dat zij ook op 

de eilanden Texel, Vlieland en Terschelling nu en dan nestelen, daar in deze 

streken zeer dikwijls vele Eenden broeijen, die men als zoodanig in geen ander 

oord van ons vaderland aantreft. Daarenboven is er zoo weinig communicatie 

(vooral wal de Eenden betreft) tusschen deze eilanden en het vasteland, dat we 

in werkelijkheid niet weten, welke vogels aldaar broeijen of overwinteren. Siberië 

> 

Zweden en Noorwegen, Noord-Azië en Noord-Amerika, alsmede het geheele 
Noorden van Rusland, IJsland en Groenland, zijn de eigenlijke broeiplaatsen 
dezer soort. 

Naar gelang van de localiteit, begint de paartijd omstreeks Maart of April, 
soms later. Het nest wordt in eene holte of oneffenheid van den grond, tusschen 
hoog gras of onder afhangende boomtakken nabij het water aangelegd. De 7 a 
40 eijeren zijn, even als de vogel zelf, langer en spitser dan die van andere 
Eenden, licht groenachtig grijs, gelijk die der Wilde Eend, en worden, zoo als 
trouwens bij alle soorten van Eenden is opgemerkt, alleen door het wijfje be- 
broeid. Als zij het nest verlaat, of als het aantal eijeren nog niet is uitgelegd, 
bedekt zij telkens, alvorens zich te verwijderen, de geheele oppervlakte met 
biezen of bladeren, en weet dit zoo net en natuurlijk te verbergen, dat het bijna 
onmogelijk is, het te vinden, zelfs al ziet men de Eend van de plaats wegzwemmïn. 

Pijlslaart-Eenden vliegen bijzonder snel en kunnen ook zeer goed duiken, 
ofschoon zij, naar hare vormen te oordeelen, wel voor volmaakte zwemmers, doch 
niet voor duikers zouden aangezien worden. Hare bewegingen herinneren aan die 
van den zoogenaamden Scherf-Waard (Mergus albellus), doch zij duiken minder 
geregeld en kunnen niet zoo lang onder water blijven. Ook welen zij zich zeer 
goed tusschen het langs den oever staand groen te verbergen , en zijn dus zeer 
moeijelijk te schieten. Overigens zijn zij zeer stil van aard: zelden brengen zij 
eenig geluid voort. Indien zij niet gestoord worden, blijven zij lang in eene streek 
vertoeven. 

Wegens hare zachte kleuren, sierlijke, zwaanachtige houding en vlugge 
bewegingen, zijn zij als vijvervogels zeer gezocht, en, waren zij slechts wat 



minder algemeen, zij zouden boven vele uilheemsche soorten geschat worden. Zij 
broeijen in onze vijvers echter niet zoo gereedelijk en verlangen, behalve stroo- 
mend water, een stil en rustig oord, geen gezelschap van andere tamme Eenden, 
en nog minder van grootere watervogels. Indien men, als de Eend eijeren legt, 
ze terstond verwijdert, om ze door eene andere tamme Eend of Kloek te laten 
uitbroeijen, zal men spoediger jongen verkrijgen, dan wanneer men ze aan de 
zorgen van het ouderpaar overlaat; want de Waard neemt al heel weinig notitie 
van zijne wederhelft, zoodra zij zich met familiezaken bemoeijen moet, en de 
Eend laat zich zoo ongaarne met andere gevederde of ongevederde bezoekers in, 
dat zij bij de minste verontrusting gewoonlijk hare eijeren verlaat. In groote 
vijvers, waarin veel kroos groeit, behoeft men ze des zomers slechts met wat 
graan,, brood of groen te voeren, 's Winters daarentegen behoeven zij, even als 
alle lamme watervogels, degelijk voeder; doch de koude, hoe streng ook, schijnt 
haar volstrekt niet onbehagelijk. 

Als wildbraad zijn deze vogels mede bijzonder smakelijk, doch zelden vet. 
Op onze wildmarkten ziet men ze herhaaldelijk, doch nooit zeer algemeen; want 
Pijlstaarten zijn, daargelaten nog hare geringe menigvuldigheid, moeijelijker te 
verkrijgen dan andere Eenden; en broodjagers vermoeijen zich liever niet, zoolang 
zij ander wild voor de hand kunnen wegschieten. Dr. von Radde vermeldt, dat 
de Chinezen ze met stukjes ijzer schieten, en dat hij in Kalassatajefsk eens een 
kozak ontmoette, die vischhaakjes met stukjes schapenlever aan takjes boven het 
water hing, en op die wijze reeds verscheidene dezer Eenden gevangen had.